thumb|Beelden van handbal met commentaar over de achtergrond van de sport (1932) thumb|Bioscoopjournaal uit 1943. Het Nederlands Handbalverbond organiseert een technische dag waarbij overal in het land handbalwedstrijden worden gespeeld. Een van de teams is "Heracles". Handbal is een sport tussen twee ploegen van elk zes spelers en 1 keeper.Bij de jeugd tot tien jaar wordt gespeeld met teams van zes spelers Er zijn zes spelers en één keeper. De winnaar is het team dat de meeste doelpunten maakt door de bal in het doel van de tegenstander te werpen.
De kern van het spel, dat zowel door heren als door dames kan worden beoefend, wordt gevormd door twee belangrijke regels: de bal mag niet met het onderbeen en de voet worden gespeeld en een speler mag met de bal in de hand maar drie passen doen, dan moet hij hem op de grond stuiten of afspelen. Een speler mag ook niet in een cirkel komen. Alleen de keeper staat in deze cirkel. Maar als je in de cirkel springt en de bal gooit voordat je op de grond belandt telt de goal wel mits de bal uiteraard in de goal is beland. Het vrij jonge zaalhandbal heeft het oudere veldhandbal inmiddels flink naar de achtergrond gedrongen. Een andere variant is beachhandbal. Dit is een minder populaire versie van handbal. Er bestaat ook straathandbal.
Geschiedenis Een handballer, die springt om de bal in de lucht te vangen, hem met de vlakke hand op de grond stuit of bij het werpen een schijnbeweging maakt, werd al bij de oude Grieken beschreven. En in het door balspelen bezeten Frankrijk van de middeleeuwen kende men het handbalspel ook, evenals in Engeland. Handbal, zoals het nu wordt gespeeld, is nog een betrekkelijke jonge telg aan de boom van sportieve balspelen. Maar de populariteit die het in enkele tientallen jaren in de hele wereld verwierf, is ongekend.
Handbal komt waarschijnlijk uit Duitsland. Het was de Duitser Max Heiser die handbal voor het eerst spelregels gaf. De Berlijnse gymnastiekleraar veranderde de afmetingen van het veld, de grootte van de doelen en hij maakte een doelgebied van vier meter. In 1917 werden deze spelregels vastgelegd door de Berlijnse Turnraad onder de officiële naam: ’Bestimmungen für die Abhaltung des Handballspieles für die Damenabteilungen des Berliner Turnrathes’. Handbal was dus in eerste instantie alleen voor meisjes en onderdeel van de Berlijnse Turnraad. Aan het begin van de 20ste eeuw wilde men de sporttak gymnastiek verbreden door ook balspelen aan het scenario toe te voegen. Aangezien voetbal een mannensport was en tennis alleen voor de elite, was handbal uitermate geschikt voor de meisjes. Later voegden de heren zich ook toe.Geschiedenis handbal Nederlands Handbal VerbondHoe is handbal eigenlijk ontstaan? Willem Wever. Gearchiveerd op 6 juni 2023.
Veldhandbal In 1920 gaf de Duitse sportleraar Carl Schelenz het veldhandbal een definitief wedstrijdkarakter door o.a. het dribbelen en lichaamscontact toe te staan. Door de nieuwe afmetingen van het spel (een voetbalveld) werd o.a. het invoeren van een buitenspelregel noodzakelijk. Ook de omvang van de bal verkleinde, wat een positieve invloed had op de baltechniek en de tactische ontwikkeling van het spel. Het veldhandbal werd gespeeld met elf spelers. De Berlijnse Hochschule verzorgde in 1928 tijdens de Olympische Spelen van Amsterdam een succesvolle demonstratie (met een bal die 10 centimeter groter was dan de huidige "heren"-bal).Geschiedenis van Handbal HV Heerle
Om de vaart in het spel te houden hebben de spelregels van het veldhandbal in de loop der jaren herhaaldelijk veranderingen ondergaan, die zich in de eerste plaats richten tegen de voortdurende opeenhoping van spelers voor de doelen.
