Oglala Lakota County, voorheen Shannon County, is een van de 66 county's in de Amerikaanse staat South Dakota. Oglala Lakota County is 5423 km² groot en ligt in het zuidwesten van de staat tegen de grens met Nebraska, in een ruig en dor deel van de Great Plains. Het Badlands National Park, dat bekendstaat om zijn unieke landvormen en rijke fossielenbestand, ligt deels in de county.
De geschiedenis van de county gaat terug tot de 18e eeuw, toen de Lakota-indianen zich hier vestigden. In de 19e eeuw zette de Amerikaanse kolonisatie hun leefgebied onder druk en werden de Lakota naar reservaten verwezen. In 1875 werd Shannon County gesticht in het Great Sioux Reservation, dat in 1889 werd gereduceerd tot het Pine Ridge Indian Reservation van de indianennatie Oglala Sioux Tribe. Tot 1982 had Shannon County geen eigen bestuur. Nog altijd worden bevoegdheden uitbesteed aan Fall River County. Na een referendum werd de county in 2015 hernoemd naar de belangrijkste bevolkingsgroep.
Een van de gehuchten in Oglala Lakota County is Wounded Knee. Daar vond op 29 december 1890 het bloedbad van Wounded Knee plaats, waarbij zo'n 300 Lakota werden gedood. Deze gebeurtenis betekende het einde van het inheems verzet tegen de kolonisatie. Dezelfde plek werd in 1973 meer dan twee maanden bezet door de American Indian Movement.
In 2010 woonden er 13.586 mensen in Oglala Lakota County, waarvan 96% indiaan was. De county heeft de armste bevolking van het land, die bovendien te kampen heeft met ernstige gezondheidsproblemen. Er wordt geen alcohol verkocht; het is de enige dry county in South Dakota. Sinds de jaren 1970 is het een van de meest voor de Democratische Partij stemmende county's van de Verenigde Staten.
Geschiedenis
Voorgeschiedenis Het gebied kent al enkele duizenden jaren menselijke bewoning. Rond 11.000 v.Chr. werd South Dakota bewoond door paleo-indianen die behoorden tot de Cloviscultuur. Zij joegen op mammoeten, mastodonten, paarden en Amerikaanse kamelen. In de buurt zijn sporen gevonden van geslachte mammoeten. Toen de megafauna van de laatste ijstijd rond 8.000 v.Chr. uitstierf, ging de Cloviscultuur over in de Folsomcultuur. De jager-verzamelaars specialiseerden zich in de jacht op bizons. In het eerste millennium n.Chr. kwamen de prairies en de vallei van de Missouri onder invloed van de culturen uit de Noordoostelijke Woudgebieden, getuige aardewerk, grafheuvels en handelswaar. Het westen van South Dakota behield grotendeels zijn archaïsche bizoncultuur. "Archaeology. Reaching Out to the Past", South Dakota State Historical Society, online geraadpleegd op 2 mei 2018.
De 18e eeuw bracht grote veranderingen. De indianen kwamen in contact met Europeanen en kregen vuurwapens in handen. Tegelijkertijd begonnen verschillende Siouxvolken, jagers-verzamelaars uit Minnesota, aan een westwaartse migratie en expansie, opgejaagd door onder anderen de Ojibweg en Cree. Herbert S. Schell, History of South Dakota. Pierre: South Dakota State Historical Society Press, 2004, p. 19. "Standing Rock Oyate: Introduction", North Dakota Studies, State Historical Society of North Dakota, online geraadpleegd op 12 april 2021. De Lakota splitsten zich daarbij af van de Dakota. James R. Walker en Raymond J. DeMallie, Lakota Society. Lincoln: University of Nebraska Press, 1992. De Sioux dreven volken die teruggingen op de archaïsche cultuur, zoals de Crow en Cheyenne, op hun beurt verder westwaarts. Toen in de jaren 1770 een pokkenepidemie de Arikara, Mandan en Hidatsa trof, staken verschillende Lakota-stammen de Missouri over en vestigden zij zich in de High Plains en de Black Hills, die ze veroverden op de Cheyenne. Herbert S. Schell, History of South Dakota. Pierre: South Dakota State Historical Society Press, 2004, p. 20–21. In de eerste helft van de 19e eeuw werd wat nu Oglala Lakota County is bewoond door Mnikȟówožu (Minnicoujou) en Oóhenuŋpa (Oohenumpa) Lakota. De Oglála leefden verder zuidwaarts, in West-Nebraska.
