Historische geografie is de wetenschap die zich bezighoudt met de historische dimensie van geografische verschijnselen. Deze verschijnselen bevinden zich op het snijvlak van geografie en geschiedenis en daarom is een goede afbakening van het werkterrein van de historische geografie moeilijk. Sommigen zien de historische geografie als een onderdeel van de geschiedenis, anderen vinden het een deelwetenschap van de sociale geografie (Heslinga, 1982). Na 1970 heeft de historische geografie zich ontwikkeld als een uitgesproken interdisciplinair vakgebied. Voor 1970 hielden historisch geografen zich vooral bezig met de historische ontwikkeling van het landschap, maar momenteel is er sprake van een grote verscheidenheid aan onderzoeksthema's (Hoelscher, 2006, 210).
De ontwikkeling tot 1970
De toegenomen internationale uitwisseling van standpunten heeft niet geleid tot een homogene visie op de aanpak en de onderzoeksthema's.
De Anglo-Amerikaanse traditie Voordat de historische geografie zich had ontwikkeld tot een academische discipline waren er geleerden werkzaam op het interdisciplinaire terrein van geografie en geschiedenis. Het in 1864 verschenen boek Man and Nature: Or, Physical Geography as modified by Human Action van George Perkins Marsh (1801-1882) beïnvloedde het denken in de Verenigde Staten over de relatie mens-omgeving. Aan de hand van een historische analyse wordt onder andere de negatieve invloed van de mediterrane culturen op de natuurlijke omgeving geschetst. Eveneens van grote invloed was het werk van de historicus Frederick Jackson Turner (1861-1932) met zijn opvattingen over de betekenis van de Amerikaanse Frontier.
Ellen Churchill Semple (1863-1932) was de eerste Amerikaanse geograaf die de geschiedenis van haar land met een geografische blik onderzocht. Haar ‘American History and its Geographic Conditions’ uit 1903 was een duidelijke breuk met de opvattingen van Marsh. Zij vond dat de natuurlijke omgeving een determinerende factor was voor het menselijk handelen (fysisch-geografisch determinisme). Deze opvatting domineerde het geografisch denken in de Verenigde Staten tot de jaren dertig van de 20e eeuw.
In 1932 publiceerde Charles Paullin de ‘Atlas of the Historical Geography of the United States’. Daarin werd gebroken met de deterministische opvattingen. De nadruk lag op de cartografische weergave van de interactie van mens en omgeving.
De historische geografie leek in de periode 1935-1960 aan invloed te verliezen door de opvattingen van Richard Hartshorne. Hij vond dat de factor tijd tot het exclusieve domein van de geschiedenis behoorde. De chorologische opvatting was de juiste zienswijze voor de geograaf en een analyse van de historische ontwikkeling van een gebied was niet nodig in het geografisch onderzoek. Daarentegen beklemtoonde Carl Ortwin Sauer de noodzaak van een genetische aanpak. Zonder grondige kennis van de historische ontwikkeling kon een gebied of landschap niet worden begrepen. Toen hij in 1940 voorzitter werd van de Association of American Geographers, hield hij een pleidooi voor het historische element in het geografisch onderzoek. De historische geografie verdiende een centrale plaats binnen de geografische wetenschappen. Sauer had veel leerlingen (men spreekt van de Berkeley School) die zijn op veldwerk gebaseerde aanpak in de praktijk brachten. Een van hen was Fred Kniffen (1900-1993) die met name geïnteresseerd was in de ontwikkeling en de spreiding van de inheemse architectuur als onderdeel van de regionale cultuur. Een andere leerling van Sauer was de van oorsprong Nederlandse geograaf Jan O.M. Broek (1904-1974). Hij gebruikte de methode van de historische dwarsdoorsnede in zijn proefschrift over de Santa Clara Valley (1932). Hij analyseerde het gebied in een viertal perioden (het primitieve landschap, de Spaanse-Mexicaanse periode, de vroeg Amerikaanse periode en het landschap van de 20e eeuw) en hij probeerde de veranderingen te verklaren door een schets van de sociaal-economische processen tussen de onderzochte perioden.
