thumb|Het bespelen van een hedendaagse uitvoering van de 'Keltische' harp, zie ook onder de kop van dit artikel: Latere en hedendaagse instrumenten De term Keltische muziek is feitelijk een hedendaagse, doch grove aanduiding van een grote groep van verschillende stijlen, waarbij men hoofdzakelijk doelt op de traditionele muziek uit Ierland, Schotland, Wales en Bretagne.
Doordat platenmaatschappijen, muziektijdschriften en recensenten alle muziek uit Ierland en Schotland vaak samen onder één "Keltische" noemer proberen te brengen, worden allerlei stijlen en stromingen feitelijk op één hoop geveegd. Zo is er een tendens om zaken, zoals mystiek, new-agemuziek, fantasy, middeleeuwen en de muziek van de “Keltische” streken, abusievelijk met elkaar te verwarren.
In de sfeer van new age, bedoelt men bijvoorbeeld de muziek die als ontspannen, mystiek en verheffend wordt ervaren. Een recent voorbeeld in dit verband, is de filmmuziek van Howard Shore in Peter Jacksons filmtrilogie The Lord of the Rings. In de film zelf wordt de fantasy-wereld van Tolkien doorspekt met Keltische en Germaanse elementen. In muzikaal opzicht wordt dit nog eens extra ondersteund, deels vanwege de bijdrage van de Ierse zangeres Enya, doch ook vanwege de in de film aangewende dansmuziek, waarin een Iers idioom valt te onderkennen.
Definitie Eigenlijk is het dus niet goed mogelijk om vanuit een etnomusicologisch standpunt een definitie te geven, omdat hier sprake is van de muzikale traditie van verschillende culturen. Ondanks deze verschillen valt een belangrijke gemeenschappelijke deler binnen deze culturen te onderkennen. Als we deze dan in ogenschouw nemen, mogen we Keltische muziek als volgt definiëren:
Keltische muziek is de verzameling van muziekstijlen, die voortkomt uit de traditionele volksmuziek uit landen of gebieden waar men een Keltische taal spreekt of recentelijk heeft gesproken.
Deze talen en de overeenkomstige regio's zijn: Gaelisch of Gaelic: de Gaeltacht, regio's in Ierland waar Iers-Gaelisch wordt gesproken, Schotland (UK, voornamelijk de Hooglanden en eilanden), het eiland Man en bepaalde regio's in Canada Kymrisch: Wales Cornisch: Cornwall Bretons: Bretagne
Soms worden het Noord-Spaanse Galicië en Asturië ook tot de Keltische gebieden gerekend, hoewel de gesproken volkstaal niet Keltisch is, maar verwant is aan het Portugees. Daarbij gaat men uit van mythologische (met een connectie naar Ierland) en archeologische gronden, waarmee men een Keltische identiteit aan deze streken heeft gekoppeld.
Enkele musicologische aspecten van de Gaelisch-Keltische stijl De muziek van de Keltisch-sprekende gebieden is onderling zeer verschillend en daarom onmogelijk onder één noemer te plaatsen. Gewoonlijk wordt met de term Keltische muziek in de meeste gevallen verwezen naar de Gaelisch-Keltische stijl (voornamelijk Iers en Schots).
Omdat de laatstgenoemde stijl zeer karakteristiek is, kan een aantal duidelijke kenmerken aangewezen worden met betrekking tot typische verschillen ten opzichte van de conventionele westerse muziek.
Toonsysteem Terwijl de conventionele westerse muziek vooral is geënt op het toonsysteem van majeur en mineur, is de Gaelisch-Keltische muziek overwegend gebaseerd op de zogenaamde folkmodaliteit. Hierin zijn drie groepen toonladders te onderscheiden: diatonische heptatonische toonladders, de hexatonische en pentatonische toonreeksen:
Modaal: hierbij wordt gebruikgemaakt van diatonische toongeslachten (of: modi = meervoud van modus), die vergeleken mogen worden met die van de oude kerktoonladders (hieronder weergegeven in de eenvoudigste vorm met behulp van stamtonen). In de Gaelisch-Keltische muziek (doch ook in de muziek van Bretagne) worden vier typen modi overwegend toegepast. Op basis van de stamtonen zijn dit: a-b-c-d-e-f-g-a' (eolisch of authentiek mineur) d-e-f-g-a-b-c-d' (dorisch) g-a-b-c-d-e-f-g' (mixolydisch) c-d-e-f-g-a-b-c' (ionisch of majeur) Deze toonladders kunnen zonder problemen worden getransponeerd.