Zaalhandbal Terwijl het moderne veldhandbal dus in Duitsland is ontstaan, begon het zaalhandbal ongeveer twintig jaar later vanuit de Scandinavische landen aan zijn opmars. Daar had de Deen Holger Nielsen omstreeks de eeuwwisseling een soortgelijk werpspel tussen twee teams van zeven spelers ontwikkeld, dat aanvankelijk in de open lucht op een klein veld, maar later in de zaal werd beoefend. Hier kon het spel zonder invloeden van het weer en het terrein naar technische verfijning en tactische vervolmaking groeien. Tegenwoordig heeft het spectaculaire zaalhandbal het eens dominerende veldhandbal internationaal de loef afgestoken.
In 1936 stond handbal op het programma van de Olympische Spelen. Na 1936 werd handbal weer van het olympische programma geschrapt. In 1972 keerde het handbaltoernooi terug op het programma van de Olympische Zomerspelen.Handbal: een Europese aangelegenheid Nederlandse Omroep Stichting
Teams thumb|Opstelling (5-1 systeem) thumb|Opstelling (6-0 systeem) Zaalhandbal wordt gespeeld door twee ploegen die ieder zeven spelers op het veld hebben, van wie één de keeper is. Er mogen zich zeven spelers als reserve op de wisselbank bevinden. Een team wordt aangestuurd door een coach. Eventueel kan een team meerdere officials op de bank hebben, waaronder een manager, fysiotherapeut of keeperstrainer.
De kleding van de ploegen (shirt en korte broek en sokken) moet uniform zijn, de keepers dienen duidelijk van de veldspelers te onderscheiden zijn. De keepers dragen bijna altijd een lange broek. Bij officiële wedstrijden dragen alle spelers een rugnummer.
De spelers hebben meestal een vaste positie in het veld. Dit kan zijn op de linker- of rechterhoek, linker- of rechter opbouw, middenopbouw, midvoor / cirkel / stoor. De keeper heeft altijd een vaste positie in het doel in de cirkel en zal deze enkel verlaten om de bal opnieuw in het spel te kunnen brengen, een uitbraak van de tegenstander te verijdelen of om gewisseld te worden.
De veldspelers en de doelman/vrouw mogen onbeperkt gewisseld worden. Het wisselen gebeurt op de wissellijn binnen een gebied van 4,5 meter vanaf de middellijn op de eigen speelhelft. De nieuw in te brengen speler mag echter pas het veld betreden zodra de speler die wordt gewisseld het speelvlak volledig heeft verlaten. Gebeurt dit niet correct, dan volgt een tijdstraf.
Speelveld thumb|Handbalveld Het rechthoekige speelveld is 40 meter lang en 20 meter breed, het wordt door een middenlijn verdeeld in twee speelhelften. Aan beide zijden in het midden van de achterlijn bevinden zich de doelen met daarvoor het doelgebied. Het doelgebied, dat aan de achterzijde begrensd wordt door de doellijn en achterlijn, wordt gevormd door twee kwartcirkels met een radius van zes meter, uitgezet vanuit de binnenste achterste hoek van de doelpalen, met een verbindingslijn op zes meter afstand en parallel aan de doellijn. Drie meter daarvoor en evenwijdig aan de voorste begrenzing van het doelgebied bevindt zich de vrije worplijn, dit is een regelmatig onderbroken lijn die zich op negen meter afstand van het doel bevindt. Tussen het doelgebied en de vrije worplijn ligt op zeven meter afstand van de doellijn de één meter lange strafworplijn. Verder is er nog in het doelgebied de 15 cm lange 4-meterlijn, deze is alleen bij een strafworp van belang.
De wissellijn maakt deel uit van de zijlijn en loopt voor beide teams vanaf de middenlijn tot aan een punt op 4,5 m vanaf de middenlijn. Deze punten zijn aangegeven door 15 cm lange lijnen.
Voor alle lijnen geldt, dat ze behoren bij het vlak dat ze begrenzen. Voor de middenlijn betekent dit dat deze tot beide speelhelften behoort. De doellijnen tussen de doelpalen zijn 8 cm breed, alle andere lijnen zijn 5 cm breed. thumb|Doel Het doel heeft een opening van drie meter breed en twee meter hoog, en bestaat uit twee palen en een dwarslat die vierkant zijn en een dikte hebben van 8 cm. De doelen moeten vast verankerd zijn aan de grond of aan de muur. Het doel is tweekleurig, doorgaans rood en wit, soms blauw-wit of zwart-wit. Aan het doel bevindt zich een net dat een diepte heeft van 70 tot 100 cm.
