Een groensenaat of ontgroensenaat was, van halverwege de tweede helft van de achttiende tot het begin van de negentiende eeuw, een groep ouderejaarsstudenten - geformeerd per faculteit - die de ontgroening van de nieuwe, eerstejaarsstudenten op zich nam.
Ontstaan De ontgroening van nieuwe studenten vond voordien plaats binnen de collegia nationalia. Tegen het einde der Gouden Eeuw waren de collegia nationalia geheel verdwenen, maar in de 18e eeuw komt een schuchter begin van een nieuw verenigingsleven op, de voorloper van de corpora. Het eerste spoor daarvan is terug te vinden in Groningen in 1747. Ze zijn vlak daarna ook te vinden in andere academiesteden, te Leiden en Utrecht maar later ook in Franeker, Harderwijk en aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam en in Deventer.
In het begin richtten de ontgroeningen zich vooral tot de nieuwe studenten aan de eigen faculteit. Nadien groeide de onderlinge concurrentie en probeerden ze ook groenen van andere faculteiten weg te kapen. De ontgroening begon toen met een intimidatieproef. Zo werden de studenten bijvoorbeeld geconfronteerd met een folterkamer om hun moed en onverschrokkenheid te testen. Verder moesten de groenen hele filosofische en theologische verhandelingen houden in het Latijn en Grieks om hun geschiktheid als student te bewijzen. Net als bij de Nationes moest ook hier de nieuwkomer trakteren tijdens feesten en drinkgelagen; in de regel werd alle drank en tabak door de groenen betaald.
Ontgroening en zelfs vereniging van studenten is door alle academische senaten en besturen van de academia, 'hooge scholen' en atheneae illustrea altijd verboden geweest en dat veranderde niet met de komst van de groensenaten. Daar kwam bij, en dat was nieuw, dat deze groensenaten zich tooiden met academische titels, waardigheden en de omgangsvormen van de academische senaat kopieerden. Zo werd er geschreven en gesproken in het Latijn en na de ontgroening kreeg de geïnaugureerde student een bul, gelijk aan de bul bij het afstuderen aan de universiteit. Deze inauguratie vertoonde opvallend veel gelijkenissen met de promotie tot doctor, dit tot verdere ergernis van de professoren. Omdat deze groensenaten 'clandestien' waren en er geen toezicht of controle was, kwamen excessen veelvuldig voor. Uiteindelijk zou dat ook de ondergang van de groensenaten betekenen en vormden ze, onbedoeld, de aanleiding tot de oprichting van de studentencorpora. Hier ging echter aan vooraf dat de verschillende, elkaar betwistende en bestrijdende senaten, langzaam maar zeker naar elkaar toegroeiden en dat er in heel Nederland een vergelijkbare trend waarneembaar was. In het vroege begin, ten tijde van de tanende collegia nationalia was er geen behoefte aan - en geen sprake van - erkenning van de verschillende groensenaten. Voor zover deze groensenaten onder de koepel van een collegium nationalium functioneerde maar zeker ook daarbuiten was iedere andere groensenaat per definitie niet erkend. Dit is ook terug te zien in de geschiedenis van de groensenaten in bijvoorbeeld Leiden, Utrecht en de uiteindelijke oprichting van het studentencorps in Groningen.
Groningen 304 px|thumb|Bul van het student Immink, 21 september 1803 Een eerste spoor van een ontgroensenaat in Nederland is dus terug te vinden in Groningen, waar uit een in de acta senatus opgenomen getuigenverhoor uit 1747 blijkt dat voor de kamer van een eerstejaars geroepen was: "Pennaal, de keers uit! Groentje, de keers uit!" Dit is evenwel nog niet meer dan een heel klein spoor van een club die zich aan ontgroenen wijdde en een iets duidelijker bewijs van het bestaan van nieuwe genootschappen vinden we daarna in 1776, toen de rector aan de Groningse academie in de senaatsvergadering verklaarde dat enkelen begonnen waren nieuwelingen te ontgroenen om hen daarna onder overhandiging van een document (bul) tot student te verklaren.Vier eeuwen Nederlandsch studentenleven, Dr. A.C.J. De Vrankrijker, Voorburg 1939. pag. 194 e.v. Online op DNBL Ook later, in 1802, blijken in Groningen nog steeds ontgroensenaten actief. Hoe de ontgroeningen in Groningen in die tijd verliepen is bewaard gebleven dankzij uitgebreide beschrijvingen ervan in de acta senatus.