Hexatonisch: bij deze toonladders is er maar één halve toonafstand in de toonladder aanwezig, waardoor de melodie wordt gekenmerkt door typische kleine-tertssprongen: a-b-c-d-e-x-g-a' (dorisch/eolisch zonder 6) d-e-x-g-a-b-c-d' (mixolydisch/dorisch zonder 3) g-a-b-c-d-e-x-g' (mixolydisch/ionisch zonder 7) Pentatonisch: de toonladders zijn in dit geval zogenaamde enhemitonisch (anhemitonisch), dat wil zeggen dat er geen halve toonafstanden in de toonladders voorkomen. De karakteristieke kleine tertsprongen zijn dan groter in aantal, bijvoorbeeld: g-a-b-x-d-e-x-g' a-b-x-d-e-x-g-a'
Ornamentiek De ornamentiek in de Gaelisch-Keltische muziek is, op enkele uitzonderingen na, verschillend met die van de conventionele westerse muziek. Accenten in de instrumentale muziek worden gelegd door zogenaamde 'rolls', 'slides' en 'crans'.
De versierende vocale muziek is geënt op de zogenaamde sean-nós zang, dat 'in de oude stijl' betekent. Dit omvat de improviserende Ierse zangstijlen (in het Gaelisch!) zonder instrumentale begeleiding met een scala aan kenmerkende versieringen: melismatische ornamentiek (serie versierende tonen op één lettergreep) interval ornamentiek (geïmproviseerde vervangende of ingevoegde intervallen binnen de bestaande melodie)
Deze versieringen zijn gekoppeld aan de variaties, die in de melodie kunnen optreden: melismatische, interval- en ritmische variaties. Hierdoor ontstaat een vrijzwevend ritme. Als deze zangstijl wordt toegepast, waarbij de taal Engels is, in plaats van Gaelisch, spreekt men van traditionele zang ('traditional singing') in plaats van 'sean nos'.
Eveneens een hoge mate van ornamentiek, zoals de taorluath en de complexe uitbreiding hiervan, de crunluath, treft men aan in de kunstmuziek voor de Schotse doedelzak. Deze kunstvorm wordt piobaireachd genoemd. (Lees meer verder op deze pagina onder de kop Instrumenten: Doedelzak in de Keltische gebieden).
Instrumenten Antieke instrumenten Carnyx Deze antieke oorlogstrompet was in de periode van 300 v.C. tot ca. 300 n.C. in gebruik bij de continentale Kelten, waaronder de Galliërs en de Kelten op de Britse Eilanden. De instrumenten waren ca. 3 m lang die in een verticale stand werd aangeblazen. Het doel van het instrument waarschijnlijk bedoeld om angst bij de vijand in te boezemen. De klankbeker vormde de afbeelding van een wild zwijn, draak of wolf en was voorzien van trillende tongen van hout. De meest complete kop werd in 1816 in het noordoosten van Schotland gevonden en had het model van een everzwijnenkop. Deze Deskford Carnyx is qua constructie zeer complex, waarbij messing en bronzen plaatmateriaal werd gebruikt. De kop heeft het model van een everzwijnenkop. De periode waarin het was vervaardigd zou ergens tussen AD 100 en 300 liggen. Een afbeelding van de carnyx staat op de zilveren ketel van Gundestrup, die aan het einde van de 19e eeuw in Jutland (Denemarken) werd opgegraven.
