thumb|Edmund Husserl was een fundamenteel denker voor de continentale filosofie. Continentale filosofie is een term die in de Angelsaksische wereld gebruikt wordt om er verschillende filosofische stromingen en tradities in de hedendaagse filosofie mee aan te duiden uit het vasteland van Europa, in het bijzonder uit Duitsland en Frankrijk. Het begrip wordt meestal gehanteerd in contrast met analytische filosofie. Stromingen waarop het kan duiden zijn Duits idealisme, levensfilosofie, fenomenologie, existentialisme, hermeneutiek, (post)structuralisme, feministische filosofie, het speculatief realisme, de kritische theorie (Frankfurter Schule) en enkele andere richtingen van Westers marxisme. Er bestaat geen duidelijke scheidslijn of definitie om uit te maken wat precies onder continentale filosofie valt. Over het algemeen valt te zeggen dat continentale filosofie samenhangt met de brede kantiaanse thesis dat de aard van kennis en ervaring gebonden zijn aan omstandigheden die niet direct toegankelijk zijn voor empirisch onderzoek.
Enkele kenmerken De term continentale filosofie wordt gebruikt om bepaalde stromingen en denkrichtingen aan te duiden die zich vooral op het het vasteland, met name in Frankrijk en Duitsland hebben ontwikkeld. Dit is echter in zekere zin een ongelukkige naamkeuze. Zo zijn er immers filosofen zoals Gottlob Frege en Rudolf Carnap die weliswaar van continentaal Europa afkomstig zijn maar niet worden gerekend tot de continentale filosofie, maar net tot de analytische filosofie. Daarentegen zijn er dan weer vele filosofen die in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië leefden of werkten, die echter wel tot de continentale traditie behoorden. Hier kan men denken aan personen als Hannah Arendt en Theodor Adorno., The Analytic/Continental divide: Entities and Being, bezocht op 7-03-2012., "Analytic and Continental Philosophy: explaining the differences", Metaphilosophy, 2003, bezocht op 7-03-2012. De afwijzing van een hoofdzakelijk wetenschappelijke benadering, waarbij natuurwetenschappen worden gezien als de beste manier om alle fenomenen te begrijpen. Continentale filosofen wijzen er vaak op dat wetenschap afhankelijk is van een "pre-theoretische ondergrond van ervaring". Men beschouwt de voorwaarden voor mogelijke ervaringen als variabel, op zijn minst bepaald door factoren als context, ruimte en tijd, taal, cultuur en geschiedenis. Hiermee neigt continentale filosofie in de richting van historicisme. De hiervoor genoemde voorwaarden voor ervaring zouden kunnen worden veranderd door bewust menselijke bemiddeling. Continentale filosofen hechten hierbij veel waarde aan de eenheid van theorie en praktijk en neigen ertoe filosofische problemen te zien als gerelateerd aan persoonlijke, morele of politieke verandering. In marxisme, existentialisme en post-structuralisme komt dit duidelijk terug. De nadruk op metafilosofie. Als reactie op het succes van de natuurwetenschappen probeerden continentale filosofen de methode en aard van filosofie te herdefiniëren. In Duits idealisme en fenomenologie is er de zienswijze dat filosofie de eerste, fundamentele, a priori wetenschap is. In hermeneutiek, kritische theorie en structuralisme wordt beweerd dat filosofie onderzoekingen doet in het domein van kennis waar geen reductie van cultuur en praktijk mogelijk is. Filosofen als Kierkegaard, Nietzsche, de latere Heidegger en Derrida hebben diepe twijfel veroorzaakt over de coherentie van alle traditionele visies op filosofie. Iemand als Neil Levy stelt dat de continentale filosofie zich onderscheidt van de analytische filosofie doordat ze geen vast "paradigma" (zie Thomas Kuhn) heeft, zoals de analytische filosofie dat wel heeft. Continentale filosofie typeert zich er dus door dat ze geen vaste vooronderstellingen en vertrekpunten heeft.
