Enschede () (Nedersaksisch: Eanske, [æ̃ːnskə]) is een stad en gemeente in Twente, in het oosten van de Nederlandse provincie Overijssel, aan de grens met Duitsland.
Onder de gemeente Enschede vallen, naast de stad Enschede, de dorpen Lonneker, Boekelo, Usselo, Glanerbrug en de buurtschap Twekkelo, die voor de adressering van brieven allemaal onder de woonplaats Enschede vallen. De gemeente telt inwoners (, bron: CBS) met circa 160 nationaliteiten. Enschede is daarmee de grootste stad van Overijssel en naar inwoneraantal de zeventiende gemeente van Nederland.
De oorspronkelijke gemeente Enschede had vanaf 1818 een zeer planmatige zeshoekige vorm (een van de meest planmatige van Nederland) en werd geheel omringd door de gemeente Lonneker. De grens werd in 1826 gemarkeerd door zes genummerde stenen palen van Bentheimer zandsteen. In 1884 werden delen van Lonneker geannexeerd. In 1934 werd de rest van de gemeente Lonneker geannexeerd.
De gemeente Enschede werkt samen in de Regio Twente en is deelnemer van het eerste uur aan de EUREGIO, het eerste regionale grensoverschrijdende samenwerkingsverband in Europa.
Naam De naam Enschede is volgens de meest gangbare verklaring een verbastering van 'An die Schede' (Anneschethe, 1119). Het Oudsaksische scethia betekende 'scheiding' of 'grens', waarmee in dit geval waarschijnlijk verwezen werd naar een moerassig grensgebied.
Geschiedenis Middeleeuwen miniatuur|links|Detail van het balkon van het stadhuis. Verlening van de stadsrechten. Enschede ontstond in de vroege middeleeuwen als agrarische nederzetting: het centrum van een reeks buurschappen rond een aantal essen. Bij de buurschappen behoorden, behalve de landbouwgronden, ook gemene gronden, niet in het bezit van een enkele eigenaar. In de vroege middeleeuwen zijn een vijftal afzonderlijke marken te onderscheiden: de Esmarke (Enschedermarke of Grote Boermarke), de Lonneker marke, de Usseler marke, de Twekkeler marke en de Driener marke. Tezamen vormden zij het richterambt Enschede.
De boeren in de marken zijn in de middeleeuwen in het algemeen niet de eigenaar van de gronden die zij bewerken. Grondeigenaren zijn onder meer de bisschop van Utrecht, het klooster Werden en de heren van Ottenstein. Gelegen op de zuidflank van een stuwwal en aan de route van Deventer naar Münster en Osnabrück, ontwikkelde het dorp zich gestaag. Omstreeks 1300 kreeg Enschede stadsrechten, die in 1325 door de Utrechtse bisschop Jan van Diest werden bevestigd. Het oudst bekende zegel van de stad vertoont de beeltenis van de parochieheilige, de Heilige Jakobus de Meerdere. Dit zegel is tot aan de Münsterse oorlog (1666) in gebruik geweest. In de 14e eeuw werd begonnen met de aanleg van vestingwerken: eerst een ovale grachtengordel en vanaf ongeveer 1465 een dubbele grachtengordel. Tussen deze grachten werd toen een aarden wal met palissade aangelegd.
Toen Enschede in 1325 stadsrechten kreeg, verleende de bisschop van Utrecht ook het recht om de nederzetting te versterken. Voor 1325 was Enschede echter al omgeven door een gracht, de zogenaamde Stadsgraven. De twee bruggen over die gracht, de Veldbrug (in de huidige Marktstraat) en de Esbrug (in de Langestraat, ter hoogte van de Haverstraatpassage) waren al sinds 1300 versterkt door poorten: de Veldpoort en de Espoort. Verder lag er binnen de gracht, ten oosten van de kerk, de doomshof of hoofdhof van de Esmarke. De hof was zelf ook omgeven door een brede gracht, de Borggraven, die in verbinding stond met de Stadsgraven.
