Nieuwe beelding of neoplasticisme is een kunsttheorie, die omstreeks 1917 ontstond rondom het tijdschrift De Stijl. De belangrijkste vertegenwoordigers van de nieuwe beelding zijn de kunstenaars Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Zij stelden zich als doel de kunst te zuiveren van elementen die daar volgens hen niet in thuishoorden en probeerden langs rationale weg de elementaire (en in hun ogen universele) principes van iedere kunstvorm vast te stellen en toe te passen. Mondriaan bleef de nieuwe beelding tot zijn dood in 1944 trouw. Van Doesburg ging in 1924 over tot het elementarisme.

Naam De term 'nieuwe beelding' komt voor het eerst voor in een inleidend artikel van Van Doesburg in het eerste nummer van De Stijl, geschreven in juni 1917,Van Doesburg (oktober 1917): pp. 1-2. gevolgd door Mondriaan in het artikel 'De nieuwe beelding in de schilderkunst' in hetzelfde nummer.Mondriaan (oktober 1917): pp. 2-6. Later volgt ook Vilmos Huszár (maart 1918).Huszàr (maart 1918): pp. 54-57. De term 'nieuwe beelding' of 'neoplasticisme' is volgens Kenneth Frampton afgeleid van de term 'plasticisme', die Mathieu Schoenmaekers gebruikt in zijn in 1915 uitgegeven boek Het Nieuwe Wereldbeeld, dat als bron diende voor Piet Mondriaans artikelenreeks.Frampton (1982): p. 99. Volgens Marty Bax, echter, is de term plasticisme afkomstig van de theosofe Helena Blavatsky, die schreef: "de oorsprong van alles is de plastische essentie die het universum vult".Bax (2001): p. 15. Piet Mondriaan gaf in 1921 de in het Frans geschreven brochure Le Neo-plasticisme uit, waardoor de nieuwe beelding in het buitenland bekend is komen te staan onder die term. Wat wordt er nu precies met nieuwe beelding bedoeld? Beelding wil, volgens Mondriaan, Van Doesburg, en de zijnen, zeggen: de (rechtstreekse) uitdrukking van de werkelijkheid. Nieuwe beelding wil dus zeggen een nieuwe uitdrukking van de werkelijkheid.

Uitgangspunten

| colspan="2" | thumb|225px|Nicolas Poussin. Et in arcadia Ego. Ca. 1638-1640. Louvre. |- | thumb|200x200px|idee uitdrukkend | thumb|200x200px|materie uitdrukkend |} Volgens de nieuwe beelding houdt de schilder, de beeldhouwer, de architect, de musicus, de schrijver, etc., zich bezig met de uitdrukking of beelding van alle facetten van het leven. Dit gebeurt echter nooit toevallig. Elk schilderij, beeldhouwwerk, gebouw, muziekstuk, boek, etc., komt opzettelijk tot stand. Het is het product van de maker en in mindere mate van hetgeen het voorstelt. Zo heeft de voorstelling op dit schilderij van Nicolas Poussin nooit plaats gehad. Zelfs de lichaamshoudingen van de figuren komen in het echte leven niet zo voor. Toch overtuigt het en vormt het een harmonisch geheel. Iedere kunstenaar manipuleert de werkelijkheid dus om een esthetisch, kunstzinnig aangenaam geheel voort te brengen: om harmonie te scheppen. Zelfs de meest realistische schilders, zoals Johannes Vermeer of Rembrandt van Rijn, wendden allerlei kunstzinnige middelen aan om een zo groot mogelijke mate van harmonie te bereiken. De kunstenaars van De Stijl noemden dit beeldingsmiddelen. De kunstenaar bepaalt echter in welke mate hij deze beeldingsmiddelen laat overheersen of juist zo dicht mogelijk bij zijn onderwerp blijft. Er is in de schilder- en beeldhouwkunst, en in mindere mate in de architectuur, de muziek en de literatuur, dus sprake van een dualiteit tussen de idee van de kunstenaar en de materie van de wereld om ons heen.

