thumb|300px|De Unies van Utrecht en Atrecht De Unie van Utrecht was een bondgenootschap op basis van een op 23 januari 1579 gesloten overeenkomst tussen een aantal Nederlandse gewesten en steden, om tot een gezamenlijke inzet te komen tegen de Habsburgse landsheer Filips II, die ook koning van Spanje was. Door de krachten te bundelen hoopte men hem te kunnen dwingen tot het stopzetten van zijn strenge bestuursmaatregelen. Daarnaast werden enkele belangrijke staatkundige zaken geregeld op het gebied van onder meer defensie, belastingen en godsdienst, waardoor het betreffende traktaat ook wel gezien wordt als een eerste versie of voorloper van een latere grondwet. De Unie van Utrecht vormde een aanvulling op de zogeheten Generale Unie van 1576, opgericht bij de Pacificatie van Gent, daarom wordt ook wel gesproken van de Nadere Unie.
De oorspronkelijke gewesten die de overeenkomst sloten waren Gelre (met Zutphen), Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden. Later sloten ook Gent, Nijmegen, Arnhem, Overijssel, Friesland, Venlo, Amersfoort, Ieper, Antwerpen, Breda, Brugge en het Brugse Vrije, Lier en Drenthe zich aan. De Brabantse steden 's-Hertogenbosch en Leuven sloten zich niet aan bij de Unie van Utrecht omdat ze in handen van het leger van de landsheer waren. 's-Hertogenbosch had zich in eerste instantie bij beide unies aangesloten, maar door het Schermersoproer dat de katholieke burgers wonnen, werd de stad alleen nog onderdeel van de Unie van Atrecht.
Voorgeschiedenis Eerdere verbonden Aan de ondertekening van het verdrag voor de Unie van Utrecht in de aanvangsfase van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) ging een hele reeks unies, edicten en verbonden vooraf. Bij de Unie van Dordrecht werd, op 4 juli 1575, Willem van Oranje aangesteld als stadhouder van Holland en besloten Holland en Zeeland tot samenwerking. Deze gebieden waren - op onder andere Amsterdam en Middelburg na - in de jaren 1572-1576 grotendeels vrij van regeringstroepen, en daar kregen leiders met het calvinistische geloof de overhand. De Spaanse Furie in Antwerpen op 4 november 1576, waarbij Spaanse troepen de stad plunderden en in as legden en duizenden burgers vermoordden, zorgde voor veel beroering in de Nederlanden. De Staten van Holland, de Staten van Zeeland, en de andere gewesten die overwegend katholiek waren, verzoenden zich op 8 november met de Pacificatie van Gent met elkaar in hun afkeer van de Spaanse aanwezigheid. Men verklaarde bij de Pacificatie te zullen samenwerken in het bieden van weerstand tegen interventies door koning Filips II maar hem wel gehoorzaam te blijven. Er was geen definitieve regeling getroffen voor het geloofsvraagstuk. Vooralsnog zou in Holland en Zeeland de calvinistische godsdienst leidend zijn, in de overige gewesten de katholieke, maar in alle gewesten zou gestreefd worden naar religievrede.
In Holland en Zeeland trokken de calvinisten zich echter weinig aan van de afspraken. En terugkerende calvinistische ballingen die ooit voor Alva waren gevlucht, veroorzaakten in de dan kerk- en koningsgetrouwe gewesten buiten Holland en Zeeland na 1576 soms ernstige godsdienstonlusten.
De afspraken van de Pacificatie van Gent werden bevestigd bij de eerste Unie van Brussel op 6 januari 1577, waarmee de gewesten de nieuwe landvoogd Don Juan van Oostenrijk wilden dwingen om de Pacificatie te erkennen; de Spaanse soldaten dienden het land te verlaten en zelf zouden de gewesten zorg dragen voor de handhaving van het katholicisme, zeer tegen de zin van de calvinisten. De landvoogd stemde uiteindelijk in door de ondertekening van het Eeuwig Edict op 12 februari, waarna zijn troepen zich begonnen terug te trekken, voor een belangrijk deel naar hertogdom Luxemburg dat steeds koningsgezind was gebleven. Dezelfde maand drong Willem van Oranje er bij Gelre reeds op aan om "een goede, vaste alliantie ende verbontnisse int particulier te maacken met die van Hollant en Zeelant, etlycke andere provinciën met sommighe van de voornaamste heeren ende edelluyden." De prins wilde niet zozeer de Pacificatie verbreken als wel een tweede verdedigingslinie opwerpen in een 'nadere unie'. Het concept van de Unie van Utrecht lag al in dit voorstel aan Gelre besloten. Het overwegend katholieke Gelre zag er echter weinig in; het wilde voor een mogelijke verzoening met de koning niet afhankelijk zijn van het onbuigzame, calvinistische Holland.
