De Gallipoliveldtocht, ook bekend als de Dardanellenveldtocht, de Slag om Gallipoli of de Slag om Çanakkale, vond plaats op het schiereiland Gallipoli in het Ottomaanse Rijk (in hedendaags Turkije) van 25 april 1915 tot 9 januari 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een gezamenlijke Britse en Franse operatie werd opgezet om de Ottomaanse hoofdstad, Istanboel te veroveren en om een zeeroute naar Rusland veilig te stellen. De poging mislukte met zware verliezen aan beide zijden. De veldtocht betekende een belangrijke overwinning voor de Turken en een grote nederlaag voor de geallieerden.
De Slag om Gallipoli oefende een grote invloed uit op alle betrokken naties. In Turkije wordt de slag gezien als een beslissend moment in de geschiedenis van het Turkse volk – een laatste piek in de verdediging van het vaderland terwijl het Ottomaanse Rijk aan het afbrokkelen was. De strijd maakte de weg vrij voor de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog en de oprichting van de Republiek Turkije acht jaar later onder leiding van Mustafa Kemal Atatürk, een van de commandanten bij Gallipoli.
De veldtocht was de eerste grote operatie voor het, vanwege de Eerste Wereldoorlog naar Europa gestuurde, Australian and New Zealand Army Corps (ANZAC) en wordt vaak beschouwd als het ontstaan van het nationale bewustzijn in beide landen. Anzacdag, 25 april, blijft de belangrijkste herdenking van militaire verliezen en veteranen in Australië en Nieuw-Zeeland en overtreft Wapenstilstandsdag daar in belang.
Het plan De Britse Oorlogsraad kwam met het idee een derde front te openen in het Ottomaanse Rijk, omdat de loopgravenoorlog in het westen geen snel vooruitzicht op een overwinning bood. Het tweede front, het Russische front deed dat evenmin. Rusland was door de slag bij Tannenberg zodanig verzwakt dat het voorlopig geen actie meer kon voeren.
Het Ottomaanse Rijk werd al gezien als de zwakste Centrale oorlogsdeelnemer omdat het al een eeuw lang met een zwakke economie, gebrekkige infrastructuur, interne opstanden en militaire nederlagen kampte. Sinds de veldtocht van Napoleon in Egypte stond het rijk bekend als de zieke man van Europa. In de Eerste Balkanoorlog had het rijk een nederlaag geleden tegen landen die men als kleiner en zwakker had beschouwd. Churchill maakte een vergelijking met het verslaan van een draak, bij wie je een lans in de zachte onderbuik moest stoten. Het Ottomaanse Rijk werd gezien als de 'zachte onderbuik' van het Centrale blok.
Een derde front bij de Dardanellen kon ervoor zorgen dat Duitsland zijn krachten moest verdelen, waardoor de geallieerden aan het westelijk front Duitsland een beslissende slag zouden kunnen toebrengen en de oorlog beëindigen. De geallieerden wilden bovendien proberen Rusland te bereiken via de Dardanellen, de zeestraat tussen de Egeïsche Zee en de Zee van Marmara. Het Turkse schiereiland Gallipoli begrenst de Dardanellen in het noorden. Daar kwam bij dat, mocht het meezitten, de invasie tot een machtswisseling in het Ottomaanse Rijk zou leiden, gevolgd door een overgave, waarna Bulgarije neutraal zou blijven en wellicht via Servië doorgestoten kon worden naar Oostenrijk-Hongarije.
Dit plan negeerde een aantal zaken. De Ottomanen hadden tijdens de Balkanoorlogen hun hoofdstad met verve en met succes verdedigd, en Ottomaanse legers hadden ook op andere plaatsen wel degelijk zwaar verzet geboden. Bovendien kregen ze hulp van de Duitsers (die overigens ook de Turkse militaire kracht niet hoog aansloegen). Verder werd de Turkse vaderlandsliefde en wil tot verzet onderschat door de geallieerden (een fout die ze in de Vrede van Sevres zouden herhalen). De grootste vergissing was echter het negeren van het feit dat de geografie en het klimaat de verdedigers sterk bevoordeelden. De bergkammen van Gallipoli vormden natuurlijke verdedigingslinies en zelfs als de geallieerden het hele schiereiland hadden bezet zouden de Centralen hen daar simpelweg kunnen opsluiten door hun krachten op de landengte in het noorden te concentreren.