Zo kwam daar op een avond om zes uur een groepje ouderen bij elkaar op de kamer van een jongere student en zij boden aan hem oud-student te maken en zij stelden het voor alsof hij met een door hen uitgegeven bul verder gevrijwaard zou zijn tegen plagerijen van anderen. Het groentje begreep echter al spoedig waar het werkelijk om te doen was en hij liet alvast enkele flessen wijn komen. Er werd hem dan een en ander gevraagd over het Nieuwe Testament en tegelijkertijd moest hij poenitet (een straf-adje) drinken, dat wil zeggen zijn glas ineens leegdrinken als boete na elk fout antwoord, zodat hij al snel geen enkel goed antwoord meer kon geven en de anderen vrij baan hadden om de ene fles na de andere soldaat te maken. Zij namen het er dan goed van want bij een dergelijke geïmproviseerde partij in 1803 dronken zes ouderen met het groentje twaalf flessen leeg, terwijl de eerstejaars zelf een papier had moeten tekenen en al snel met zijn bul buiten de deur gezet was. Die ontgroenbul was heel primitief dichtgelakt met een driegulden-stuk en bevatte niets anders dan een betuiging van vriendschap in het Latijn. Via de acta senatus van de academie is zo'n Groningse bul uit 1803 bewaard gebleven.Vier eeuwen Nederlandsch studentenleven, Dr. A.C.J. De Vrankrijker, Voorburg 1939. pag. 203 e.v. Online op DNBL
Quod felix faustumque fortunatumque sit cuilibet hoc legenti salutum omne bonum amen.
Quoniam praestantissimus juvenis GH Immink nos sua sponte ac modo familiari invitavit ei huic academicae gratulari, ut com eo amicitiae societatem ineamus, quare officii duximus invitationi juvenis supra citati satisfacere. Quamobrem hunc amicitiae testimonium tradidimus, illi ergo permittentes sicut ille permittit nobis per nostrum academiae vitam adjuvaturi defensurique ut fideles decet amicos.
Ex hujus confirmatione huic foederi subscripsimus nomina nostra.
Rond 1810 is in Groningen de senaat Libertas et Constantia (vrijheid en eendracht) actief maar van overige namen van de groensenaten is niets bekend gebleven. In Groningen alleen waren de omstandigheden voor één algemene, iedereen vertegenwoordigende en bindende senaat (in tegenstelling tot in Leiden en Utrecht) echter gunstig. De viering van het tweede eeuwfeest van de academie had geestdrift gewekt en de behoefte ontstond aan een blijvende ordening van de Groningse studentenmaatschappij. Zo werd op 4 februari 1815 een senaat gevormd, waarvan de eerste ab-actis schreef: De ondervinding, reeds lang het nut en de noodzakelijkheid van het aanwezen eener Senaat hebbende doen gevoelen, .... hebben eenigen der oudste studenten, uit de drie respective faculteiten, zich vereenigd om eene dusdanige inrichting daar te stellen, welker werkzaamheden zouden bestaan in de regten der studenten te handhaven, en de ontgroenpartijen, welke tot nog toe aan geene regelen gebonden waren, te bestieren.
