thumb|300px|School van Fontainebleau L'Incoronazione di Poppea is de laatste opera van Claudio Monteverdi. In de herfst van 1642 vond de première plaats in het theater SS. Giovanni e Paolo te Venetië. Het libretto is van de Venetiaanse advocaat Francesco Busenello (nogal vrij) naar de Annales van Tacitus boek 13-16. Als secundaire bron kunnen ook Suetonius (Twaalf keizers: boek 6) Dio Cassius (Romeinse geschiedenis (boek 61,62) en pseudoSeneca (Octavia) genoemd worden.

Er bestaan twee onderling verschillende handgeschreven partituren, die waarschijnlijk onder andere bij de heropvoering in 1651 in Napels zijn gebruikt. Men is er tegenwoordig vrij algemeen van overtuigd dat niet alle muziek oorspronkelijk van Monteverdi is, maar dat in die partituren ook werk van andere componisten is verwerkt. Het aantal musici is vergeleken met de vroege opera L'Orfeo sterk verminderd.

Er zijn twee handgeschreven libretti overgeleverd met een gedrukt exemplaar uit 1646, hetwelk Busenello zelf zou hebben gemaakt. Dit laatste libretto is onvolledig; met name ontbreekt het slotduet van het derde bedrijf.

Dit is een van de eerste commercieel geproduceerde opera's: ieder die een kaartje kocht had toegang. Het is de eerste opera over historische figuren, die met bijtend realisme worden weergegeven als te worden gedreven door politieke ambitie en (zinnelijke) liefde. Ook zijn er gefantaseerde en mythologische feiten aan het historisch verhaal toegevoegd, om het passend te maken voor de toen heersende libertijnse tijdgeest: een breuk met de meer benauwende moraal van eerdere decennia. In de opera van de hoven rond 1600 (maar ook na deze tijd) zou een dergelijk onderwerp ondenkbaar zijn geweest.

Het historische realiteitsgehalte is gering. Er is historisch gezien nooit sprake geweest van een poging tot moord op Poppaea Sabina, de figuur waarop Poppea is geënt.

Na een heruitvoering in 1651 raakte deze opera in de vergetelheid. Heden ten dage maakt het werk evenwel deel uit van het internationale standaardrepertoire.

Samenvatting van de handeling In de Proloog betwisten de Fortuin, de Deugd en Amor elkaar de almacht over goden en mensen. Amor wint en belooft nog die dag te laten zien hoe ver zijn invloed reikt.

In de Opera is de Romeinse keizer Nero verliefd op de courtisane Poppea; hij wil haar tot vrouw nemen en zijn wettige echtgenote Ottavia verstoten. Nero's leermeester Seneca acht deze plannen moreel en politiek verwerpelijk en moet zijn tegenstand met gedwongen zelfmoord bekopen. De wanhopige Ottavia besluit Poppea te laten vermoorden en dwingt Otho, Poppea's voormalige geliefde, door middel van chantage om de aanslag te volbrengen. Otho roept hierbij de hulp in van Drusilla, die hij destijds voor Poppea verlaten heeft. Verscheurd door liefde en wrok besluipt Otho, gehuld in Drusilla's mantel, de slapende Poppea. De moord wordt echter verijdeld door Amor, die belooft ervoor te zorgen dat Poppea diezelfde dag nog tot keizerin wordt gekroond. Drusilla, wier mantel herkend is, wordt opgepakt en naar Nero gebracht, die haar scherp ondervraagt. Om Otho te beschermen neemt zij alle schuld op zich. Als Otho dit hoort, vertelt hij de ware toedracht. Otho wordt verbannen, en als beloning voor de door haar betoonde trouw mag Drusilla hem vergezellen. Nero heeft nu een goede reden om Ottavia te verstoten en verbant haar voorgoed uit Rome. Poppea wordt tot keizerin gekroond, en in een euforisch slot duet bezingen Nero en Poppea hun liefde.

Rolverdeling Proloog Fortuna - sopraan Deugd - sopraan Amor - sopraan Opera Poppea, edele dame, maîtresse van Nero, door hem op de troon gezet - sopraan Nero, keizer van Rome - sopraan, in moderne versies tenor Ottavia, regerend keizerin, door Nero verstoten - mezzosopraan Drusilla, dienares, hofdame verliefd op Otho - sopraan Seneca, oudere staatsman, filosoof, leermeester van Nero - bas Otho, edelman, vroegere minnaar van Poppea - sopraan, in latere versies bariton Arnaltha, de voedster van Poppea - alt, wellicht oorspronkelijk tenor Voedster van Ottavia - alt Valetto, page van Ottavia - sopraan Damigello, hofdame van Ottavia - sopraan Liberto, kapitein van de Garde - tenor Twee pretoriaanse soldaten - tenoren Pallas Athene, Godin van de wijsheid - sopraan Mercurius, boodschapper van de goden - bas Venus - sopraan Vrienden van Seneca; consuls; tribunen; Gratiën; Cupido's

Synopsis Plaats van handeling: Rome 64 A.D.