Met de aankoop van Louisiana in 1803 kwam een gebied van ongeveer 2,1 miljoen km² ten westen van de rivier de Mississippi in Amerikaanse handen. De leefgebieden van onder anderen de Lakota hoorden nu toe aan de Verenigde Staten. Formeel viel de streek van Oglala Lakota County van 1803 tot 1821 onder achtereenvolgens het Louisianadistrict, het Louisianaterritorium en het Missouriterritorium. Vervolgens lag ze 40 jaar in een onbestuurd territorium (unorganized territory). In die periode, vanaf de jaren 1830, trokken almaar meer Europese Amerikanen door het gebied. In 1834 werd Fort William opgericht, een bonthandelspost in het zuidoosten van wat nu Wyoming is, het latere Fort Laramie. Het werd een belangrijke handelspost voor de Oglála en Sičháŋǧu (Sicangu) Lakota. Donovin Arleigh Sprague, Pine Ridge Reservation. Mount Pleasant: Arcadia Publishing, 2004, p. 7-8. Intussen waren er routes ontstaan waarlangs kolonisten westwaarts trokken: de Oregon, Mormon en California Trails.In 1848 werd er goud gevonden in Californië, wat grote migraties in gang zette. Om de kolonisten een veilige doorgang te bieden, onderhandelde de Amerikaanse overheid met de indianenvolken. In het Verdrag van Fort Laramie uit 1851 werden de territoriale claims van de indianenvolken bevestigd en garandeerden de indianen de veilige doorgang voor kolonisten. De strijdvaardige Lakota maakten van de chaotische periode gebruik om hun claims kracht bij te zetten en verwierven zo het monopolie over de Black Hills.
thumb|Territoriale evolutie van de indianenreservaten in het westen van South Dakota In 1861 stichtte de federale overheid het Dakotaterritorium en kwam er opnieuw een territoriale overheid. Door de oprukkende kolonisatie bleek het Verdrag van Fort Laramie onhoudbaar. De volken streden onderling om grondgebied en de beloofde betalingen van de Amerikaanse overheid bleven uit. Om een einde te maken aan de Oorlog van Red Cloud onderhandelden de Verenigde Staten een nieuw verdrag met de indianen. Het tweede Verdrag van Fort Laramie (1868) wees de Lakota het Great Sioux Reservation toe. Dat omvatte het westen van South Dakota, inclusief de Black Hills. De Oglála werden ondergebracht in de Red Cloud Agency, vernoemd naar Oglála leider Red Cloud, dat oorspronkelijk in het zuidoosten van Wyoming was gevestigd en vervolgens in het noordwesten van Nebraska.
Het kwam tot een laatste oorlog eind jaren 1870. In 1874 ondernam luitenant-kolonel George Armstrong Custer de Black Hills-expeditie. Daarbij werd goud gevonden, wat een goldrush veroorzaakte en de koloniale belangen in de regio versterkte. De Lakota en Cheyenne verzetten zich in de Black Hills-oorlog, maar gaven zich ondanks de legendarische overwinning tijdens de Slag bij de Little Bighorn over in 1877. De Verenigde Staten onteigenden de Black Hills. De Red Cloud Agency van de Oglála verhuisde een laatste keer, naar Shannon County.
1875–1936 thumb|left|180px|Deze kaart uit 1892 toont Shannon en Washington County. De Amerikaanse frontiergemeenschappen groeiden snel. In de jaren 1870 werden de eerste spoorlijnen vanuit het oosten voltooid en trokken kolonisten naar de Black Hills om er goud te zoeken. De bevolking van het latere South Dakota groeide van 4.837 in 1860 via 11.776 in 1870 naar 98.268 in 1880. Het territorium, dat in 1899 opgesplitst zou worden in de staten North Dakota en South Dakota, werd ingedeeld in county's. Op het grondgebied van het huidige Oglala Lakota County werd in 1875 in het zuiden Shannon County gesticht en in 1883 in het noorden Washington County. Shannon County werd vernoemd naar Peter C. Shannon, hoge rechter van het territorium en onderhandelaar in zogenaamde land deals waarbij de indianen veel land verloren. Shannon County kreeg geen eigen bestuur en het officiële inwonersaantal bleef laag.
