Johannes Petrus Maria (Jan of Johannes) van der Ploeg O.P. (Nijmegen, 4 juli 1909 - aldaar, 4 augustus 2004) was een Nederlandse dominicaan, priester, hoogleraar, taalkundige, auteur, rooms-katholiek apologeet en archeoloog. Van der Ploeg was van 1960 tot 1961 rector magnificus van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Van 1963 tot zijn overlijden was hij koorbisschop van de geünieerde Syrisch-Katholieke Kerk van Antiochië."In Memoriam Mgr. Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P. (1909 - 2004)", Catholica (21), 2004

Vroege leven Van der Ploeg kwam uit een katholiek middenklassengezin van zeven kinderen. Zijn vader, Harke Antonius van der Ploeg (1876-1947), was hoofdonderwijzer aan een rooms-katholieke lagere school in Nijmegen. Van der Ploeg volgde van zijn elfde tot zijn zestiende de HBS in Maastricht en haalde er zijn einddiploma. Hij kreeg privé-lessen in Latijn en Grieks. Op 17-jarige leeftijd trad hij in bij de paters dominicanen te Huissen. Op het noviciaat volgde een verblijf in het studiehuis te Zwolle. In het eerste studiejaar koos hij Hebreeuws als extra vak en in het tweede jaar begon hij met een studie van de Oud-Syrische taal. Van der Ploeg volgde de hogere studie in de theologie, eerst te Huissen, later nog anderhalf jaar in het Franse dominicanerklooster Le Saulchoir.

Wetenschappelijke carrière Priesterwijding en doctoraten Op 6 juli 1932 werd Van der Ploeg tot priester gewijd. Aan de pauselijke dominicaanse universiteit Sint Thomas van Aquino (het 'Angelicum') te Rome promoveerde hij in 1934 cum laude tot doctor in de theologie op het proefschrift Les chants du serviteur de Iavé dans la seconde partie du livre d’Isaie (Nederlands: 'De gezangen van den dienaar van Jahweh in het tweede deel van het Boek Isaïas, ook Knechtsliederen in Deutero-Jesaja').

Hij doceerde Hebreeuws en Inleiding op het Oude Testament aan het kleinseminarie van de dominicanen te Zwolle. Na het behalen van het licentiaat in de Bijbelwetenschappen van de Pauselijke Bijbelcommissie te Rome in 1937 doceerde hij dezelfde vakken aan het dominicaner college Albertinum te Nijmegen.

Nadat tijdens de Tweede Wereldoorlog het Albertinum door de Wehrmacht gevorderd was, doceerde Van der Ploeg enkele jaren in Huissen. In 1944 schreef Van der Ploeg in Katholiek kompas, een illegaal blad dat in dat jaar door Louis Frequin werd uitgegeven, en volgens zijn eigen later gedane uitspraken moest hij enige tijd onderduiken bij een familielid in Bergen op Zoom.Hans Toonen: "De professor heeft nergens spijt van", De Stem, 28 januari 1981

Na de bevrijding doceerde hij aanvankelijk weer Hebreeuws in Zwolle en in 1946 weer in het Nijmeegse Albertinum. In de tweede helft van 1946 ging hij nogmaals naar Rome, waar hij summa cum laude tot doctor in de Bijbelwetenschappen promoveerde op het proefschrift Une sociographie d’Israel et de Juda au temps des rois (Nederlands: Een sociografie van Israël en Judea in de tijd der Koningen).

Dode Zee-rollen In 1947 kreeg Van der Ploeg verlof om naar Jeruzalem te gaan. Hij verbleef daar in de École biblique et archéologique Française van de dominicaner orde en volgde er colleges Arabisch en Bijbelse archeologie.

In zijn boek Vondsten in de woestijn van Juda (1958) beschreef Van der Ploeg als een pijnlijke gebeurtenis dat hij een van de eersten was die de Dode Zee-rollen van Qumran te zien kregen, maar dat hij helaas niet de enorme betekenis daarvan besefte. De Syrische bisschop Athanasius Yeshu Samuel toonde hem de rollen in juli 1947, maar Van der Ploeg had door tijdgebrek geen kans om de rollen ter plaatse te bestuderen. Hoewel de wetenschappelijke primeur hem ontging, ontwikkelde Van der Ploeg zich later wel tot autoriteit op het gebied van de studie van de Dode Zee-rollen.