In Engeland was de geografiebeoefening tussen de beide Wereldoorlogen nauw verbonden met geschiedenis. Een aantal geografen had ook een academische graad in geschiedenis en er was een duidelijke invloed van de Franse geografie van de school van Paul Vidal de la Blache. Onder hen was Henry Clifford Darby (1909-1992) de belangrijkste. Voor hem diende de historische geografie een centrale plaats te krijgen binnen de geografische wetenschappen. Hij maakte bij voorkeur van bepaalde perioden in de geschiedenis van een gebied (cartografische) dwarsdoorsneden. In 1936 publiceerde hij ‘Historical Geography of England before A.D. 1800’. Met medewerking van 16 andere wetenschappers maakte hij een analyse van het Domesday Book, een uitgebreid overzicht in het Latijn van alle bezittingen en eigenaren in Engeland voor en na 1066. De resultaten werden in zeven delen gepubliceerd tussen 1952 en 1977. Het laatste deel, een overzicht, werd door Darby zelf geschreven.
De Franse traditie In de 19e eeuw was de geografie nog een hulpwetenschap van de geschiedenis en veel geografisch werk kon worden betiteld als een vorm van historische geografie. Jules Michelet (1798-1874) stelde in de 19-delige Histoire de France dat het begin van de Franse geschiedenis wordt gevormd door de op fysieke kenmerken gebaseerde administratieve indeling van het land, anders gezegd in het begin was de geschiedenis volledig geografisch. Van 1892 -1911 was Auguste Lognon hoogleraar historische geografie bij het Collège de France, maar zijn onderzoek was gericht op de ontwikkeling van de administratieve indelingen in Frankrijk, een heel specifiek onderdeel van de historische geografie.
De benoeming van Paul Vidal de la Blache (1845-1918) als hoogleraar, eerst in Nancy en later aan de Sorbonne, bracht een duidelijke verandering in de positie van de geografie in Frankrijk. Hij had geschiedenis en geografie gestudeerd en hij had een uitgesproken ecologische opvatting over het wezen van de geografie. Zijn invloed op de Franse geografie (en daarbuiten) was zo groot dat men spreekt van de ‘tradition vidalienne’. Op uitnodiging van de historicus Ernest Lavisse (1842-1922) publiceerde hij in 1903 ‘Tableau de la géographie de la France’ als eerste deel van een ‘Histoire de France’. Daarin laat hij zien hoe een begrip van de geografische context een noodzakelijke voorwaarde is voor het doorgronden van historische ontwikkelingen. Zijn ideeën vormden de basis voor de opzet van een groot aantal regionale monografieën die zijn leerlingen in de eerste helft van de 20e eeuw publiceerden. In deze vorm van geografiebeoefening stond de historische geografie centraal door de aandacht voor de eeuwenlange wisselwerking tussen natuurlijk milieu en menselijke activiteit in een bepaald gebied. Ook Franse historici droegen bij aan dit type onderzoek zoals Lucien Febvre (1878-1956) in zijn in 1922 verschenen ‘La terre et l’évolution humaine. Introduction géographique à la histoire’. In zijn overtuiging was er sprake van een harmonische eenheid tussen mens en omgeving. Meer nog dan Vidal de la Blache schreef hij die harmonie toe aan de wijze waarop de mens omging met de geboden mogelijkheden. Met Marc Bloch (1886-1944) verwierp hij de elitaire opvatting over de toen gangbare opvatting van geschiedenisbeoefening, waarin er veel aandacht was voor politieke gebeurtenissen. Zij vroegen dus meer aandacht voor de bevindingen van andere menswetenschappen zoals sociologie en geografie (Annales-school). Grote bekendheid kreeg de reconstructie van de Mediterrane wereld gedurende de 16e eeuw van Fernand Braudel (1902-1985) waarin de geografische context een markante plaats kreeg. Bij Braudel kende de factor tijd een gelaagdheid. De eerste laag, de longue durée van de min of meer vastliggende geografische structuren, de tweede laag van de langzaam verlopende sociaal-economische, technische en culturele ontwikkelingen (moyenne durée) en de derde laag van de courte durée, de voortdurend veranderende politieke gebeurtenissen (de Pater, 1985, 164).