Bezwaren van meerdere zijden Al voor de katholieke Unie van Atrecht waren in het noorden van de Spaanse Nederlanden mensen bezig geweest met pogingen tot vorming van een eigen calvinistisch getinte unie, daar echter juist met het oog op definitieve losmaking van het koninklijk gezag. Er was in die geest intussen al de Hollands-Zeeuwse Unie gevormd. Deze wenste in het zuidoosten een buffer van gelijkgezinde gewesten die bij hen aansloten. Utrecht was al eens eerder tot de as Holland-Zeeland toegetreden.
Om invloed in het oosten te kunnen uitoefenen werd Jan van Nassau, een jongere broer van Willem van Oranje, door diens inmenging op 22 mei 1578 benoemd tot stadhouder van Gelre. Jan, die trouw de ideeën van zijn broer vertegenwoordigde (behalve dan voor de steun uit Frankrijk), zag mogelijkheid om Groninger Ommelanden en heerlijkheid Friesland tot zulk samenwerkingsverband te bewegen, aangezien het calvinisme daar alsmaar meer aanhang genoot. Ook op Drenthe en Overijssel rekende hij. In het noorden deed de stadhouder graaf Rennenberg veel om de invloed van de Staten te bevorderen. Hij had Kampen inmiddels veroverd, maar stuitte nog op weerstand van Deventer. Ook hertogdom Gelre beloofde moeilijkheden.
Het belang van de ‘goede correspondentie’ tussen deze gewesten was zowel op de landdagen in Gelre als bij de Staten van de andere gewesten al meermaals ter sprake gebracht. Half juni werden de eerste voorstellen bij de Gelderse landdag tegelijk in Utrecht en Overijssel aanhangig gemaakt. Daarbij rezen zeer gewichtige bezwaren van de kant van de katholieke hoge geestelijkheid. Die beriep zich op de Pacificatie en de Unie van Brussel, die beide de heerschappij van het katholicisme buiten Holland en Zeeland garandeerden, en wilde niet weten van een nieuwe Unie zoals de prins bedoelde. Een deel van de burgerij te Utrecht scheidde zich in de zomer van 1578 al af. En een ander deel verenigde zich onder pastoor Huibert Duifhuis tot de ‘gemeente van Sint Jacob’, die in de Utrechtse Sint Jacobskerk de dienst naar de protestantse ritus inrichtte, zonder zich onmiddellijk bij de calvinisten aan te sluiten. Ze namen in augustus een verlaten kloosterkerk in.
Ook in Gelre wilden de geestelijkheid, de machtige adel en de patriciërs van de religievrede niet weten. Het voorbeeld van Alteratie van Amsterdam, waar drie maanden na de inlijving de katholieke regering voor een calvinistische had moeten wijken, was voor hen illustrerend. Ze waren ongerust over de manier waarop Jan van Nassau te werk ging. Hij bevorderde de calvinistische prediking en had in november toegestaan dat calvinisten in Tiel een kerk in bezit namen en op de wijze van een beeldenstorm 'zuiverden', en in Nijmegen zelfs monniken verjoegen om ook daar een kerk in te palmen, zoals in veel dorpen in de Betuwe gebeurde. Gelre beklaagde er zich verder over, dat Holland de Oud-Gelderse steden Bommel en Buren, die met dat gewest tegen Spanje hadden gestreden, scheen te willen inlijven, en de adel was beducht voor verlies aan invloed. De graaf van Nassau antwoordde ontwijkend op de vertogen van de Gelderse Staten. miniatuur|Het Spaans erfgebied.