In 1465 gelastte de bisschop de burgers van Enschede een houten omheining rondom de stad aan te leggen. De palissade werd gebouwd op een wal die gelegen was tussen de oude Stadsgraven en een nieuwe buitengracht. Om de stad schadeloos te stellen schonk de bisschop een stuk woeste grond buiten de Veldpoort, de zogenaamde Stadsmaten of Stadsweide. Een kleine dertig jaar later werd er aan de noordkant van de stad een bolwerk opgericht.
Zestiende eeuw tot de industriële revolutie thumb|links|Kaart van Enschede in 1570 In 1518 werd de stad door de Geldersen op de bisschop veroverd. Zij maakten de vestingwerken met de grond gelijk. De constante uitvallen van bisschoppelijke bendes vanuit Oldenzaal noopten echter tot een nieuwe versterking van Enschede. In 1523 werd de vesting herbouwd en werd op de Markt het zogenaamde Blokhuis opgericht.
Toen prins Maurits op 18 oktober 1597 tijdens de inname van de stad voor de poorten verscheen gaf de stad zich echter zonder slag of stoot over. De vesting en de omwallingen van Enschede waren op dat moment slecht verzorgd en de staten van Overijssel waren al tijden niet meer van plan om te investeren in de vervallen stadswallen. Hoewel Maurits de oude rechten van Enschede bevestigde, verordonneerde hij wel het ontmantelen van de vesting. De wal werd gebruikt voor het 'toewerpen' van de buitengracht. De binnengracht bleef, zij het versmald, bestaan, evenals de twee poorten. De militaire rol van Enschede was met het dempen van het laatste stuk buitengracht in 1600 uitgespeeld.
Industriële revolutie en de Tweede Wereldoorlog thumb|De textielfabrikanten bouwden luxueuze buitenverblijven aan de rand van de stad, zoals hier: Zonnebeek. thumb|Bioscoopjournaal uit 1946. Op 23 februari 1945 werden door de Duitsers driehonderd mannen uit Zwanenburg per trein op transport naar Duitsland gesteld. Bij een stop op het station van Enschede kregen de mannen voedsel van de inwoners van Enschede. In 1946 boden de inwoners van Zwanenburg Enschede als dank een gedenksteen aan die, na een plechtige onthulling, aanvaard werd door de waarnemend burgemeester. Gedurende de tijd van de Bataafse Republiek vond in Enschede een opvallende gebeurtenis plaats. Na de machtsovername van het Fransgezinde Bataafse bewind in 1795, vielen alle kerken in Franse handen. Dit viel totaal niet goed bij de inwoners van Enschede, die voor het grootste deel uit Hervormden bestonden en vanaf toen werden achtergesteld op de Katholieken. De prinsgezinde predikant Arnoldus Kayser deed zijn best om in Enschede de steun voor de prins te vergroten. Een groot deel van de prinsgezinden bevond zich in 1799 te Lingen. Zij waren officieren die bij de overwinning van de Patriotten in 1795 uitgeweken waren, evenals Oranjegezinde jongeren die zich hadden bewapend met jachtgeweren en pistolen. Na de inval en overwinning van de Britten en Russen te Callantsoog tijdens de Den Helderexpeditie op 27 augustus, arriveerde vier dagen later een boer uit Bentheim in Koevorden om de vesting voor prins Willem Frederik (de latere Koning Willem I) op te eisen, maar werd hij geweigerd. De volgende dag probeerde hij hetzelfde in Zutphen, maar ook hier werd hij geweigerd. Hierop rukten op 3 september een honderdtal uitgewekenen onder leiding van kolonel Van Dongen op naar Enschede om de stad te bevrijden. Een andere groep deed hetzelfde en trok op om over Zevenaar en Anholt naar Westervoort. Ondertussen ging kolonel Van Dongen met een dertigtal prinsgezinden naar Oldenzaal, maar werd daar niet zo warm onthaald als in Zutphen. Hierdoor moest hij in de avond alweer noodgedwongen terugkeren naar Enschede. Drie dagen later keerde hij echter terug naar Oldenzaal, maar