Weinig regionale monografieën van voor de Tweede Wereldoorlog kenden een scherpe probleemstelling. Er is doorgaans sprake van een grondige beschrijving van de relevante verschijnselen in een bepaalde periode (agrarische technieken, nederzettingspatronen, boerderijtypen, kavelvormen, sociaal-economische organisatie etc.). Een uitzondering was de studie van Roger Dion (1896-1981) over het stroomgebied van de Loire. Hij legde het accent op de geschiedenis van de strijd tegen de overstromingen en het spreidingspatroon van nederzettingen en kavelvormen. Bij hem zien we ook het belang van cultuurverschillen (zoals opvattingen over ondernemerschap en beschikbaarheid van kapitaal) bij de verklaring van de variaties in de plattelandseconomie. In 1948 werd Roger Dion benoemd als hoogleraar historische geografie aan het Collège de France.
Naast de regionale monografieën was er ook aandacht voor speciale thema's zoals de beschrijving en analyse van de ontwikkeling van nederzettingspatronen en de studie van de sociaal-economische aspecten van de plattelandssamenleving. Bijzondere aandacht kreeg het rurale landschap en de bijbehorende plattelandsorganisatie.
De Duitse traditie Belangrijk in de ontwikkeling van de Duitse (historische) geografie is de opvatting van Otto Schlüter (1872-1952). Hij heeft het landschap tot een van de centrale concepten in de Duitse geografie gemaakt. In het landschap vonden de geografen een eigen object, waardoor het mogelijk werd de complexe relaties tussen mens en omgeving te onderzoeken. Vaak gebruikte men de historisch-genetische aanpak waarbij het karakter van het huidige (cultuur)landschap werd ‘verklaard’ door een beschrijving van de verschillende ontwikkelingsstadia. De ‘genetische Kulturlandschaftsforschung’ is ook in de decennia na 1945 dominant in de Duitse historisch-geografische publicaties. Bijzondere aandacht kreeg het onderzoek naar nederzettingsvormen en kavelpatronen.
Na 1970 komt er kritiek vanuit de hoek van de zogenaamde ‘Nieuwe Geografie’, onder andere van Gerhard Hard die de werkwijze van de historisch geografen niet vond passen in de nieuwe, nomothetisch georiënteerde geografie.
Ontwikkelingen na 1970 In de periode 1960-1970 veranderde het karakter van de sociale geografie als wetenschap onder de invloed van de zogenaamde kwantitatieve revolutie. De regionale beschrijving moest plaats maken voor theorievorming op basis van (statistische) analyse van grote datasets. Ruimtelijke systemen, patronen en netwerken werden de nieuwe sleutelbegrippen. Veel historisch geografen voelden zich niet thuis in deze nieuwe benadering en de centrale positie van de historische geografie binnen het vakgebied van de sociale geografie ging verloren.
Toen er na 1970 kritiek kwam op de positivistische uitgangspunten van de ‘nieuwe geografie’ door de voorstanders van wat de humanistische geografie werd genoemd, kwamen er nieuwe impulsen voor de ontwikkeling van de historische geografie. De humanistische geografie kende veel waarde toe aan subjectiviteit en individualiteit. Subjectieve ervaringen en ideeën over wat een landschap zou kunnen betekenen, kregen een centrale plaats in het onderzoek. Tussen 1980 en 1990 kwam er zo een verschuiving in de aandacht voor het materiële landschap op zich naar processen van landschapsconstructie en betekenisgeving. Men onderzocht de symbolische aspecten van het landschap en ook hoe de kenmerken van een cultuurlandschap geïnterpreteerd kunnen worden als representaties van machtsstructuren.