Latere en hedendaagse instrumenten Keltische harp thumb|200px|De Queen Mary harp (Museum of Schotland) is een voorbeeld van een clàrsach of 'Gaelische harp'.Een van de oudste instrumenten die in verband worden gebracht met de Keltische cultuur is de harp, alhoewel het aannemelijk wordt geacht dat men aanvankelijk gebruikmaakte van de lier of lierachtige instrumenten. Omstreeks 480 n.C. zou de harp door missionarissen naar Bretagne zijn gebracht. In Ierland en Schotland, en aanvankelijk ook in Wales, werd ten behoeve van de instrumentale muziek de harp aangewend die van metalen snaren was voorzien, namelijk van brons, messing, zilver en zelfs goudlegeringen. De oudst bekende muzieknotatie met betrekking tot de bardische instrumentale muziek vinden we terug in het 17e-eeuwse Robert-ap-Huw-manuscript uit Wales, dat ca. 30 tabulaturen bevat voor de harp, waarvan een aantal composities met zekerheid uit de 14e eeuw afkomstig zijn. Deze muziek, cerdd dant ('kunst der snaren' of 'snaarmuziek'), werd overigens niet louter op de harp gespeeld, doch ook op de crwth, een soort strijklier en timpán, mogelijk een soort gestreken psalter, voorzien van een toets of 'fingerboard'. De lier en harp, voorzien van darmsnaren of snaren van paardenhaar werden eveneens als begeleiding aangewend voor het bardische vers of cerdd dafod ('muziek der taal'). Een soortgelijke bardische traditie was vrijwel zeker bekend in Ierland en Schotland, doch de muziek is zo goed als verloren gegaan. Terwijl men tijdens de renaissance in Wales overging naar het gebruik van de zogenaamde Gotische harp met darm- of paardenhaarsnaren, bleef in Ierland en Schotland de metaalsnarige harp in gebruik en stond aldaar bekend als cláirseach in Ierland en clàrsach in Schotland, ook wel bekend als de 'Gaelische harp' en was ook in Engeland en Bretagne niet onbekend. Het huidige instrument, dat populair Keltische harp (haakjesharp) of folkharp wordt genoemd is feitelijk een kopie van deze Gaelische harp, doch is voorzien van zogenaamde haakjes om de tonen van de snaren chromatisch te veranderen. De cláirseach had deze voorziening echter niet en was feitelijk een diatonisch instrument. Een 'revival' van de Bretonse harp vond pas plaats in de 20e eeuw, dankzij de inspanningen enkele Bretoenen. Een van hen is Jord Cochevelou (1889-1974), wiens passie werd voortgezet door zijn zoon Alan Cochevelou (*1944) (beter bekend onder zijn artiestennaam: Alan Stivell.
Bodhrán thumb|Bodhránspeler met kwast-tipper De bodhrán is een zogenaamde Ierse lijsttrommel, die qua bouw op een grote tamboerijn zonder schellen lijkt, die is voorzien van een vlies van geitenvel en een kruisvormige opspanning, die als handvat dient. Men kan daarmee, tijdens het spelen, tegelijk de hand zo op het vlies plaatsen, dat verschillende intonaties kunnen worden gecreëerd. Het instrument wordt met een speciaal stokje (beater) met een verdikking aan beide uiteinden, of een kwast-tipper (zie foto), of soms met de hand, bespeeld.
Fluit De meeste oude benen fluiten, die men in Ierland heeft gevonden dateren mogelijk uit de tijd van de Vikingen, in Wales van ca. 600 jaar geleden, hoewel het niet uitgesloten dat het gebruik nog veel ouder is, gezien de vele archeologische vondsten elders in Europa. In 1968 zijn in Dublin 13e-eeuwse beenfluiten opgegraven, die slechts voorzien waren van twee vingergaten, waarmee is bewezen dat men tijdens de middeleeuwen beenfluiten nog in gebruik had. Tegenwoordig kent men in Ierland het type bekfluit (Gaelisch: feadán of feadog): de tin whistle of penny whistle en low whistle. Dit zijn zogenaamde transponerende instrumenten, die in principe twee kwintgerelateerde toonladders omvat. Bijvoorbeeld D/G (of B-authentiek mineur/E-authentiek mineur) of C/F (of A-authentiek mineur/D-authentiek mineur). Vaak noemt men deze fluit, abusievelijk doch algemeen geaccepteerd, flageolet. Wanneer de flute (houten dwarsfluit) zijn intrede deed in Ierland, Schotland en Engeland is niet bekend. Breandan Breathnach meldt, dat de naam vanuit het Engels naar het Gaelisch overgenomen als fliúit, waaruit valt af te leiden dat het gebruik betrekkelijk recent is, dat wil zeggen niet eerder dan de 18e eeuw. thumb|left|400px|Waltons Irish Black Whistle (ter ere van Guinness), aluminium, in D
Doedelzak in de Keltische gebieden Britse Eilanden