De Oorlog van de Liga van Kamerijk (1508–1516), ook bekend als de Oorlog van de Heilige Liga en verschillende andere namen, was een belangrijk conflict in de Italiaanse Oorlogen. De belangrijkste deelnemers waren Frankrijk, de Kerkelijke Staat en de republiek Venetië. Vrijwel elke mogendheid in West-Europa nam op enig moment deel aan het conflict, zoals Spanje, het Heilige Roomse Rijk, het koninkrijk Engeland, het koninkrijk Schotland, het hertogdom Milaan, Florence, het hertogdom Ferrara en de Zwitsers.

Paus Julius II wilde de Venetiaanse invloed verminderen in Noord-Italië en had de Liga van Kamerijk gevormd, een anti-Venetiaanse alliantie met Lodewijk XII van Frankrijk, keizer Maximiliaan I, en Ferdinand II van Aragón. Hoewel de Liga aanvankelijk succesvol was, zorgden spanningen tussen Julius en Lodewijk ervoor dat deze in 1510 uiteenviel en Julius zich aansloot bij Venetië tegen Frankrijk.

De Venetiaans-pauselijke alliantie groeide uit tot de Heilige Liga die Frankrijk in 1512 uit Italië verdreef. Echter, onenigheid over de verdeling van het veroverde gebied zorgde ervoor dat Venetië een alliantie aanging met Frankrijk. Onder Frans I van Frankrijk, die ondertussen Lodewijk had opgevolgd, zouden de Fransen en Venetianen door hun overwinning in de Slag bij Marignano in 1515 het terrein heroveren dat ze hadden verloren. De verdragen van Noyon en Brussel zorgden ervoor dat de kaart van Italië weer die van de status quo van 1508 was.

Tijdens de Oorlog van de Liga van Kamerijk schreef Niccolò Machiavelli Il principe. In 1519 kwam Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio uit.

Aanloop Na de Eerste Italiaanse Oorlog had paus Alexander VI Romagna veroverd en zo zijn greep op Midden-Italië vergroot. Cesare Borgia had als gonfaloniere van het pauselijke leger de familie Bentivoglio-familie verdreven uit Bologna, dat dezen als een leen hadden geregeerd, en was aardig onderweg om een permanente Borgia-staat te creëren toen paus Alexander stierf op 18 augustus 1503. Borgia was daarna niet in staat om Rome zelf in handen te krijgen, doordat de Franse en Spaanse troepen de stad omsingelden om zo het conclaaf te beïnvloeden. Door de verkiezing van paus Pius III - die al snel overleed om te worden opgevolgd door Julius II - raakte Borgia zijn titels kwijt en werd hij gedegradeerd tot het commando van een compagnie soldaten. Van Borgia's zwakte gebruikmakend, boden de verdreven heren van Romagna aan, zich te onderwerpen aan Venetië in ruil voor hulp bij het heroveren van hun gebied. De Venetiaanse senaat accepteerde en veroverde Rimini, Faenza en een aantal andere steden tegen het einde van 1503.

Julius II had kort daarvoor de pauselijke troepen onder zijn controle gebracht door Borgia te arresteren en gevangen te zetten en eiste dat Venetië Romagna teruggaf. De republiek was bereid om de pauselijke soevereiniteit te erkennen en een jaarlijkse schatting te betalen, maar weigerde de steden zelf over te dragen. Daarop ging Julius een alliantie aan met Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk tegen Venetië. Door de dood van Isabella I van Castilië (1504) viel de alliantie uiteen, maar toen had Venetië een aantal van de steden al verlaten. Hoewel Julius niet tevreden was met het resultaat, had hij niet genoeg troepen om het tegen Venetië op te nemen. In plaats daarvan hield hij zich de twee jaar daarna bezig met de herovering van Bologna en Perugia, die, gelegen tussen pauselijk en Venetiaans gebied, een status van semi-onafhankelijkheid hadden aangenomen.

In 1507 hield Julius zich weer bezig met de steden die nog in Venetiaanse handen waren. Na opnieuw te zijn afgewezen door de Senaat van Venetië beloofde hij Maximiliaan I de keizerskroon voor zijn steun tegen de republiek. Onder voorwendsel van zijn reis naar Rome voor de keizerlijke kroning viel Maximiliaan het Venetiaanse gebied binnen met een groot leger in februari 1508 en trok op naar Vicenza, maar werd verslagen door een Venetiaans leger onder Bartolomeo d'Alviano. Een tweede aanval door een Tirools leger enkele weken later werd een nog grotere mislukking. Alviano wist het keizerlijke leger niet alleen volledig te verslaan, maar veroverde daarna ook Triëst en Fiume, waardoor Maximiliaan gedwongen was een bestand te sluiten met Venetië.

