Jekaterinenburg (Russisch: Екатеринбург; Jekaterinboerg), ook wel Jekaterinburg of Jekaterinaburg, is de historische, economische en bestuurlijke hoofdstad van de Russische oblast (bestuurlijke regio) Sverdlovsk en het bestuurlijk centrum van het federale district Oeral. Tussen 1924 en 1991 droeg de stad de naam Sverdlovsk.

Ze is met ongeveer 1,3 miljoen inwoners de op drie na grootste stad van de Russische Federatie. Naar agglomeratie is ze met ongeveer 2,1 miljoen inwoners de vierde van Rusland na Moskou, Sint-Petersburg en Novosibirsk. De stad vormt samen met een aantal kleinere omliggende plaatsen één Russische gemeente als het stedelijk district "stad Jekaterinenburg".

Jekaterinenburg ligt in de Centrale Oeral aan de oostflank van de Oeral en wordt als zodanig beschouwd als een stad in Azië, en wel op ongeveer 50 kilometer ten oosten van de in de 19e eeuw officieel vastgestelde grens tussen Azië en Europa. De stad zelf claimt echter een Europese stad te zijn en heeft, om meer toeristen te trekken, zelfs een eigen intercontinentaal grensmonument op twee kilometer ten oosten van de stad geplaatst.

De stad ligt op 1667 kilometer van Moskou aan de oever van de rivier de Iset (stroomgebied van de Tobol). Het is een belangrijke industriestad, een belangrijk kennis- en financieel centrum en vormt een belangrijk spoorweg- en luchtverkeersknooppunt. Soms wordt de stad vanwege de grote betekenis 'de derde hoofdstad van Rusland' genoemd. Chroesjtsjov heeft zelfs eens voorgesteld om Jekaterinenburg de hoofdstedelijke status te geven ten koste van Moskou, vanwege de meer centrale ligging in het land. Vanuit Moskou gezien vormt de stad de "poort tot Siberië". De afstand tot Irkoetsk is 3.375 km (oostwaarts).

Geschiedenis Ontstaan In 1672 werd de kleine nederzetting Sjartasj aan het Sjartasjmeer gesticht door oudgelovigen op de plek waar nu Jekaterinenburg ligt. Rond 1720 was er een kleine slechtlopende kopersmelterij aan de rivier de Oektoes (nu Patroesjicha). In 1721 werd onder andere mijnbouwingenieur Vasili Tatisjtsjev door tsaar Peter de Grote naar deze plaats gestuurd om de fabriek te coördineren. Tatisjtsjev liet de fabriek verplaatsen naar de rivier de Iset, maar kreeg een conflict met industriemagnaat Nikita Demidov, die toen in Nevjansk al een aantal kopersmelterijen bezat en het gebied de facto bestuurde. Tatisjtsjev wilde de mijnbouwwetgeving invoeren in de Oeral en daar was de liberale Demidov op tegen, omdat hij zelf wilde bepalen hoe hij zijn fabrieken moest besturen. Bovendien betaalde hij door gedoogbeleid van zijn vriend Peter de Grote niet de vereiste 10% belasting over zijn inkomsten. Hij beschuldigde Tatisjtsejv van omkoping en Tatisjtsjev werd door zijn bedrijf, de Berg-amt, teruggehaald naar Sint-Petersburg, destijds de hoofdstad van het Russische Rijk.

In 1723 werd de van oorsprong Nederduitse luitenant-generaal Georg Wilhelm de Gennin naar het gebied gestuurd om de kwestie uit te zoeken. Hij zag dat Tatisjtsjev zijn werk wel degelijk goed had gedaan, herstelde hem in ere en gaf opdracht om de stad te bouwen op de plek waar Tatisjtsjev ze al had gepland. De stad werd uiteindelijk vernoemd naar de vrouw van Peter de Grote, Catharina en naar haar patroonheilige (patroonheilige van de mijnbouw), ook Catharina geheten. De Gennin vond dat de plek geschikt was voor de toekomstige hoofdstad van de Oeral (voordien was dat Verchotoerje) en liet meteen een fort bouwen door soldaten van het regiment van Tobolsk. Om de stad en de mijnbouw snel van start te kunnen laten gaan, liet hij er tevens de eerste mijnbouwscholen bouwen. Hij zorgde voor geschikte mijnbouwingenieurs door vrede te sluiten met Akinfi Demidov, de zoon van Nikita Demidov, die wel inzag dat de heerschappij over het gebied over was en De Gennin zijn beste ingenieurs uitleende om op de mijnbouwscholen les te gaan geven.