Geschiedenis Over de oorsprong van de continentale filosofie gaan de meningen uiteen. Duidelijk is wel dat de men kan spreken van continentale filosofie met het ontstaan van de fenomenologie"Western philosophy." Encyclopædia Britannica. Encyclopædia Britannica Online Academic Edition. Encyclopædia Britannica Inc., 2012. Web. 07 Mar. 2012, bezocht op 07-03-2012., maar sommigen beweren dat dit soort filosofie al een vroegere begindatum had. Zo kan men het Duits idealisme al typeren als continentaal."Analytic" and "Continental" Philosophy, Bezocht op 7-03-2012.Continental vs. Analytic, Bezocht op 7-03-2012.Analytic Philosophy, Bezocht op 7-03-2012. Belangrijke figuren in deze stroming waren Johann Gottlieb Fichte, Friedrich von Schelling en uiteindelijk Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Het Duits idealisme kwam oorspronkelijk voort uit het werk van Immanuel Kant en was nauw verbonden met de Romantiek en de Verlichting. Andere figuren binnen dit Duits idealisme waren Friedrich Heinrich Jacobi en Friedrich Schleiermacher. Sommigen verwijzen zelfs naar het werk van Jean-Jacques Rousseau als beginpunt van de continentale filosofie.
Het probleem van zo'n vroege datering is echter wel dat men de continentale filosofie al in de moderne filosofie moet laten starten, terwijl men de continentale filosofie eerder als een hedendaagse stroming in de filosofie bekijkt. Anderen wijzen dan weer de filosofie van Henri Bergson aan als begintpunt., Foucault (Fontana Modern Masters series), University of California Press, 1987 . Breder kan men Bergson plaatsen in de stroming van de levensfilosofie. Andere filosofen die tot deze stroming behoorden waren Maurice Blondel, Wilhelm Dilthey, Hans Driesch, Ludwig Klages en Georg Simmel. Deze filosofen bekritiseerden het rationalisme in de hedendaagse filosofie en wetenschap. Daartegenover stelde zij het perspectief van het leven zelf, dat uit een vitalistisch en irrationeel perspectief moest benaderd worden.
Fenomenologie
thumb|150px|Franz Brentano was een van de wegbereiders van de fenomenologie. De continentale filosofie kan men dus al zeker terugvinden in het begin van de 20ste eeuw, bij de oorsprong van de fenomenologie in het werk van Edmund Husserl en Franz Brentano. De fenomenologie beoogt een voor zich laten spreken van de fenomenen, waarbij de intuïtieve ervaring een belangrijke rol speelt. en , Filosofie. Personen en begrippen van A tot Z, 1990/1999, De fenomenologie vormde een kritiek op de klassieke filosofische opvattingen, zoals die terug te vinden zijn bij René Descartes en David Hume, of breed genomen het rationalisme en het empirisme. Zo staat bijvoorbeeld het probleem van de brug centraal in de filosofie van Descartes en Hume: er is hier een onbetwijfelbare innerlijke wereld gefundeerd op het "ik denk, dus ik ben", maar het is niet zeker of er ook een buitenwereld is. Het gaat dus om de zoektocht naar een garantie voor het feit dat niet alles louter een illusie zou zijn. Ook Hume stelt bijvoorbeeld de vraag naar waar wij het principe van oorzakelijkheid vinden: men ziet immers alleen maar het ene object tegen het andere object aanstoten, en dan ziet men het tweede object in beweging komen, maar men ziet geen oorzakelijkheid. In principe gaat het hier dus om vormen van scepticisme.
De fenomenologie reageert hier op verschillende wijzen op. Enerzijds wijzen personen als Brentano en Husserl erop dat de filosofie van Descartes een verarmd beeld van het bewustzijn hanteert: Descartes vertrekt van het "ik denk" (cogito) en vraagt zich dan af of er ook een buitenwereld is om te denken. De fenomenologie wijst er echter op dat men hier een aspect van het bewustzijn vergeet, namelijk zijn intentionaliteit. Het bewustzijn is met andere woorden al betrokken op iets, en het "ik denk" zou dus vervangen moeten worden door een "ik denk iets". Zo is in zekere zin het scepticisme al overwonnen, want men heeft om te kunnen denken altijd al een object van het denken nodig. Er is dus met andere woorden een buitenwereld.
