Ferdinand Bordewijk (Amsterdam, 10 oktober 1884 – Den Haag, 28 april 1965), auteursnaam F. Bordewijk, was een Nederlandse schrijver van romans, novellen, toneel, prozagedichten, parodieën, grafredes en kritieken. Zijn beroep was advocaat. Hij is vooral bekend van het trio korte werken Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934), en van de roman Karakter (1938), die in 1997 door Mike van Diem verfilmd werd. Zelf vond Bordewijk de roman Noorderlicht (1948) zijn beste boek.
Hij ontving in 1953 de P.C. Hooft-prijs voor twee werken: de novellebundel Studiën in volksstructuur (1951) en de roman De doopvont (1952). De Vijverbergprijs van de Jan Campertstichting werd in 1979 omgedoopt tot Bordewijkprijs. F. Bordewijk geldt met Simon Vestdijk als de belangrijkste Nederlandse prozaïst van zijn generatie.Hans Anten, Het non plus ultra in Nederlands proza. S. Vestdijk en F. Bordewijk over elkaar; In: Het oog van de meester. Vestdijk-jaarboek 1998. Amsterdam 1998, p. 98-110. Gearchiveerd op 14 juni 2023.
Levensloop thumb|thumbtime=1:38|Bordewijk spreekt (film, 1954) Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emil Bordewijk werd op 10 oktober 1884 geboren in de Jan Steenstraat te Amsterdam.August Hans den Boef, F. Bordewijk: Karakter. Memoreeks. Laten: Walva-boek, 1988, 7. Deze zes voornamen liet hij op 13 maart 1919 bij beschikking van de arrondissementsrechtbank in Den Haag wijzigen in Ferdinand.
Zijn vader werkte bij het departement van Waterstaat. Een jaar na zijn geboorte verhuisde de familie naar het Singel 198. Deze woning heeft Bordewijk beschreven in de novelle 'Keizerrijk' uit de bundel De wingerdrank uit 1937. In 1894 verhuisde het gezin naar Den Haag, het begin van een reeks verhuizingen binnen deze stad die mogelijk aan de basis heeft gestaan van de opvallende aandacht voor architectuur die het werk van Bordewijk laat zien.Jef van de Sande, Ferdinand Bordewijk: Blokken/Knorrende beesten/ Bint. Memoreeks. Laren: Walva-boek, 1989, 5.
Bordewijk doorliep het gymnasium aan het Hoge Westeinde.Den Boef (1988), 7 Daarna studeerde hij rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij promoveerde daar op vrijdag 3 mei 1912 op 30 stellingen tot doctor in de rechtswetenschap.Arno Kuipers, De stellingen van F. Bordewijk. 12 augustus 2012, online. Geraadpleegd op 23 november 2016. Gearchiveerd op 23 november 2016. In 1913 werd hij als advocaat beëdigd en kwam als junior op een groot advocatenkantoor in Rotterdam. Een deel van de inspiratie voor de roman Karakter werd een kwart eeuw later gebaseerd op deze ervaringen.W. Blok, Ferdinand Bordewijk G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985, p. 91. Geraadpleegd op 8 oktober 2013, p. 91. Gearchiveerd op 15 juni 2023. In 1914 trouwde hij met de Nederlandse componiste Johanna Roepman.
In 1916 debuteerde hij zonder veel succes met de dichtbundel Paddestoelen onder het pseudoniem Ton Ven, dat hij ook later enige malen gebruikte. In 1918-1920 was Bordewijk kort docent handelsrecht aan de Handelsschool aan het Van Alkemadeplein in Rotterdam.literatuurgeschiedenis.org, Moors Magazine. Gearchiveerd op 8 juni 2023. Indrukken die hij daar opdeed vormden de kiem van de vijftien jaar later geschreven roman Bint. Daarna werd hij advocaat te Schiedam. Hij bleef in Den Haag wonen, uitgezonderd vier maanden in 1945 waarin het bombardement op het Bezuidenhout hem tot een verblijf te Leiden noopte.Blok 1985, p. 91.
Drie bundels Fantastische vertellingen Als prozaïst debuteerde Bordewijk met Fantastische vertellingen (1919), een bundel met vijf novellen of verhalen: Wat ik vond bij Baruch Blazer, Dr. Kalkemeijer en de dood, De noordkant van den Näobühler, In plenitudine Christi, Twee proeven genomen op Jos van der Haerden.