Het corps, door deze senaat bestuurd, heeft zich het vroegst van de destijds in de verschillende steden bestaande senaten in de huidige vorm ontwikkeld en kreeg de naam van die senaat: Vindicat atque Polit. Volgens Willem Jonckbloet is deze spreuk als volgt gevonden: Bij de feesten van 1814 was er een illuminatie met een chassinet, waarop de academie werd voorgesteld als een vrouw met in de rechterhand een vijl en een band, waarop de woorden: Detrahit atque Polit (ontbolstert en polijst). Deze spreuk heeft men licht aangepast en aan de vijl het zwaard toegevoegdGedenkboek der Hoogeschool te Groningen, W.J.A. Jonckbloet Groningen, 1864. 4e druk.. Eigenlijk was er in 1815 nog niet een corps in de tegenwoordige zin, maar veeleer nog een gekozen senaat, die als vertegenwoordiger van alle studenten en regelend optrad. In hoofdzaak gebeurt dit bij ontgroenpartijen, maar al snel begint de evolutie en al in 1817 wordt gesproken van: eene blijvende commissie op directie uit en door de studenten gekozen, ten einde ten allen tijde waar het de eer, het genoegen of het aanzien van het ligchaam der studenten geldt, zonder ophouden werkzaam te zijn. Vindicat was snel een hecht en algemeen erkend corps, waarop de broeders aan een oudere academie jaloers konden zijn; wel was Groningens corps voortgesproten uit ontgroenclubs, maar de nadelen die aan deze geboorte verbonden waren verdwenen terstond en de rustige ontwikkeling en geleidelijke groei is steeds gepaard gegaan met aanpassingen, die elders voorkomende moeilijkheden daar achterwege deed blijvenVier eeuwen Nederlandsch studentenleven, Dr. A.C.J. De Vrankrijker, Voorburg 1939. pag. 219 e.v. Online op DNBL.
Leiden 180 px|left|thumb|Intro Ubique
|180 px|thumb|Minervae Sacrum |- |180 px|thumb|Amicitia |} 180 px|left|thumb|Duce Minerva
In Leiden valt ook een poging om meer eenheid in de verschillende ontgroenclubs tot stand te brengen in 1799 waar te nemen. Er waren er een tiental, elk afzonderlijk werkend en met elkaar concurrerend. De drie grootste daaruit: Intro Ubique (Ik ga overal binnen), Duce Minerva (Leid, godin Minerva) en Amicitia (Vriendschap) verenigden zich in dat jaar tot het Collegium in Academia Lugduno Batavae Supremum (Het hoogste college aan de academie van Leiden), ook genoemd 'het eerste collegium', samengesteld uit de praesides en assessores van de drie senaten, die door middel van loting de aankomende groenen onder elkaar zouden verdelen om zo een einde te maken aan de wervingsstrijd. Het collegium had het plan om zich tot centraal bestuur op te werpen en kende studentenrechten alleen toe aan de onder zijn toezicht geïnaugureerden.
Van de overige senaten bleven Per Spinas et Rosas en De Lumine Lumen nog enige invloed hebben. Een speciale senaat voor theologen Minervae Sacrum (Heilige (plek van) Minerva), in 1801 opgericht, werd wel tot het collegium toegelaten - maar slechts met adviserende stem - en kreeg alle theologische groenen toegewezen. Toch was de samenwerking niet erg goed: Amicitia ging de baas spelen, Minervae Sacrum voelde zich geregeld zwaar beledigd, Duce Minerva kwam in de verdrukking en ging ondanks het lotingsysteem in 1802 ter ziele. De afzijdige senaat Vis Unita Fortior (Vereende kracht maakt sterker), oorspronkelijk alleen voor studenten uit de Generaliteitslanden, werd daarentegen een zware concurrent van het collegium, omdat het ook onder de Hollanders ging werken. Het collegium bood daarom V.U.F. de plaats van het overleden Duce Minerva aan met gelijke rechten, maar V.U.F. voelde zich sterk genoeg om te bedanken voor de eer. Er bleef dus voorlopig een verbrokkeling en in de Franse tijd zijn daardoor de Leidse senaten nog weinig meer dan ontgroenclubs. Pas in 1815 treedt de tot dan toe afzijdige senaat V.U.F. toe tot het collegium en het gaat zichzelf vlak daarna aanduiden met het Collegium Omnium in Belgio Senatuum supremum ('COiBSS' of ook wel het tweede collegium) en heeft zichzelf inmiddels de zinspreuk van de toegetreden senaat aangemeten: Vis Unita Fortior. Dit collegium is sterk aristocratisch van afkomst en is door het overgrote deel van de Leidse studenten niet geliefd.
Faculteiten 180 px|left|thumb|Coll. Sen. Supr. Acad. Lugd. Bat. 180 px|thumb|Coll. Praesidium