Eerste bedrijf Buiten Poppea’s paleis

I.1 De dageraad breekt aan. Voor het huis van Poppea liggen twee wachters op hun post te slapen. Otho, terugkerend uit de oorlog en op weg naar zijn geliefde Poppea bezingt zijn liefde. Hij zingt een korte aria ("E pur io turno") en een lange aria ("Apri un balcon"). De aria wordt abrupt onderbroken als Otho plotseling de soldaten ontwaart en beseft dat zijn plaats is ingenomen door een onoverwinnelijke rivaal: Poppea ligt in de armen van zijn keizer.

I.2 De wachters ontwaken, en beginnen te morren over hun bestaan, de corruptie in Rome, over Nero’s bevlieging voor Poppea waardoor zij de hele nacht op moeten blijven, en over de benarde positie van de keizerin.

I.3 Nero en Poppea komen naar buiten. Hij heeft zijn pleziertjes genoten en wil weggaan; zij wendt al haar kunsten aan om de scheiding uit te stellen totdat zij niet alleen de toezegging krijgt dat hij terug zal komen maar zelfs de verzekering dat Ottavia, de keizerin, verstoten zal worden ten gunste van haar. Monteverdi’ s kunstige verweving van beider tekst weerspiegelt hun verliefdheid, maar ook de macht die Poppea over Nero heeft.

I.4 Amalta, Poppea' s oude verzorgster, waarschuwt haar dat ze een gevaarlijk spel speelt, met het risico dat de keizerin haar laat vermoorden. Poppea lacht haar uit en zegt dat Cupido aan haar zijde is en dat zij niet de verliezer zal zijn (“Speranza tu ma vai..)

De keizerlijke appartementen

I.5 In een prachtig lamento ("Disprezzata regina...") beweent Ottavia haar lot: ze dreigt man en koninkrijk te verliezen. Verontwaardigd wijst zij het voorstel van Drusilla af, om een minnaar te nemen.

I.6 Seneca, filosoof, staatsman en verdediger van de traditionele deugden, wordt binnengelaten door Valetto, de page van de keizerin. Vol medeleven met Ottavia tracht hij haar ervan te overtuigen dat zij de ingetogenheid en de waardigheid van haar hoge positie in acht dient te nemen. De page, tot razemij gebracht door het uiterst bedaarde optreden van de filosoof, bedreigt hem in jeugdige overmoed, als deze zijn geliefde keizerin geen hulp wil bieden.

I.7 Seneca mijmert over de valstrikken van het koningschap

I.8 Pallas Athene verschijnt in een visioen en voorspelt zijn sterven. Mercurius zal hem later nogmaals waarschuwen. De filosoof, bezingt in een ongebruikelijk bloemrijke passage, zijn bereidheid de dood te omarmen, wanneer het ook komt.

I.9 Alsof hij de waarschuwing kracht wil bijzetten, maakt Nero hem deelgenoot van zijn voornemen Ottavia te verstoten ten gunste van Poppea. Er volgt een dramatische scène waarin de rijpe bedaarde en moralistische Seneca staat tegenover de onrijpe impulsieve Nero, die in een hysterische woede ontsteekt (voorbeeld van de stile concitato (“oorlogsstijl” met krachtige arpeggio’s en snel herhaalde noten)). Seneca heeft het laatste woord: het ergste moet gevreesd worden als macht tegen de rede ten strijde trekt.

I.10 Nero keert terug naar Poppea. Ze bezingen –afgeluisterd door Otho- elkaars liefde. Poppea wendt al haar charme aan om hem in zijn voornemens te sterken en te suggereren dat Seneca hem de baas is. Nero geeft dan aan een van zijn soldaten de opdracht een doodvonnis bij de filosoof te bezorgen.

I.11 In een strofenaria (Ad altra tocca in sorte) beklaagt Otho –afgeluisterd door Arnalta- zich bij Poppea dat zij hem voor Nero heeft ingeruild. Elke strofe wordt door Poppea beantwoord met een strofe op dezelfde baslijn: met als strekking: zo is het lot. Het wordt toenemend intenser ook blijkens de zich verwikkelende zanglijnen, tot Poppea het afbreekt: hou op, hou op, ik ben van Nero.