Liga van Kamerijk (1508–1510) Na de vernederende keizerlijke nederlaag bood Julius Lodewijk XII van Frankrijk aan een alliantie te vormen. Lodewijk had sinds de Tweede Italiaanse Oorlog het hertogdom Milaan in bezit en wilde zijn gebieden in Italië uitbreiden. Toen Venetië halverwege maart haar eigen kandidaat aanwees als bisschop van Vicenza, vatte Julius dit op als een persoonlijke provocatie, hoewel dit al langer een gewoonte was. De paus riep alle christelijke landen op om Venetië te onderwerpen. Op 10 december 1508 sloten vertegenwoordigers van de paus, Frankrijk, het Heilige Roomse Rijk en Ferdinand II van Aragón de Liga van Kamerijk tegen de republiek Venetië. De overeenkomst voorzag in de volledige ontbinding van het Venetiaanse grondgebied in Italië en de verdeling daarvan onder de ondertekenaars. Maximiliaan zou Istrië terugkrijgen en Verona, Vicenza, Padua en Friuli verkrijgen. Frankrijk zou Brescia, Crema, Bergamo en Cremona annexeren bij de Milanese bezittingen. Ferdinand zou Otranto in bezit nemen. De rest, waaronder Rimini en Ravenna, zou bij de Kerkelijke Staat gevoegd worden.

Op 15 april 1509 verliet Lodewijk Milaan aan het hoofd van een Frans leger en trok snel in Venetiaans grondgebied. Om hem tegen te houden had Venetië een condottieri-leger ingehuurd onder leiding van de Orsini-neven, Bartolomeo d'Alviano en Niccolo di Pitigliano, maar had er geen rekening mee gehouden dat de twee verschilden van mening over hoe de Franse opmars te stoppen. Daardoor kon Lodewijk de Adda begin mei overtrekken. Alviano trok op tegen hem, maar Pitigliano leek het beter een veldslag te voorkomen en trok naar het zuiden. Op 14 mei kwam het tot de Slag bij Agnadello tussen Alviano en de Fransen. Omdat hij in de minderheid was, vroeg Alviano zijn neef om versterkingen, maar deze gaf het bevel de slag te staken en trok verder. Alviano negeerde de nieuwe orders en zette de slag voort waarbij zijn leger uiteindelijk omsingeld en vernietigd werd. Pitigliano slaagde erin om Lodewijk te ontlopen, maar zijn huurlingen deserteerden in grote aantallen toen ze de volgende dag hoorden van de nederlaag van Alviano, waardoor hij gedwongen was zich terug te trekken naar Treviso met het restant van het Venetiaanse leger.

Hiermee was de Venetiaanse nederlaag compleet en Lodewijk bezette het Venetiaanse gebied tot aan Brescia zonder noemenswaardige tegenstand. De grote steden die niet door de Fransen werden bezet, Padua, Verona en Vicenza, waren onverdedigd door Pitigliano's aftocht en gaven zich al snel over aan Maximiliaan toen keizerlijke afgezanten arriveerden in Veneto. Julius had in de tussentijd een interdict uitgevaardigd tegen Venetië waarbij hij elke burger van de republiek excommuniceerde, Romagna binnenviel en Ravenna veroverde met de hulp van Alfonso I d'Este, die was aangesteld als gonfaloniere della Chiesa op 19 april, zich had aangesloten bij de Liga en Polesine had veroverd voor zichzelf.

De keizerlijke gouverneurs bleken echter al snel impopulair te zijn. Halverwege juli kwamen de burgers van Padua in opstand, geholpen door detachementen Venetiaanse cavalerie onder de proveditor Andrea Gritti. De Zwitserse landsknechten waren te gering in aantal om daadwerkelijk tegenstand te kunnen bieden en Padua kwam weer onder Venetië op 17 juli. Het succes van de opstand bracht Maximiliaan ten slotte in actie. Begin augustus trok een enorm keizerlijk leger samen met Franse en Spaanse troepen vanuit Trento Veneto in. Vanwege het gebrek aan paarden en een gebrek aan organisatie bereikte het leger Padua pas in september, waardoor Pitigliano in staat was de tot zijn beschikking staande troepen in de stad te concentreren. Het Beleg van Padua (1509) begon op 15 september en hoewel de Franse en keizerlijke artillerie bressen sloegen in de stadswallen, hield de stad vol en op 30 september was het geduld van Maximiliaan op en eindigde hij het beleg en trok zich terug naar Tirol.