thumb|Tentenkamp van de Lakota bij Pine Ridge in november 1890 Het leven op het reservaat leek in niets op de traditionele levenswijze van de Lakota. In plaats van te jagen kregen ze rantsoenen. Het beleid van de federale overheid was erop gericht de indianen zo snel mogelijk gedwongen te assimileren, met onder andere betaalde arbeid op het land en christelijke missies. Naar het voorbeeld van de Carlisle Indian Industrial School werden er in die periode overal in de Verenigde Staten kostscholen opgericht om inheemse kinderen gedwongen te assimileren in de witte, Erin Blakemore, "How Native Americans Taught Both Assimilation and Resistance at Indian Schools", JSTOR Daily, 13 december 2017, online geraadpleegd op 28 april 2021.M. E. O'Brien, Family Abolition. Capitalism and the Communizing of Care. Las Vegas: Pluto Press, 2023, p. 82. christelijke Lindsay M. Montgomery en Chip Colwell, "Native American Children’s Historic Forced Assimilation", Sapiens, 5 maart 2020, online geraadpleegd op 28 april 2021. en burgerlijke Ann Murray Haag, "The Indian Boarding School Era and its Continuing Impact on Tribal Families and the Provision of Government Services", Race, Racism and the Law, 19 juni 2018, online geraadpleegd op 13 mei 2021. cultuur. In 1888 stichtten jezuïeten en franciscanessen in Pine Ridge de Holy Rosary Mission met kostschool. "Holy Rosary Mission - Red Cloud Indian School Records: Notable Events and Notable People", Raynor Memorial Libraries, Marquette University, online geraadpleegd op 28 april 2021. Dat deden ze op verzoek van de tot het christendom bekeerde leider Red Cloud, die voordelen zag in een strategische alliantie met de katholieke broeders en zusters. Robert W. Caller, Jr., "A Triad of Alliances: The Roots of Holy Rosary Indian Mission", South Dakota History 28/3 (1998), p. 151.
Voor sommigen waren de populaire Wild Westshows, theatervoorstellingen door reizende gezelschappen, een uitweg en een eerbare bezigheid. In 1887 vertrokken Blue Horse, American Horse en Red Shirt en hun families op de eerste internationale tournee van Buffalo Bill's Wild West. Over de jaren stelden zulke shows duizenden indianen tewerk, maar het waren voornamelijk Lakota uit het Pine Ridge-reservaat die hun weg vonden naar Buffalo Bills show. Michele Delaney, Buffalo Bill’s Wild West Warriors: A Photographic History by Gertrude Kasebier, Smithsonian National Museum of American History. Harper Collins, 2007, p. 21.L.G. Moses, Wild West Shows and the Images of American Indians, 1883-1933. Albuquerque: University of New Mexico Press, 1996, p. xiii. Flying Hawk toerde wel 30 jaar.
Nadat de Black Hills onteigend waren, werd het Great Sioux Reservation verder opgedeeld. In 1889 werd het Pine Ridge Indian Reservation gesticht als opvolger van de Red Cloud Agency.
thumb|Amerikaanse soldaten begraven de bevroren lichamen van Lakota-indianen gedood bij het bloedbad van Wounded Knee. In 1890 kwamen de laatste schermutselingen tussen Amerikaanse troepen en de Lakota, Cheyenne, Arapaho, Kiowa en Comanche bruusk ten einde. In oktober van dat jaar leerden Kicking Bear en Short Bull hun mensen de Ghost Dance aan, een nieuwe religieuze beweging met een rituele dans die de levenden met de doden zou herenigen, de blanken zou doen verdwijnen en vrede en welvaart zou brengen voor de indianen. De Amerikaanse overheid zag er een bedreiging in en stuurde troepen naar de reservaten. In het Pine Ridge-reservaat werd Kicking Bear gearresteerd. Elders werd Sitting Bull aangehouden; hij stierf in het vuurgevecht dat daarbij uitbrak. Eind december 1890 dreven troepen een groep Ghost Dancers bijeen bij Wounded Knee Creek. Toen ze hen hun wapens ontnamen, zou er een zijn afgegaan, waarna de soldaten massaal begonnen te schieten. Naar schatting 300 indiaanse mannen, vrouwen en kinderen werden gedood tijdens het bloedbad van Wounded Knee. Het allerlaatste gevecht vond de dag erna plaats ten noorden van Pine Ridge.