Daarna volgden Fantastische vertellingen: tweede bundel (1923, eveneens vijf verhalen) en Fantastische vertellingen: derde bundel (1924, drie novellen). De dertien vertellingen uit de drie bundels worden gezien als griezelverhalen met absurde wendingen (in De rode grijsaard uit de derde bundel trouwt een vrouw met een aap).J.A. Dautzenberg, Over de thematiek van Bordewijks korte verhalen Spiegel der Letteren, Jaargang 21 (1979), p. 178. Geraadpleegd op 7 oktober 2013.
Deze fantastische vertellingen zouden in de kiem al enige kenmerken van Bordewijks latere verhalen tonen. Overheersende motieven zijn waanzin, mismaaktheid, misdadigheid en ontucht, waarvan vooral de misdadigheid in het latere werk vaak zal terugkeren. Er is sprake van schizofrene achtervolgingswaanzin (Dr. Testal's dubbelganger, tweede bundel), van op moord uitlopende godsdienstwaanzin (In plenitudine Christi, eerste bundel), van overspel (Talamon of Ye Olde Bowe, tweede bundel) en van een massamoordenaar (Marion Quinn, derde bundel). Een tweede overeenkomst met de latere Bordewijk is de fantastische aard van veel verhalen, niet alleen in de beperkte betekenis van bovennatuurlijk of onwaarschijnlijk, maar ook in bredere zin opgevat als zeldzaam of merkwaardig. Zo handelt Tatjana uit de tweede bundel over een Hollandse koopman die de dochter van een tsaar uit het revolutionaire Rusland tracht te smokkelen.Zie Dautzenberg 1979, p. 183-184.
Het verhaal Marion Quinn uit de derde bundel is in tweeërlei opzicht een overgangsverhaal. Literair-esthetisch wordt het door sommige critici gezien als superieur aan de andere onderdelen van de drie bundels. Naar de inhoud wijst het vooruit naar de korte prozawerken zonder literaire pretenties die Bordewijk vanaf 1950 zou publiceren.Dautzenberg 1979, p. 184. Bij alle ontwikkeling die hij nog door zou maken, toonde Bordewijk zich hier in één opzicht al meteen stijlvast: van meet af aan leverde zijn verbeelding proza op met een kenmerkende lengte van enkele tientallen bladzijden.
Fantastische vertellingen in de literaire kritiek De literaire kritiek reageerde in meerderheid afwijzend op de bundels. De eerste bundel lijkt de dagbladpers te zijn ontgaan, maar een citaat uit de recensie in De Nieuwe Gids werd afgedrukt op de flaptekst van de tweede bundel. Hierin werd Bordewijk een bescheiden plaatsje naast Edgar Allan Poe en E.T.A. Hoffmann toebedeeld. Dat was reden voor het dagblad Voorwaarts van 23 juli 1923 om in zijn recensie van de tweede bundel de meeste plaatsruimte aan Poe te wijden, om vervolgens te concluderen dat Bordewijk niet in diens schaduw kon staan.Mr. Punch, Van Boek en Tijdschrift, dagblad Voorwaarts, 23 juli 1923. Geraadpleegd op 8 oktober 2013. In Het Volk van 18 juli 1923 schamperde A.M. de Jong over "dit stumperige poginkje om een uitheems genre in onze litteratuur in te voeren" en zag de door "anderen" gemaakte vergelijking met Poe aan voor hoogmoed van de auteur zelf: "Ach, deze arme meneer Bordewijk, die zo gaarne een Hollandse Poe wou lijken".A.M. de Jong, Letterkundige kroniek. Het Volk, 18 juli 1923. Geraadpleegd op 8 oktober 2013. Ook in besprekingen van de derde bundel werd de vergelijking met Poe gemaakt. Onder de kop 'Rare menschen' oordeelde De Telegraaf van 10 januari 1925 dat Bordewijks vertellingen "toch nog niet van die benauwende spanning zijn als Poe's beroemde gruwelhistories".An., Rare menschen, De Telegraaf, 10 januari 1925. Geraadpleegd op 8 oktober 2013 Er was echter één kritiek, in Het Vaderland van 24 november 1924, waarin over de aard van Bordewijks werk werd gesproken in andere bewoordingen. Bordewijk houdt zijn lezers voortdurend onder een beklemming of een angstig voorgevoel: "dit te bereiken is het geheim van Bordewijks eigenaardige kunst."H.B., Fantastische vertellingen, door F. Bordewijk, Het Vaderland, 24 november 1924. Geraadpleegd op 8 oktober 2013. Gezien de andere recensies is het opmerkelijk dat Bordewijk niet als een epigoon van Poe, maar als een eigenaardig, dus oorspronkelijk kunstenaar wordt omschreven.