Naast de katholieke weerstand was er ook die van de andere provinciën, die in een te nauwe alliantie met Holland en Zeeland een bedreiging voor hun gewestelijke autonomie zagen. Zij vreesden dat met de aanstaande en onvermijdelijke oorlog met de koning de last daarvan op hen als 'voormuur' van de opstandige gewesten zou terechtkomen.
Toenemende noodzaak De Spaanse landvoogd, Don Juan, werd in Brussel niet gedoogd; op 11 juli vertrok hij naar Mechelen. Ook daar bereikten hem (niet uit de lucht gegrepen) berichten over geplande aanslagen op zijn persoon, van plannen om hem aan de prins van Oranje over te leveren en van geheime samenwerking tussen deze laatste en de Staten-Generaal, en hij week uit naar Namen. Hij zou zich niet lang meer houden aan de afspraken van het Eeuwig Edict. Op 24 juni 1577 verenigde hij zich met de Duitse troepen, nam de Citadel van Namen in bij verrassing en riep de Spaanse soldaten met een opmars uit Luxemburg terug. De Unie van Brussel bleek te zwak om gezamenlijk deze macht te keren; een inderhaast gevormd staats leger werd in de Slag bij Gembloers op 31 januari 1578 vernietigend verslagen. Voor de opstandige gewesten werd de situatie steeds dreigender en delen van Namen, Henegouwen en Brabant waren reeds terug in Spaanse handen gevallen.
Jan van Nassau zette zich in om zijn broers idee van een Nadere Unie te verwezenlijken; voor hem gold daarbij ook dat hij de protestantse adel in het Duitse Rijk, die uitgesloten was van ambten in geestelijke vorstendommen, hielp om aansluiting en steun te zoeken bij een verbond van calvinistische gewesten in de Nederlanden. In dit streven kon hij zijn in meerderheid katholieke onderdanen echter niet meekrijgen. Om de zaak te forceren had Jan van Nassau, buiten het Hof van Gelre dat daartoe bevoegd was om, op 3 september 1578 een landdag in Arnhem uitgeschreven, waarvoor hij ook Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, en Overijssel uitnodigde, die allemaal, weliswaar met enig voorbehoud, voorstanders waren van een unie.
Landdag te Arnhem Begin september maakte graaf Johan de zaak opnieuw bij Gelre aanhangig in de door hem samengeroepen buitengewone vergadering der Staten van Gelre, waar ook een vijftal afgevaardigden van Holland, o.a. de pensionaris van Rotterdam, Johan van Oldenbarnevelt, verschenen. George van Lalaing, de graaf van Rennenberg, stadhouder van Friesland, Groningen en de Ommelanden, Drenthe en Overijssel, had geen enkele volmacht voor unieberaad bij zich en wilde enkel militaire hulp krijgen. Dit gold ook voor Staten van Gelre en Zutphen, dat niet in staat was zelf een goed leger op te been te brengen, een gevoelige zaak. Niettemin waren de gevolmachtigden van de Gelderse steden Venlo, Zutphen en Arnhem het eens; ten huize van de Arnhemse burgemeester Gerrit de Greve bepaalde dit gezelschap op 3 september zijn standpunt: "geene vernieuwering op 't punt van religie." Duidelijk verzette men zich tegen Jan van Nassau op zijn weg naar hervormde uitgeslotenheid. Op 5 september kwam deze met zijn troepen aan in de stad, en zei dat men geduld moest hebben.
Twee dagen later op 7 september 1578 pleegde Jan van Nassau 's ochtends een staatsgreep in zijn gewest door de leden van het Hof van Gelre, dat een 'broeinest van heimelijk Spaansgezinden' zou zijn, te vervangen door Gelderse ingezetenen die zijn vertrouwen genoten; de kanselarij en het huis van de griffier bleken gesloten en verzegeld te zijn. Hij liet in november toe dat calvinisten in Tiel een kerk in bezit namen en op de wijze van een beeldenstorm 'zuiverden', en in Nijmegen zelfs monniken verjoegen om ook daar een kerk in te palmen, zoals dat in veel dorpen in de Betuwe gebeurde. De graaf, die overal de calvinistische prediking bevorderde, antwoordde ontwijkend op de vertogen van de Gelderse Staten. Er woedde ook een kleine beeldenstorm in het Minderbroederklooster, waarover Jan van Nassau loog: "id dede hem hertelyc leet, had ook daarvan niet geweten."