Magister en hoogleraar Vanaf eind 1947 doceerde Van der Ploeg Oudtestamentische Wetenschappen en Hebreeuws in het Albertinum in Nijmegen. De dominicaner orde benoemde hem in 1950 tot magister (leraar, meester) in de theologie en lid van het bestuur van de Nederlandse provincie van de orde der dominicanen. In 1951 volgde zijn benoeming tot hoogleraar aan de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen, als opvolger van de tot hulpbisschop van Utrecht benoemde Bernardus Alfrink. In het academisch jaar 1961-1962 was hij rector magnificus van deze universiteit.

Overige wetenschappelijke activiteiten Decennialang was hij bestuurslid van het Voor-Aziatisch Egyptisch Genootschap Ex Oriente Lux te Leiden. Ook was hij jarenlang lid van het Wetenschappelijk Directorium van het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten, eveneens te Leiden.

In 1958 werd Van der Ploeg benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Bij zijn afscheid als hoogleraar in 1979 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, een beslissing die later onder veel kritiek kwam. (Zie hieronder onder "Beschuldiging van antisemitisme").

Van 1937 tot 1973 was hij lid van het bestuur - waaronder twee termijnen voorzitter - van de Stichting Apostolaat der Hereniging, die ijverde voor de hereniging van de afgescheiden oosterse kerken met Rome en voor waardering voor de oosterse erfenis. Zijn hierdoor ontstane contacten met kloosterzusters van de Syrische ritus uit Kerala in Zuid-India en zijn kennis van het Oud-Syrisch brachten hem vanaf 1963 tot reizen naar India, waar hij conferenties voor priesters hield en studie maakte van de in dit land aanwezige Syrische handschriften.

Na het Tweede Vaticaans Concilie kwam Van der Ploeg in conflict met het bestuur van dit Apostolaat der Hereniging, dat zich volgens hem schuldig maakte aan oecumenisme en leerstellig relativisme. In 1973 verliet hij deze stichting en hij richtte in 1976 de stichting Help Oosterse Christenen op, waarvan hij voorzitter werd. Deze stichting richtte zich op humanitaire en financiële hulpverlening aan zowel katholieke als van Rome afgescheiden oosterse christenen in met name het Midden-Oosten en Oost-Europa.

Eredoctor In 1999 ontving Van der Ploeg van de Universiteit van Chennai in India een eredoctoraat als waardering voor zijn catalogus en beschrijving van Syrische handschriften die in Kerala zijn gekopieerd en dateren van de 13de tot de 20e eeuw. De handschriften zijn te vinden in de bibliotheek van Kerala en bij lokale christenen, en bovendien te raadplegen in de universiteitsbibliotheken te Rome, Parijs, Oxford, Cambridge, Amsterdam en Leiden. Het doel was de bestudering van de geschiedenis van de zogenaamde Thomaschristenen in met name Zuid-India en op Ceylon, die naar verluidt door de apostel Thomas tot het christendom werden bekeerd in de 1e eeuw.

Koorbisschop van Amid Als gevolg van zijn werk voor het Apostolaat der Hereniging had Van der Ploeg al vanaf 1947 relaties in Libanon met de oosterse katholieken van de Syrische ritus. In december 1963 werd hij door kardinaal Tappouni, de katholieke patriarch van Antiochië der Syriërs, benoemd tot koorbisschop van de Syrisch-Katholieke Kerk van Antiochië. Tot zijn dood zou Van der Ploeg, hoewel tevens priester van de Latijnse Kerk, naast de traditionele dominicaanse (Latijnse) ritus ook regelmatig de Syrische ritus gebruiken in eucharistievieringen.

Geloofsverdediging In 1971 werd Van der Ploeg voorzitter van de dat jaar opgerichte Stichting tot Behoud van het Rooms-Katholieke Leven en hoofdredacteur van het door haar uitgegeven maandblad Katholieke Stemmen. In dit blad streed Van der Ploeg tegen wat hij zag als theologisch modernisme en de volgens hem toenemende afbraak van het bestaande geloof, die naar zijn mening grotendeels aan de Nederlandse bisschoppen en aan bepaalde lobbygroepen en parochiepriesters te wijten was. Ook hier kreeg hij echter meningsverschil. In 1984 verliet hij de redactie van Katholieke Stemmen en richtte hij in samenwerking met onder andere Toon Bongers het Katholiek Maandblad op, later Catholica geheten.