thumb|left|200px|Paus Julius II, geschilderd door Rafaël, 1511. Halverwege november ging Pitigliano over tot de aanval. Venetiaanse troepen versloegen de overgebleven keizerlijke troepen eenvoudig en veroverden Vicenza, Este, Feltre en Belluno. Hoewel de daaropvolgende aanval op Verona mislukte, wist Pitigliano een pauselijk leger onder Francesco II Gonzaga wel te verslaan. De Slag bij Polesella, een rivieraanval op Ferrara door de Venetiaanse galeivloot onder Angelo Trevisan mislukte echter toen de galeien, ten anker in de Po, tot zinken werden gebracht door Ferrarese artillerie. Volgens Francesco Guicciardini was de overwinning te danken aan Alfonso zelf. Een nieuwe Franse opmars dwong Pitigliano al snel om Padua weer te verlaten.

Gezien het tekort aan geld en manschappen besloot de senaat om een gezantschap naar Julius te sturen om tot een overeenkomst te onderhandelen. De voorwaarden die de paus stelde waren hard; de republiek verloor het traditionele recht om de clerici te benoemen en alle jurisdictie over pauselijke onderdanen in Venetië, de steden in Romagna die aanleiding waren voor de oorlog moesten teruggegeven worden aan Julius en er moest een schadeloosstelling betaald worden voor de gemaakte kosten om ze te veroveren. De senaat twistte twee maanden over de voorwaarden, maar accepteerde ze uiteindelijk op 24 februari 1510. Echter, nog voordat de gezanten zich Julius om absolutie konden vragen had de Raad van Tien besloten dat de voorwaarden onder dwang tot stand waren gekomen, daarom ongeldig, en dat Venetië ze moest overtreden bij de eerste gelegenheid.

Deze schijnbare verzoening tussen de paus en Venetië voorkwam niet dat de Fransen in maart Veneto weer binnenvielen. Na de dood van Pitigliano in januari stonden de Venetiaanse troepen onder Andrea Gritti. Hoewel de troepen van Maximiliaan er niet in slaagden zich aan te sluiten bij Lodewijk slaagde deze er in om in mei de Venetianen uit Vicenza te verdrijven. Gritti had zich met zijn troepen verschanst in Padua voor een verwachte Frans-keizerlijke aanval, maar Lodewijk was meer in beslag genomen door de dood van zijn adviseur, kardinaal d'Amboise, en zag af van zijn plannen voor een beleg.

Venetiaans-pauselijke alliantie (1510–1511) Julius maakte zich ondertussen druk over de groeiende invloed van de Fransen in Italië. Daarnaast had maakte hij plannen om het hertogdom Ferrara, een Franse bondgenoot, te veroveren, naar aanleiding van een dispuut met Alfonso d'Este over een licentie betreffende het zoutmonopolie in de Kerkelijke Staat en diens voortdurende plunderingen van de Venetianen om zijn net verworven Polesine te verstevigen. Aangezien zijn eigen troepen te gering waren, huurde Julius Zwitserse landsknechten en liet ze de Fransen in Milaan aanvallen. Ook nodigde hij Venetië uit om met hem een alliantie tegen Lodewijk te vormen. Aangezien de republiek onder aanval van de Fransen was, accepteerden ze het aanbod snel.

thumb|Alfonso d'Este, de hertog van Ferrara. Na zijn excommunicatie door Julius II wist hij de pauselijke troepen een aantal zware nederlagen toe te brengen. In juli 1510 ging de nieuwe Venetiaans-pauselijke alliantie in de aanval. De eerste aanval op het door de Fransen bezette Genua mislukte, maar Venetiaanse troepen onder Lucio Malvezzo wisten begin augustus de Fransen uit Vicenza te verdrijven. Een gecombineerde troepenmacht onder Francesco Maria della Rovere, de hertog van Urbino, veroverde Modena op 17 augustus. Julius excommuniceerde Alfonso d'Este, en opende daarmee de aanval op het hertogdom. Vooruitlopend op zijn toekomstige overwinning reisde de paus naar Bologna, om dichtbij te zijn zodra Ferrara was veroverd.