De hele bouw van de stad verliep volgens een vooropgezet plan, dat was ontwikkeld door ingenieurs uit de Olonetsfabrieken, waar De Gennin zelf eerder ook had gewerkt. Het eerste stadsplan was gebaseerd op voorbeelden uit Duitse, Nederlandse en Franse verdedigingswerken. De stad kreeg door de Duitse afkomst van De Gennin de Duitse toevoeging '-burg' in plaats van het Russische 'grad' of 'gorod'.

18e en 19e eeuw thumb|Huis van de gouverneur. Gebouwd van 1818-1821 voor handelaar Grigori Zotov. Later bewoond door goudmijneigenaar Savva Tarasov. Het gebouw staat aan de rivier de Iset en achter het Doemagebouw. thumb|Het oude stationsgebouw van Jekaterinenburg, dat dienstdeed als hoofdstation tussen 1881 en 1910 thumb|Gezicht op het centrale deel van Jekaterinenburg in 1910 (Foto: Sergej Prokoedin-Gorski)

De plaats groeide onder zijn leiding al snel tot een centrum van de industrie. In 1726 ontstonden de eerste ijzerfabrieken. De ijzerwerken van Jekaterinenburg waren destijds de grootste van het Russische Rijk en qua technologische uitrusting waren ze de modernste van de wereld. In 1725 opende een munthuis dat meer dan 150 jaar lang koperen munten sloeg voor de Russische staat. In 1726 werd er een edelsteenbewerkingsfabriek geopend, waar edelstenen en halfedelstenen uit de hele Oeral werden bewerkt en verkocht. Toen Tatisjtsjev in 1734 terugkeerde voor een periode van 3 jaar, liet hij veel Duits aandoende namen vervangen door Russische. Zo gebruikte hij in officiële documenten geen Jekaterinenburg met het Duitse toevoegsel -burg, maar Jekaterinsk. De positie van de stad werd nog versterkt door de aanleg van de Siberische Trakt in 1763 onder tsarina Catharina de Grote. Deze had (en heeft) van Moskou tot Jekaterinenburg de naam "Moskoutrakt" en vanaf Jekaterinenburg de naam "(Grote) Siberische Trakt". Jekaterinenburg werd hiermee een belangrijke stad naar het uitgestrekte Siberië en daarmee Ruslands "venster op Azië", net als Sint-Petersburg het "venster op Europa" was in die tijd.

In 1781 werd de plaats het bestuurlijk centrum van de oblast Jekaterinenburg en kreeg onder tsarina Catharina de Grote de status van stad. In 1796 werd de stad echter weer gedegradeerd door tot het bestuurlijk centrum van een oejezd van het goebernija (gouvernement) Perm te worden benoemd. In 1807 kreeg Jekaterinenburg als enige in het Russische Rijk de status van "mijnbouwstad", wat zijn relatie met deze industrietak onderstreepte.

Toen bij Berjozovski goud werd gevonden, werd het goud in de stad omgesmolten en groeide de stad vanaf 1840 uit tot een metaalbewerkings- en machinebouwcentrum. Hiertoe behoorde de productie van gereedschappen voor de mijnbouw en metallurgie, hydraulische turbines en stoommachines. Aan het einde van de 19e eeuw werd het een belangrijk spoorwegknooppunt. In 1878 kwam de spoorlijn vanaf Perm gereed en eind 19e eeuw werd de Trans-Siberische spoorlijn door de stad heen gelegd.

Sovjetperiode thumb|Standbeeld van Sverdlov in Jekaterinenburg Jekaterinenburg is de stad waar tsaar Nicolaas II naartoe werd verbannen. Hij werd er vervolgens ook geëxecuteerd in opdracht van bolsjewiekenleider Jakov Sverdlov, nadat de tsaar als gevolg van de Februarirevolutie (1917) gedwongen aftrad. In 1919 werd het tot het bestuurlijk centrum van het gouvernement Jekaterinenburg en in 1923 van de oblast Oeral. In 1924 werd de stad omgedoopt in Sverdlovsk (Свердловск), ter ere van Jakov Sverdlov.

Tussen 1932 en 1937 werkte Chiang Ching-kuo, zoon van Chiang Kai-shek en president van de Republiek China (1978-1998), in de stad bij de zware machinefabriek Oeralmasj (die verwerd tot het Sovjetsymbool van de stad). Hij ontmoette hier ook zijn latere vrouw Faina Ipatjevna Vachreva. In 1930 werd door de communisten besloten tot de sloop van bijna alle kerken en kathedralen in de stad, als gevolg waarvan er nu nog maar enkele oude kerken overblijven.