Een ander punt waarop de fenomenologie wijst, en vooral latere fenomenologen zoals Martin Heidegger en Maurice Merleau-Ponty, is dat de klassieke filosofie een te rationalistisch of intellectualistisch beeld van de omgang tussen mens en de wereld hebben., Fenomenologie van de waarneming, Boom, Amsterdam, 2009, p. 83. Zo zag Descartes een object buiten zich primair als een uitgebreid ding, geformuleerd in wiskundige termen. Heidegger wijst echter op het feit dat dat niet de primaire omgang van de mens met de wereld rondom zich inhoudt. Een hamer ziet de mens bijvoorbeeld niet allereerst als zo'n uitgebreid ding, maar als een praktisch ding, een voorwerp waar men mee hamert. De oorspronkelijke relatie is dus een praktische relatie, waarin de mens vertrouwd is met zijn onmiddellijke omgeving.
Verder reageert iemand als Merleau-Ponty er ook op door te stellen dat de mens veel intrinsieker verbonden is met zijn lichaam dan traditioneel gedacht. Hij definieert een mens dan ook als een corps-sujet, in tegenstelling tot Descartes die het lichaam louter als bijkomstige machine zag. Het lichaam functioneert als fundament voor de mens: het is de mens zijn standpunt, zijn houvast in de werkelijkheid. Ook wijst hij erop dat er vele vormen van "motorische kennis" (zoals pianospelen) bestaan, eigen aan het lichaam, die niet te formuleren zijn in termen van denkprocessen. Iemand als Emmanuel Levinas zal er dan weer op wijzen dat het Ik en de Ander onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De Ander of de alteriteit is een onophefbaar anders-zijn. Levinas leverde hiermee kritiek op de hele westerse filosofie, waarin volgens hem al sinds de oude Grieken geen plek is voor anders-zijn.
De fenomenologie is ook toegepast in de religie en antropologie.
Existentialisme
thumb|De vier grote voorbeelden van het existentialisme waren: Søren Kierkegaard, Friedrich Nietzsche, Franz Kafka en Fjodor Dostojevski. De fenomenologie bracht in de twintigste eeuw nieuwe existentialistische filosofie voort. De grote inspiratiebronnen van dit existentialisme waren echter de filosofieën van Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche. Ook hebben existentialisten een sterke interesse voor bepaalde schrijvers, waarin zij tevens voorbeelden zagen, zoals Franz Kafka en Fjodor Dostojevski. Sommige auteurs wijzen ook de filosofie van Henri Bergson als wegbereider voor het existentialisme aan. Daarnaast vloeide de fenomenologie, na Heidegger, verder uit in een existentiële fenomenologie, waartoe Maurice Merleau-Ponty en Jean-Paul Sartre worden gerekend. Centraal is deze filosofie staat de mens, en breder de menselijke conditie. De mens lijkt hier in de wereld te zijn geworpen, ogenschijnlijk zonder enig doel of zonder enige reden. Het existentialisme tracht hierop een antwoord te bieden.
Sartre zal bijvoorbeeld de volle nadruk op de vrijheid en de verantwoordelijkheid van ieder individu leggen. Een van de belangrijkste stellingen die Sartre verdedigt is dat existentie voorafgaat aan essentie. Het wijsgerige verschil tussen existentie en essentie houdt in dat iets bestaat en daarnaast ook een kern of essentie heeft. Om dit abstracte onderscheid concreet te maken: ieder ding bestaat (existeren) en heeft daarbij een bepaalde natuur (essentie). Sartres stelling is nu dat bij de mens de existentie de primaire bestaansvorm is, en aan de essentie voorafgaat. Bij uitstek het bewustzijn van de mens heeft de mogelijkheid te bepalen wat zijn essentie is. Een bewustzijn kan, doordat het principieel vrij is, zijn eigen toekomst bepalen en is daardoor nooit gelijk aan zijn existentie. De mens is dus in zekere mate vrij en onbepaald, hij kiest zelf wat hij wordt.