De bal thumb|Handbal bal thumb|Hars De internationale regels schrijven drie formaten van de bal voor:Ballreglement Internationale Handbalfederatie IHF-grootte 3: omtrek 58–60 cm, gewicht 425-475 gram, voor mannen en voor jongens van 16 jaar en ouder. Op de bal wordt hars (ook col genoemd) gedaan. IHF-grootte 2: omtrek 54–56 cm, gewicht 325-375 gram, voor vrouwen, meisjes van 14 jaar en ouder en jongens van 12 tot 16 jaar. IHF-grootte 1: omtrek 50–52 cm, gewicht 290-330 gram, voor meisjes van 8 tot 14 jaar en voor jongens van 8 tot 12 jaar. Voor nog jongere kinderen worden nog kleinere en lichtere ballen gebruikt, maar daar zijn geen internationale regels voor.
Spelregels thumb|Scheidsrechters Na de loting (toss) door de scheidsrechter vangt het spel aan met de beginworp vanaf het midden van het speelveld, waarbij alle spelers op hun eigen helft moeten staan, op een afstand van drie meter van de middellijn. De bal mag met handen, armen, hoofd, romp, dijbenen en knieën willekeurig in elke richting geworpen, geslagen, gestoten, gestompt, gestopt en gevangen worden. De bal mag niet met het onderbeen en de voet worden gespeeld. Het is ook niet toegestaan met de bal in de hand meer dan drie passen te doen. De speler moet hem minstens één keer op de grond stuiteren, alvorens hij nog eens drie passen mag doen. Daarna moet hij/zij hem definitief afgeven. Wanneer de speler de bal met beide handen vangt, mag deze hem niet langer dan drie seconden vasthouden of meer dan één keer op de grond stuiten. Met één hand mag men de bal zo vaak als men wil op de grond stuiten (tippen), zowel tijdens het lopen als op de plaats.
Om in het bezit van de bal te komen, is het geoorloofd de tegenstander deze uit de handen te tikken (niet van achter) en hem met het lichaam te blokkeren. Het is echter niet toegestaan de tegenstander met armen, handen en benen te blokkeren, vast te pakken, tegen hem aan te lopen of hem de bal uit de handen te slaan. De doelman mag zijn doel op alle manieren verdedigen, maar zodra hij het doelgebied verlaat, gelden voor hem dezelfde regels als voor de veldspelers.
Doelpogingen mogen vanaf iedere plaats op het veld plaatsvinden maar men mag de lijn van het doelgebied niet overschrijden of aanraken, wel mag men bij de doelpogingen in het doelgebied springen of vallen, daarbij dient men ervoor te zorgen dat de bal de hand verlaten heeft voordat men neerkomt op de grond. Men spreekt van een doelpunt als de bal de doellijn helemaal is gepasseerd. Ook wanneer een speler in eigen doel schiet, levert dit een punt op voor de tegenpartij. Na elk geldig doelpunt stellen de spelers zich op zoals bij de beginworp, die dan wordt genomen door de partij waartegen het doelpunt is gemaakt.
Gaat de bal via de zijlijn uit, dan moet er vanaf de plaats waar deze de lijn heeft gepasseerd een inworp worden genomen. Dit gebeurt door de partij, waarvan de spelers de bal niet het laatst hebben aangeraakt. Als de bal over de achterlijn uitgaat en voor het laatst aangeraakt is door een veldspeler van het verdedigende team, dan geeft de scheidsrechter aan de aanvallende partij een hoekworp. De speler moet deze nemen aan de betreffende kant van het doel, op de plaats waar de zijlijn en de achterlijn samenkomen. Speelt daarentegen een speler van de aanvallende of de doelman van de verdedigende partij de bal over de achterlijn of over het doel, dan geeft de scheidsrechter een uitworp. Deze moet vanuit het doelgebied worden genomen door de doelman.