De aanloop thumb|Het fort van Sedd el Bahr Toen in 1913 de Jonge Turken, een groep opstandige officieren, in Turkije aan de macht kwamen, betekende dit het einde van de Britse invloed op het Ottomaanse Rijk. Enver Pasha, die zijn militaire opleiding in Duitsland had gevolgd, werd de nieuwe minister van Oorlog en benoemde Hans von Wangenheim tot Duits ambassadeur. Zo kwam er een einde aan de jarenlange Britse invloed op de Turkse buitenlandse politiek. Het bekoelen van de relaties was deels een gevolg van de Britse publieke opinie ten opzichte van het Turkse optreden tegen onder andere de Armenen. Een in 1907 gesloten Brits-Russische overeenkomst was voor de Turken een teken om elders steun te gaan zoeken. Duitsland kon zijn invloed vergroten met de inzet van de imposante ambassadeur baron Adolf Marschall von Bieberstein. De gevolgen van de Britse publieke opinie en de toenadering van Duitsland tot Turkije hadden geen aanpassing van de Britse buitenlandse politiek tot gevolg. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Edward Grey was ervan overtuigd, dat als het erop aankwam, de Turken de zijde van de geallieerden zouden kiezen.
Op 2 augustus 1914 sloot Enver Pasha een overeenkomst met Duitsland om Turkije veilig te stellen bij een aanval door Rusland. Een gevolg hiervan was, dat de Britten de twee door Turkije in Groot-Brittannië bestelde oorlogsschepen niet afleverden maar toevoegden aan hun eigen vloot. Duitsland voegde naar aanleiding van de Britse maatregel de schepen Goeben en Breslau toe aan de Turkse vloot. Een gevolg hiervan was dat de vijandelijkheid tussen de Duitse en Britse marine in de Middellandse Zee toenam.
Na een bombardement door de Goeben en Breslau, onder bevel van viceadmiraal Wilhelm Souchon, op de havens van Algerije, kwam het tot een confrontatie met twee Britse slagkruisers, de Indefatigable en de Indomitable, onder leiding van viceadmiraal Archibald Berkeley Milne. Er vielen geen schoten, omdat de Britten een ultimatum hadden gesteld, dat pas om middernacht afliep. Von Souchon voer verder richting Turkije. Enkele dagen later, in de nacht van 6 op 7 augustus 1914, merkten de Duitsers, dat twee Britse slagkruisers hen volgden. Pas op 10 augustus 1914, toen von Souchon de Dardanellen binnenvoer, staakten de Britten de achtervolging.
Op 27 september 1914 hielden de Britten een Turkse torpedoboot tegen die de Dardanellen wilde uitvaren en stuurden hem terug de zeestraat in. De Turken sloten de Bosporus en Dardanellen voor alle scheepvaartverkeer, waardoor Rusland werd afgesneden van de geallieerden. Er was overigens niet veel scheepvaartverkeer naar Rusland via de Dardanellen.
Een maand later, op 28 oktober 1914, beschoot de Turkse vloot, nu onder leiding van de Duitser von Souchon, de Russische havens van Odessa, Sebastopol en Theodosia vanaf de Zwarte Zee. Deze beschietingen waren niet echt doeltreffend en waren meer bedoeld om Duitsland de Turkse goede wil te tonen. Gevolg was, dat Rusland op 2 november 1914 de oorlog aan Turkije verklaarde. Een dag eerder vernietigden de Britten een Turks jacht met zeemijnen aan boord. De Britten waren dus gewaarschuwd voor mogelijke zeemijnen in de Dardanellen. De volgende dag al bombardeerden de Britten de forten van Sedd el Bahr en Kumkale aan de ingang van de Dardanellen. Dit gebeurde, zoals men later zei, om de effectieve schootsafstand van de kanonnen te bepalen. Doordat bij toeval het magazijn bij Sedd el Bahr werd geraakt, was de vernietiging compleet. Deze beschieting is achteraf een grote fout gebleken.
