De Japanse wijnbes (Rubus phoenicolasius) is een plantensoort uit de rozenfamilie (Rosaceae). De soort komt van nature voor in Korea, Japan en China.
Kenmerken De rolronde stengels kunnen tot drie meter lang worden. De bladeren zijn driedelig. De eindslip is min of meer omgekeerd hartvormig, ongeveer drie keer zo groot als de beide zijslippen. De bovenzijde van het bled is lichtgroen, de onderzijde grijs door een aangedrukte witviltige beharing. Aan de stengels, de bladstelen en op de nerven aan de onderzijde van de bladeren zitten naast zeer veel roodbruine klierharen ook stekels, die bij aanraking in de huid achter kunnen blijven. De twijgen zijn lichtgroen, maar verkleuren later rood.
Voorkomen als exoot In 1876 werd in Frankrijk voor het eerst een tot dan toe onbekende, op een braam lijkende struik ingevoerd, afkomstig uit het oosten van Azië, die de naam Framboisier du Japon kreeg. In Nederland werd de soort in 1917 voor het eerst vastgesteld. Ze geldt sindsdien als een niet-invasieve exoot.Nederlands Soortenregister; zie externe links
In de Verenigde Staten wordt de plant gezien als een invasieve soort, omdat zij plaatselijk de aanwezige flora overwoekert.
Standplaats De soort komt voor op kapvlakten en open plekken in bossen, maar wordt ook door particulieren aangeplant als cultuurplant.
Teelt De plant is een makkelijk groeiende struik die op vrijwel alle grondsoorten groeit, maar het beste op humeuze en kalkrijke gronden.
In de winter worden de afgedragen stengels verwijderd. In het vroege voorjaar worden de nieuwe stengels aangebonden en tot 1,8 meter teruggesnoeid. Er worden acht tot tien stengels per meter aangehouden. De rest van de stengels wordt weggesnoeid.
Bloei en oogsttijd De bloei is van eind mei tot eind juni. De Japanse wijnbes kan zichzelf bestuiven, maar insectenbestuiving, door met name honingbijen en hommels, bevordert de vruchtzetting. Na de bloei sluiten de kelkslippen zich over de vrucht, maar zodra de vrucht gaat kleuren, wijken ze terug. De vruchten rijpen eind juni tot half augustus. Onder droge omstandigheden vormt de wijnbes geen vruchtvlees en laat z'n zaden vallen.
Jaarlijks worden nieuwe stengels uit wortelopslag gevormd. Alleen tweejarige stengels dragen vrucht, waarna ze afsterven. De Japanse wijnbes bestaat uit vele vruchtjes en is een verzamelsteenvrucht. In tegenstelling tot de braam, maar evenals de framboos, laat de Japanse wijnbes makkelijk los van de bloembodem.
Vermeerdering Zodra de stengels met de top de grond raken treedt er beworteling van de stengeltop op. In het vroege voorjaar kunnen deze bewortelde toppen gebruikt worden voor nieuwe aanplant. Daarnaast kan de Japanse wijnbes vegetatief worden vermeerderd door wortelstekken. Vermeerdering door zaad is ook mogelijk, maar dan gaan wel de eigenschappen van de moederplant verloren. In de wijde omgeving van de Japanse wijnbes kan opslag uit door vogels meegevoerd of verwaaid zaad voorkomen. De kiemen vormen zoals bramen rozetten in het eerste jaar, waarna ze in het tweede jaar de eerste stengel vormen.
Toepassingen Van de Japanse wijnbes worden alleen de vruchten gebruikt. De vruchten hebben een wat flauwe, frisse, zoetzure smaak, zijn donkerrood en voelen wat kleverig aan. Hoe donkerder de kleur des te meer smaak. De bessen kunnen worden verwerkt in een gerecht, maar ook uit de hand gegeten. Gelei van Japanse wijnbessen blijft vloeibaar en is geschikt als vruchtensiroop over toetjes.
De vruchten kunnen worden ingevroren voor later gebruik in compotes en bowl.
De bloeiwijze met vruchten wordt ook wel in bloemstukken verwerkt.
Ziekten en beschadigingen De Japanse wijnbes is weinig gevoelig voor ziekten, maar wel gevoelig voor droogte. Sinds enkele jaren (in België en Nederland circa 2015) worden de vruchten wel aangetast door de suzuki-fruitvlieg (Drosophila suzukii).
Externe links
Categorie:Braam Japanse wijnbes Categorie:Aziatische exoot in Noord-Amerika