Bij het Vaticaan beklaagde Van der Ploeg zich veelvuldig over het in zijn ogen te progressieve en te vrijzinnige beleid van de Nederlandse bisschoppen onder leiding van kardinaal Alfrink en de theologische theorieën van Edward Schillebeeckx. Hij voelde zich steeds minder thuis binnen de Nederlandse tak van de dominicaner orde en verliet het Nijmeegse Albertinum om op zichzelf te gaan wonen.

In 1993 werd Van der Ploeg moderator van de dat jaar opgerichte Nederlandse afdeling van de Internationale Federatie Una Voce, die zich inzet voor de traditionele Romeinse ritus. Hij betuigde steun aan de antimodernistische aartsbisschop Marcel Lefebvre, maar hij volgde Lefebvre niet in diens breuk met Rome.

Op een bijeenkomst van de organisatie Una Voce beschreef hij in Düsseldorf in 1996 de evolutie van de Nederlandse Kerkprovincie na het Tweede Vaticaans Concilie als volgt: "Gedurende en na het Concilie, begonnen modernisten het zaad van de twijfel te zaaien in de harten van de gelovigen. De traditionele catechismus werd afgeschaft. Vooral door de invoering van de nieuwe liturgie, en het gebruik van een nieuwe terminologie (de Heilige Mis werd voortaan 'dienst' genoemd, de priester werd 'degene die voorgaat in de dienst') werd men in het gunstigste geval doordrongen van een protestantse houding. Dit alles droeg bij tot een verlies van geloof en verslapping van het religieuze leven. De toestand verergerde toen priesters, beïnvloed door het modernisme, de gelovigen vertelden dat veel dingen die zij tot nu toe hadden geleerd niet waar waren.""Dominicaan Van der Ploeg streed tegen moderne ketterij", website RKK Katholiek Nederland, 4 augustus 2004

Hij bleef tot het einde van zijn leven door middel van zijn publicaties in het Katholiek Maandblad (later Catholica) actief als apologeticus en verdediger van de orthodoxie in de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk. Hij onderhield contacten met verschillende behoudende katholieke stichtingen en lekenbewegingen, onder andere met de Stichting St. Jozef (Gerwen), de Priesterbroederschap van Sint Petrus en de Vereniging voor Latijnse Liturgie. Van der Ploeg zag onduidelijkheden en verwarringen in de conciliaire en na-conciliaire periode. Hij gaf blijk van teleurstelling over de verdeeldheid van de traditionele katholieke lekengelovigen in versplinterde eigen groeperingen, waardoor de rechtzinnige vleugel ondanks numerieke sterkte organisatorisch geen alternatief kon bieden voor de centraal georganiseerde progressieve organisaties als de Acht-Mei-beweging.

Van der Ploeg nam in de periode 1975-2004 vele malen openlijk afstand van de volgens hem in theologisch opzicht neo-modernistische lijn van zijn vroegere universiteit.

Kerkhistoricus Ton van Schaik verklaarde over Van der Ploeg: "Hij was een reactionair, maar wel volstrekt eerlijk. Bovendien was hij een talenwonder en een groot geleerde."

Beschuldiging van antisemitisme Beschuldiging in "Vrij Nederland" In december 1980 raakte Van der Ploeg in de media omstreden toen het weekblad Vrij Nederland herinnerde aan zijn op 28 februari 1940 verschenen boek Het Joodsche Vraagstuk. Een maatschappelijk probleem. Het blad noemde dit "een ongewoon smerig antisemitisch schotschrift", onder meer omdat hij de Joden hierin aanduidde als "de verstokte afstammelingen van de moordenaars van Christus" en op grond van passages als:

"Dit alles wijst op den zeer speciale aanleg en het eigenaardige karakter van den Jood. Het is hem er klaarblijkelijk om te doen zoo spoedig mogelijk iets te verdienen, daarom gunt hij zich liever niet de tijd van een lange voorbereiding, leert geen ingewikkelde ambachten, is er zelfs bij zijn universitaire studie op uit, zoo spoedig mogelijk klaar te komen."