Ten eerste werden de Turken gewaarschuwd, dat de Britten van zins waren de toegang tot de Dardanellen te forceren. Na deze beschieting zijn de Turken, met ondersteuning van de Duitsers, het schiereiland Gallipoli gaan versterken. Ten tweede concludeerden de Britten dat het met alleen slagkruisers mogelijk moest zijn de forten in de Dardanellen te vernietigen. De nieuwe high explosive munitie en de nauwkeurigheid van de kanonnen maakten dit mogelijk. Dat het echter een gelukstreffer betrof en dat in werkelijkheid de vernietigende werking van de kanonnen geringer was, wist men niet.
Op 5 november 1914 verklaarden ook Groot-Brittannië en Frankrijk de oorlog aan het Ottomaanse Rijk. Begin 1915 was de situatie in de Eerste Wereldoorlog ongunstig voor de geallieerden. Kabinetsleden, leden van de oorlogsraad en parlementariërs waren bezorgd over de ontstane patstelling. Minister van Financiën Lloyd George stuurde aan op een actie op de Balkan. Rond deze tijd kwam ook het zogenaamde Boxing day-memorandum uit geschreven door luitenant-kolonel Maurice Hankey, secretaris van de oorlogsraad. Dit memorandum wees de Middellandse Zee aan als mogelijke opening in de ontstane impasse. Ook in Rusland was de situatie zeer ernstig. De Russische tsaar stuurde de Britse minister van oorlog Horatio Kitchener een telegram, waarin hij om een Britse actie tegen de Turken vroeg. Kitchener en de Britse minister van Marine Winston Churchill bespraken dit Russisch verzoek op 2 januari 1915. Kitchener had een voorkeur voor een actie bij de Dardanellen omdat dan ook Istanboel (Constantinopel) bedreigd zou worden. Kitchener benadrukte, dat hij geen troepen beschikbaar had. Lord Kitchener stuurde dezelfde avond een antwoord aan de Russische tsaar terug, waarin hij een actie tegen de Turken toezegde. Wat hij precies onder een actie verstond, vermeldde hij niet. Gevolg was, dat Groot-Brittannië zich verbond tot een actie tegen de Turken.
Winston Churchill zag de voordelen van een operatie bij de Dardanellen. De bezetting van de Dardanellen zou waarschijnlijk een vervolg krijgen met de bezetting van Istanboel, waardoor Turkije verslagen zou zijn. Bulgarije, dat op het punt stond de zijde van Duitsland te kiezen, zou in dat geval neutraal blijven. Rusland kon oorlogsmateriaal importeren en graan exporteren. Kitchener had geen troepen beschikbaar en dus liet Winston Churchill onderzoeken of de operatie door de marine alleen kon worden uitgevoerd (gesterkt door succesvolle maritieme bombardementen in november 1914). Hij vroeg aan admiraal Sackville Carden, de commandant van het Britse eskader dat in de Middellandse Zee opereerde, of het forceren van de Dardanellen met alleen slagkruisers mogelijk was. Schout-bij-nacht Carden antwoordde bevestigend, mits men er de tijd voor zou nemen.
Naar aanleiding van dit antwoord besloot de oorlogsraad op 13 januari 1915 dat: De admiraliteit een expeditie moet voorbereiden om in februari met een vloot het schiereiland Gallipoli te bombarderen en te veroveren met als einddoel Istanboel.
De voorbereidingen thumb|Maarschalk Liman von Sanders met Turkse officieren. Op 19 februari 1915 werd de aanval op de Dardanellen geopend door bombardementen op de forten, maar door communicatieproblemen wordt de actie afgebroken. Enkele dagen later, op 25 februari 1915, werd de aanval herhaald en nu slaagde admiraal Carden erin een van de forten te vernietigen, maar drie schepen werden beschoten door verdekt opgestelde houwitsers.
Van 27 februari tot 3 maart 1915 landden eenheden mariniers op de Turkse kust en stelden 50 stukken geschut buiten werking. Deze actie wekte enthousiaste reacties in Londen. Kitchener vermoedde, dat de Turken bij het verschijnen van de Britse vloot, gewoon op de vlucht zouden slaan. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Grey dacht dat dit een staatsgreep in Turkije zou teweegbrengen.
De Turken waren door de aanvallen op de hoogte van de Britse plannen. Op 4 maart 1915 moesten de Britten zich al terugtrekken door de hevige Turkse tegenstand. Verdere pogingen om aan wal te komen mislukten en de plannen werden verschoven naar april.