ditmaal met een ruim honderdtal gewapende boeren uit de Eschmarke en andere buurtschappen. Hierdoor lukte het om voormalig burgemeester en Patriottisch rechtsgeleerde Jan Willem Racer in hechtenis te nemen en mee te nemen naar Bentheim, maar hij werd de volgende dag alweer vrijgelaten. Intussen ging men uit Zwolle, waar ze inmiddels over de gebeurtenissen in Enschede en Oldenzaal hadden gehoord, met een groep van 300 gewapende staatsgezinde burgers richting Twente om kolonel Van Dongen en zijn prinsgezinde aanhangers te verdrijven. Hierdoor koos de kolonel eieren voor zijn geld en trok zich, met zijn aanhangers, terug achter de Duitse grens. Kolonel Queisen, die leiding gaf aan de Zwollenaars, ontdekte bij aankomst dat de prinsenvlag die in Enschede, maar ook in Oldenzaal, Delden en Almelo wapperde, alweer was ingetrokken. De door de Oranjegezinde groep afgezette gemeentebesturen werden op 8 september in Enschede en Oldenzaal in hun ambt hersteld. De steden werden opnieuw bezet door het Bataafse bewind, inclusief de Hervormde kerken, en de heer Racer kreeg de opdracht om de Orangistische predikant Kayser te vervolgen. Het is echter onduidelijk of deze vervolging daadwerkelijk tot een veroordeling heeft geleid.
De stad bleef relatief onbetekenend tot in de 18e eeuw, toen de textielnijverheid tot ontwikkeling kwam. Na de onafhankelijkheid van België in 1830 werd de textielindustrie in Twente sterk gestimuleerd door het Rijk. De derde stadsbrand van 1862 (de eerste was in 1517, de tweede in 1750 en ook in 1125 en 1225 was het toenmalige dorp Enschede al eens afgebrand), waarbij nagenoeg de hele stad werd verwoest, zorgde ervoor dat deze ontwikkeling in een stroomversnelling terechtkwam.
Enschede groeide uit tot het belangrijkste centrum van textielproductie in Nederland. De bevolking van de textielstad vervijfvoudigde tussen 1870 en 1900. Textielfamilies als Van Heek, Ter Kuile, Jannink, Blijdenstein, Tattersall & Holdsworth en Menko vormden een machtige oligarchie die een duidelijk stempel drukte op de stedelijke samenleving. De textiel heeft veel sporen nagelaten, onder andere in de vorm van voor die tijd zeer moderne woonwijken. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de Krim (1861), de eerste wijk gebouwd voor arbeiders die omstreeks 1900 werd verwaarloosd en vervolgens rond 1935 werd afgebroken. Ook het tuindorp Pathmos (1924) en de wijk de Laares (1930) en een aantal stadsparken zijn voorbeelden van stedelijke ontwikkelingen die door, of op initiatief van textielfabrikanten tot stand zijn gekomen.
In 1891 gaf de sociaal bewogen priester en parochievicaris Alfons Ariëns in Enschede de aanzet tot de ontwikkeling van de katholieke arbeidersbeweging in Oost-Nederland. De socialistische arbeidersbeweging was de motor achter een reeks arbeidsconflicten in de textielindustrie, gericht tegen – wat gezien werd als – sociale wantoestanden. De arbeidersbewegingen moesten het opnemen tegen de Enschedese Fabrikantenvereniging (ook werkzaam in overig Twente en in de Achterhoek).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Enschede tientallen malen door bombardementen getroffen. Op 10 oktober 1943 en 22 februari 1944 werd het grootschalig gebombardeerd door geallieerde vliegers die meenden een stad in Duitsland te zien. Overigens was Enschede een positieve uitzondering in Nederland: door toedoen van onder meer de Joodse industrieel Sigmund Menko en de protestantse predikant Leendert Overduin konden tientallen Joden tijdig onderduiken, waardoor meer dan de helft van de Joodse inwoners de oorlog heeft kunnen overleven. Landelijk was dit een kwart.
Recente geschiedenis thumb|De vuurwerkramp in Enschede