In de Tweede Wereldoorlog werden de kunstschatten van de Hermitage in Sint-Petersburg uit voorzorg hierheen gebracht. Ook werden toen vele fabrieken en onderzoekscentra uit Europees Rusland naar de stad overgeplaatst, waarop de stad uitgroeide tot een belangrijk centrum voor de defensie-industrie en als zodanig tijdens de Koude Oorlog gesloten was voor buitenlanders.

Op 1 mei 1960 werd de Amerikaanse spion Gary Powers in zijn U-2 neergeschoten boven de oblast toen hij bezig was spionagefoto's te maken van onder andere Majak. Hij werd uitgeruild voor de Russische spion Rudolf Abel in 1962.

In april en mei 1979 vond een miltvuurepidemie plaats in Sverdlovsk, die door de Sovjetleiders toegeschreven werd aan het eten van besmet vlees en niet aan het militaire microbiologische centrum in de stad. Bij de epidemie vielen 66 doden. Volgens de Amerikaanse overheid lag het echter aan spores van een aerosol met pathogenen (antrax). Door de voormalige Sovjet-biologischewapenonderzoeker Kanatjan Alibekov werden ze hierin gesteund. Boris Jeltsin erkende in mei 1992 uiteindelijk dat de epidemie wel degelijk verband hield met wapenontwikkeling. In 1994 concludeerde een team van onafhankelijke Amerikaanse onderzoekers, onder leiding van Matthew Meselson, op basis van een aantal sterke aanwijzingen dat het bewezen was dat de ziekte het resultaat was van de uitstoot van antrax uit het militaire complex Sverdlovsk-19.Matthew S. Meselson, et al., The Sverdlovsk Anthrax Outbreak of 1979, Science 266:5188 (18 november 1994): 1202-1208.

Na de val van de Sovjet-Unie Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie kreeg de stad in september 1991 haar oude naam terug, maar o.a. in de dienstregeling van de Russische spoorwegen is de stad nog steeds opgenomen onder de naam Sverdlovsk. Jekaterinenburg werd ook weer toegankelijk voor buitenlanders. Sindsdien is de stad economisch sterk gegroeid en hebben veel buitenlandse bedrijven er geïnvesteerd.

Vooral in het begin van de jaren 90 waren er echter nog veel problemen. Zo bevond zich hier tijdens de communistische coup van 1991 de communistische "overgangsregering". Ook zorgde de lokale Russische maffia, de Oeralmasj (vernoemd naar het gelijknamige metaalverwerkingsbedrijf) en zijn opponenten voor problemen. Er braken bendeoorlogen uit in 1992 en 1993, waarna de situatie geleidelijk weer wat rustiger werd. Jekaterinenburg stond in die tijd bekend als de "Russische hoofdstad van de criminaliteit". De belangrijkste fracties werden gevormd door de "Centralen", de "Vor v zakone" en de Oeralmasj. Zij vochten om de controle over de grote bedrijven in de stad en deinsden er niet voor terug om de Spetsnaz in te zetten om leden van de concurrentie om te brengen. De maffia is nog steeds een factor van belang, maar houdt zich sinds de tweede helft van de jaren 90 vaker bezig met de handel.

De honderden graven van leden die het niet overleefden zijn vaak met levensgrote portretten van deze gangsters (en hun toebehoren) te vinden op onder andere de begraafplaats Sjirokoretsjenskoje, die om deze reden elk jaar veel toeristen trekt. In 1997 werd een belangrijk persoon binnen de Oeralmasjfabriek (nu onderdeel van OMZ), die bezig was om de maffialeden uit de bedrijfsorganisatie te werken, vermoord. In een reactie daarop werd door de Russische overheid onder andere besloten nauwer samen te werken met de overheid in Israël, om te zorgen dat niet langer omvangrijke geldstromen en gezochte personen naar dit land zouden verdwijnen. De maffia is nog steeds op veel plaatsen aanwezig, zij het dat het nu vaak om kleinschaligere vormen van criminaliteit gaat en de belangrijke personen zich eigenlijk alleen nog maar met de handel en politiek bemoeien.

thumb|300px|Zicht over de Iset met op de achtergrond de bouwplaats van Jekaterinenburg-City

De stad maakt de laatste jaren geleidelijk aan een aantal positieve veranderingen door en kent een laag werkloosheidscijfer en een lichte groei in bevolking. Dit is mede te danken aan burgemeester Arkadi Tsjernetski, die in 1992 democratisch aan de macht kwam en onder andere verliesdraaiende overheidsbedrijven afstootte en groeisectoren in de economie steunde.