Idee versus materie In zijn Grondbegrippen der nieuwe beeldende kunst stelt Van Doesburg vast dat in de kunstgeschiedenis twee soorten kunstwerken te onderscheiden zijn: kunstwerken die voortkomen uit de idee (ideo-plastische kunst) en kunstwerken die voortkomen uit de materie (physio-plastische kunst).Zie Van Doesburg (1919): p. 54. Hij toont dit aan met een beeld van de Egyptische god Horus en een Diadumenos. Van Doesburg, maar vooral ook Mondriaan, voorspelden dat alle kunsten in de toekomst zouden 'verzinnelijken' en alleen nog maar uit de idee zouden voortkomen. Het gevolg hiervan was dat de voorstelling (het object, de natuur) van ondergeschikt belang was. Het eindstadium van dit proces was de abstracte kunst. De kunstenaars van De Stijl gingen echter nog een stap verder en probeerden hun werk langs rationele weg te zuiveren van alles wat nog enigszins aan de natuur herinnerde.

thumb|left|170px|Theo van Doesburg. Grondelement van de schilderkunst. 1922.

Beeldingsmiddelen Volgens de nieuwe beelding bestaat elk kunstwerk uit een aantal basiselementen, die men beeldingsmiddelen noemde. Volgens de kunstenaars van De Stijl zijn deze beeldingsmiddelen, in tegenstelling tot de voorstelling, geheel eigen aan de kunst. Wilde men dus een kunstwerk voortbrengen 'volgens de kunst', dan moest men uitsluitend nog gebruikmaken van deze basiselementen. Mondriaan schreef hier het volgende over:

Mondriaan beperkte zich hierin tot de schilderkunst. Van Doesburg, echter, geloofde in de samenwerking van alle kunsten om zo te komen tot een nieuw Gesamtkunstwerk. Hiervoor was het nodig om voor elke kunstvorm haar eigen beeldingsmiddelen vast te leggen. Alleen dan was de zelfstandigheid van iedere kunstvorm gegarandeerd.Engel (2009): pp. 37-39. In 1920 kwam hij tot de volgende definitie:

Synthese thumb|190px|Theo van Doesburg (kleurontwerp) en Gerrit Rietveld (meubels). Interieur. 1919. Ingekleurde zwart-witfoto. De kunstenaars van De Stijl streefden naar meer en betere samenwerking tussen de kunsten zonder dat iedere kunstvorm afzonderlijk haar zelfstandigheid verloor. Aanleiding hiervoor was de in hun ogen te grote rol van de architect. Men verwachtte het meeste resultaat van de samenwerking tussen de architect en de schilder. Het was vervolgens de taak van de schilder het platte vlak van de architectuur te ‘heroveren’. Van Doesburg schreef hierover:

In 1923 betrekt Van Doesburg naar aanleiding van de architectuurtentoonstelling van De Stijl in Parijs ook de 'onomsloten (= open) ruimteverhouding' van de meubelkunst op de architectuur. Vervolgens beschouwde hij de architectuur als 'synthese der nieuwe beelding'. 'In de nieuwe architectuur is de bouwkunst begrepen als een onderdeel, de samenvatting aller kunsten, in haar meest elementaire verschijning, als haar wezen', aldus Van Doesburg.Engel (2009): p. 43.

Achtergronden Theo van Doesburg en Piet Mondriaan Hoewel tijdens het interbellum talloze kunstenaars de ideeën van de nieuwe beelding omarmden en toepasten, is het ontstaan ervan vooral op naam te schrijven van Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Zij hebben zich door middel van een stroom van publicaties, tentoonstellingen en lezingen ingezet om hun ideeën bekendheid te geven. Bovendien waren zijn van 1917 tot 1924 de constante factoren in de verder vrij turbulent verlopende geschiedenis van de Stijlbeweging. Hun opvattingen over kunst lagen zo dicht bij elkaar dat sommige werken van Van Doesburg en Mondriaan bijna geheel uitwisselbaar zijn. In 1971 merkte Van Doesburgs weduwe, Nelly van Doesburg, hierover op:

Theosofie Toen Van Doesburg en Mondriaan hun ideeën over de nieuwe beelding voor het eerst openbaar maakten hadden beide schilders grote belangstelling voor de theosofie. Mondriaan schreef zijn eerste theoretische verhandelingen in zijn toenmalige woonplaats Laren. Hier ontmoette hij de theosoof-publicist Mathieu Schoenmaekers. Mondriaan nam een deel van Schoenmaekers terminologie over, waaronder de term ‘beeldend’.Overy (2000): pp. 41-42. Van Doesburg en Mondriaans ideeën over het geestelijke zijn afkomstig uit Kandinsky's autobiografie Über das geistige in der Kunst (Over het geestelijke in de kunst) uit 1912. Mondriaan bleef tot zijn dood geïnteresseerd in de theosofie. Van Doesburg nam omstreeks 1920 afstand van de theosofie en richtte zich op quasiwetenschappelijke theorieën als de vierde dimensie en wat hij de ‘mechanische esthetiek’ noemde (vormgeving langs mechanische weg). In zijn artikelen bleef hij echter gebruikmaken van de term ‘geestelijk’.Overy (2000): p. 36.

Filosofie Maar ook voordat Van Doesburg afstand nam van de theosofie leunde hij meer op de filosofische traditie van bijvoorbeeld Hegel. Anders dan Mondriaan, was Van Doesburg beter op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op theoretisch vlak en nam hij veel ideeën over van andere theoretici, waaronder Wilhelm Worringer. Maar hoewel Worringer de abstractie beschouwde als tegenpool van het naturalisme, ontwikkelde de kunstgeschiedenis zich volgens Van Doesburg in haar geheel richting abstractie. De idee dat kunst en architectuur was opgebouwd uit afzonderlijke elementen ontleende Van Doesburg aan Wölfflins Kunstgeschichtliche Grundbegriffe uit 1915. In zijn lezing Klassiek-Barok-Modern (1918) ging Van Doesburg dieper in op Wölfflins concept van de tegenstelling tussen het klassieke en het barokke, waarbij hij gebruikmaakte van Hegels idee van these, antithese en synthese, waarbij het klassieke de these is, barok de antithese en het moderne de synthese.Overy (2000): pp. 42-43.

Evolutiedenken thumb|Schematisch overzicht van de balans tussen het geestelijke en het natuurlijke in de verschillende kunstperioden. V.r.n.l.: E = Egyptenaren, G = Grieken, R = Romeinen, M = Middeleeuwen, R = Renaissance, B = Barok, B = Biedermeier, IR = Idealisme-Reformatie, NG = Neue Gestaltung (Nieuwe Beelding) Binnen de nieuwe beelding speelt het evolutiedenken een belangrijke rol. Door middel van lezingen en publicaties zette Van Doesburg zich vanaf 1915 in om aan te tonen dat de kunst zich langzaam ontwikkelde als uitdrukkingsmiddel van het natuurlijke naar uitdrukkingsmiddel van het geestelijke.Overy (2000): p. 43. Volgens hem was het geestelijke en het natuurlijke in de kunst in het verleden niet altijd in evenwicht en zou de nieuwe beelding dit evenwicht herstellen. Het hier gereproduceerde schema, dat Van Doesburg waarschijnlijk naar aanleiding van de door hem in 1921 gegeven lezingen in Jena, Weimar en Berlijn, opstelde, geeft duidelijk aan in welke mate Van Doesburg dacht hoe natuur en geest zich in de verschillende West-Europese cultuurperioden verhielden. Hij 'begint' geheel rechts met de oude Egyptenaren en Grieken, waarbij natuur en geest nog in evenwicht waren. De oude Romeinen slaan door naar het natuurlijke, terwijl in de Middeleeuwen juist het geestelijke overheerst. In de Renaissance slaat de kunst opnieuw door naar het natuurlijke, om vervolgens overtroffen te worden door de Barok. Het Biedermeier en de 'Idealisme-Reformatie' in de negentiende eeuw herstelt het evenwicht enigszins, om te eindigen in de tijd van de nieuwe beelding, waarin de polariteit tussen natuur en geest volledig opgeheven is. Van Doesburg zag 'zijn' nieuwe beelding echter niet als ideaal eindstadium of als utopie, zoals vaak wordt beweerd, maar, zo stelt hij in dezelfde lezing vast: 'Nirgends und nie gibt es ein Ende. Immer geht es weiter'.Doesburg (februari 1922): pp. 23-32.

Vierde dimensie