In een later artikel in het literaire tijdschrift Spiegel der Letteren, geschreven door J.A. Dautzenberg, worden de bundels van Bordewijk gezien als producten van een nog onrijp schrijverschap.J.A. Dautzenberg, Over de thematiek van Bordewijks korte verhalen Spiegel der Letteren, Jaargang 21 (1979), p. 178 - 195. Geraadpleegd op 7 oktober 2013. De voornaamste kritiek luidt dat Bordewijk worstelt met een genre dat hij nog niet beheerst: het griezelverhaal. Dit genre vergt een juiste balans tussen het alledaagse en het absurde, waarbij Bordewijk al te vaak de balans naar het laatste zou doen overslaan.Dautzenberg 1979, p. 178-179.
Trits Blokken-Knorrende beesten-Bint Bordewijk kreeg meer erkenning met de drie korte romans Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934), twee langere romans: Rood paleis (1936) en Karakter (1938) en de verhalenbundel De wingerdrank (1937). Blokken is een roman over een dystopie en verscheen één jaar eerder dan Brave New World van Aldous Huxley, een roman die hij "een enorme prul" noemde.
Dit vooroorlogse proza is in verband te brengen met stromingen als magisch realisme, surrealisme (vooral De wingerdrank) en expressionisme, met name de korte romans Blokken, Knorrende beesten en Bint).Hans Anten, De perfect georganiseerde ongerijmdheid. Notities over het surrealisme volgens F. Bordewijk. De Nieuwe Taalgids, jaargang 85 (1992), p. 97-111. Geraadpleegd op 17 november 2013. Bordewijks schrijfstijl weerspiegelt de thematiek van zijn romans. Een deel van zijn werk, bijvoorbeeld de veelgelezen roman Bint over een streng onderwijsregime, kenmerkt zich door een uiterst afgemeten taalgebruik: korte, kernachtige, soms elliptische zinnen en weinig bijvoeglijke naamwoorden. Deze taalhantering is kenmerkend voor stromingen als het expressionisme en de Nieuwe zakelijkheid.Ralf Grüttemeier: Bordewijk en de Nieuwe Zakelijkheid. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 115 (1999), p. 334-355. Gearchiveerd op 12 maart 2023. Het omgekeerde komt ook voor: in de psychologische roman Eiken van Dodona (1946) wordt uitvoerig bespiegeld over de worsteling van kunstenaars met het creatieve proces. Later, zoals in de roman Bloesemtak (1955), werd Bordewijks toon milder dan daarvoor.
Bordewijk huwde op 1 augustus 1914 de Nederlandse componiste Johanna Roepman (1892-1971). Zij kregen een zoon Robert F. Bordewijk die ook in de advocatenpraktijk van zijn vader ging werken en een dochter Nina (Nick) Funke-Bordewijk (1918-1995), ook letterkundige. Hij schreef het libretto voor haar opera Rotonde uit 1941. Zij zagen elkaars scheppingen als eersten en haalden wederzijds de fouten eruit.
Oorlogsjaren 1940-1945 De familie Bordewijk zat in het kunstenaarsverzet. In 1944 publiceerde Bordewijk in de Quousque Tandem-reeks van de illegale uitgeverij De Bezige Bij onder het pseudoniem Emile Mandeau zijn novelle Verbrande erven, terwijl zijn echtgenote de muziek componeerde bij het eveneens door de Bij gedrukte lied Uit het diepst van mijn hart van J.J.G. Zwanniken. In de hongerwinter verdeelde Bordewijks echtgenote 350 kilo bloembollen over acht adressen.Richter Roegholt, De Geschiedenis van De Bezige Bij 1942-1972. Amsterdam: De Bezige Bij, 1972, 45 en 65-66 Op 3 maart 1945 werd het huis van het gezin Bordewijk verwoest door het bombardement op het Bezuidenhout. Daarbij ging zijn omvangrijke bibliotheek verloren. Bordewijk zelf bleef ongedeerd. Namens De Bezige Bij stuurde Charles van Blommestein hun duizend gulden als steun.Roegholt (1972), 66
Na 1945 Bordewijk was na de bevrijding voorzitter van de Eereraad voor de Letterkunde, die belast was met het oordeel over de houding van Nederlandse letterkundigen tijdens de oorlog. Ook had hij zitting, omstreeks de jaren zestig, in de straatnamencommissie en in samenspel met hem kwamen de Haagse wijken Bouwlust en Vrederust aan straten die eindigen op 'zicht', 'rade', 'stede' en 'dreef'.
Bordewijk en de dood