I.12 Alleen gelaten, lucht Otho zijn wanhoop in heftige uitbarstingen. Hij overweegt zelfs Poppaea te vermoorden.

I.13 Drusilla hoort hem en beklaagt zich dat hij nog steeds bezeten is van Poppea. Hij verzekert haar dat hij van nu af aan Poppea uit zijn hart zal bannen en alleen aan haar zal denken. Maar de artificiële stijl waarin hij zingt, toont iets anders. Drusilla laat zich uiteindelijk overtuigen, maar Otho bekent zichzelf, dat al zeggen zijn lippen Drusilla, zijn hart toch vol is van Poppea.

Tweede bedrijf De tuin van Seneca buiten Rome

II.1 Mercurius kondigt Seneca zijn dood aan. Seneca verheugt zich. Mercurius gaat op de vleugels van een lied vol van gedetailleerd uitgewerkte versieringen terug naar Pallas Athene.

II.2 Liberto probeert haperend aan Seneca het doodvonnis mee te delen. Seneca is al op de hoogte en geeft aan dat hij bereid is te sterven. Hij vraagt hem Nero mee te delen, dat hij al dood en begraven is.

II.3 Seneca vertelt zijn huishouden zijn beslissing ("Amici è giunta l’ora"). Zij antwoorden hem zich te bedenken, maar hij vraagt om voor hem zijn laatste bad te vullen. Een bijzonder aangrijpend moment: Seneca, die kalm zijn dood tegemoet treedt; zijn naasten, die -polyfoon- vragen zich te bedenken; zij zijn te gehecht aan het leven om er afscheid van te kunnen nemen.

Rome

II.4 Als overgang een scène tussen Valetto en het kamermeisje met een reeks flirtende aria’s besloten met een wulps duet ("O cara, O cara...") wat doet denken aan het slotduet III.8 tussen Nero en Poppea.

II.5 Nero verheugt zich op de dood van Seneca en bezingt in een wellustig lied samen met zijn vriend Luca (aria "Bocca, bocca...") de schoonheid van Poppea;

II.6 Aria van Otho die meestal vervalt

II.7 Ottavia herinnert Otho eraan, dat hij zijn positie aan haar familie heeft te danken en beveelt hem Poppea te doden. Zij adviseert hem zich te verkleden als een vrouw. Ottavia zet de weifelende Otho sterk onder druk.

II.8 Drusilla leeft getroost door de liefdesbeloften van Otho op. De page plaagt de voedster met haar leeftijd.

II.9 Otho onthult Drusilla dat Ottavia hem gevraagd heeft Poppea te vermoorden en vraagt haar kleren om zich als een vrouw te kunnen vermommen. Hoewel geschokt dat hij een dergelijke lage daad wil begaan, gaat ze toch gemakkelijk akkoord. Haar motief is haar liefde voor Otho blijkens de twee reprises van het vrolijke refrein uit de vorige scène.

Poppea's tuin

II.10 Poppea verheugt zich over de dood van Seneca, die ze als het enig obstakel zag. Ze bidt Cupido haar huwelijk door te laten gaan. Arnalta waarschuwt haar meesteres voor te veel ambitie en zingt haar in slaap.

II.11 Vanuit de hemel plaatst Cupido zich aan de zijde van Poppea om haar te bewaken. Hij bezingt uitgebreid hoe zij kan slapen, terwijl hij haar voor het nabije gevaar behoedt.

II.12 Otho vermomd als Drusilla, doet met tegenzin een poging om Poppea te vermoorden. Cupido vangt zijn hand op. Poppea herkent in de weg vluchtende Otho Drusilla. Arnalta waarschuwt de wachten. Cupido zegt Poppea gered te hebben en verklaart haar keizerin te maken.

Derde bedrijf Rome

III.1 Drusilla verheugt zich, dat zij direct zal horen dat haar rivale (met hulp van haar kleding) vermoord zal zijn en zij niet langer de liefde van Otho met Poppea hoeft te delen. Het uitbundige refrein "O Felice" onderstreept ironisch haar onwetendheid.

III.2 Arnalta komt met de beul en zijn helpers Drusilla halen, die haar lot beklaagt.

III.3 Nero ondervraagt Drusilla over de moordpoging. Drusilla besluit Otho te beschermen en neemt de schuld op zich. Nero vonnist haar: zij moet op gruwelijke wijze ter dood gebracht worden.