De Sint-Janskerk of Grote Kerk in de Nederlandse stad Gouda is een grote kruiskerk in gotische stijl. De kerk is beroemd vooral vanwege de reeks gebrandschilderde glazen. Het kerkgebouw zelf heeft karakteristieke overkappingen en is het langste kerkgebouw in Nederland met 123 meter, buitenwerks. In hoofdzaak dateert de kerk uit de 15e en 16e eeuw, maar de historie van het gebouw gaat verder terug. Er was aan de kerk van 1453 tot 1573 een zeven-getijdencollege verbonden met betaalde en professionele zangers.
De Sint-Janskerk is gewijd aan Johannes de Doper, de schutspatroon van Gouda. De symbolische kleuren van deze heilige, rood en wit, zijn in het stadswapen terug te vinden. De kerk behoort tot de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg uit 1990 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Geschiedenis Voorloper De voorloper van de huidige Sint-Janskerk in het hart van Gouda was mogelijk een kerkje in een vroege nederzetting in de polder Bloemendaal. Deze oude nederzetting is waarschijnlijk eerder ontstaan dan de stad en kan een zekere rol hebben gespeeld bij de stadswording van Gouda. Dit vroegere kerkje, met het "oude kerkhof", lag ongeveer 2500 meter ten noorden van de huidige kerk langs de Cleijwegh (nu Bloemendaalseweg), die in noordelijke richting door de beginnende ontginning van de polder Bloemendaal liep. Een terrein dat aangeduid wordt als "het oude kerckhoff" op een plattegrond uit 1609 van landmeter Henrick Vos, is door onderzoek, onder andere aan de hand van oude kadasterkaarten, gelokaliseerd in de verkaveling langs deze weg. Er wordt van uitgegaan dat de nieuwe Sint-Janskerk de functie in het godsdienstig leven in de omgeving heeft overgenomen. Het oude kerkhof is nog wel langere tijd in gebruik gebleven. Overigens wordt ook getwijfeld aan deze theorie. Ook een kerk in het nabijgelegen Moordrecht wordt genoemd als mogelijke voorloper van de Sint Janskerk.Berg, Bianca van den De Sint-Janskerk in Gouda: Een oude stadskerk volgens een ruimtelijk plan (2008)uitg. Verloren, Hilversum
Huidige locatie Het vervoer van personen en goederen geschiedde veelal per schip via de waterwegen. Op de plaats waar een vaarwater in een of andere rivier uitmondde ontstond vaak een nederzetting. Zo ontstond ook Gouda aan de monding van een gekanaliseerd riviertje - de Gouwe genaamd - op de Hollandsche IJssel. De toename van het aantal inwoners en het groeiende aantal doorvarende schippers zal de aanleiding zijn geweest tot het stichten van een kerk. Over de exacte stichtingsdatum van de Sint-Janskerk op de huidige locatie bestaat geen zekerheid. De oudste schriftelijke vermelding van de kerk op deze plaats dateert uit 1278 en betreft de betaling van kruistienden. Aangenomen kan worden dat deze eerste kerk al ruim voor 1278 is gebouwd. Dit zou dan de kapel kunnen zijn geweest van de Heren Van der Goude, die verblijf hadden in een hofcomplex aan de huidige Molenwerf en nabij de Sint-Janskerk.
Reformatie thumb|links|De kerk op een kaart van Gouda uit de Civitates Orbis Terrarum door Braun en Hogenberg (1585) Tijdens de kerkhervorming was de beeldenstorm aan de St. Jan voorbijgegaan, daar het stadsbestuur trouw bleef aan koning Filips II. Maar ook in Gouda werd in de volgende jaren het begin van verzet tegen de Spaanse overheersing merkbaar. De onderdrukking en vervolging in de Hollandse gewesten nam toe, vooral de heffing van de "tiende penning", onder het bewind van Alva, werd als bijzonder onbillijk ervaren. Duizenden mensen namen de vlucht of werden verbannen, waaronder ook Goudse poorters. Vele van de ballingen gingen over naar de gereformeerde religie en zochten aansluiting bij de Prins van Oranje. Onder deze van huis en haard verdreven mensen rees het verzet. Na enige tijd doken ze op en beïnvloedden ze de houding van de poorters in eigen stad. Zo ontstond ook in Gouda een kern van prinsgezinden.
Het stadsbestuur verklaarde zich onder druk bereid over te gaan naar de Prins. De gestelde voorwaarde was: "liberteyt van religie van overwedersijden" (wederzijdse godsdienstvrijheid). Doch dit kon niet voorkomen dat drie weken na de overgang het gepeupel de kerk binnendrong en aan het plunderen sloeg. Het meest waardevolle was toen reeds uit de kerk verwijderd en gelukkig werden de ramen niet beschadigd. Na deze plundering werd de kerk gesloten voor de eredienst. Door de Goudse regenten, die in meerderheid koningsgezind waren gebleven, werd nog een poging ondernomen het heft weer in handen te krijgen, doch die mislukte. De St. Jan bleef ongebruikt.
De Staten van Holland verboden in 1573 de uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst. Hoewel in strijd met de afspraak en de overeengekomen voorwaarde, werd de kerk in de zomer van 1573 bestemd voor "de predicatie van de ghereformeerde religie". Deze groepering was aanvankelijk nog erg gering in aantal, maar dat haar de St. Jan werd toegewezen was het gevolg ván de bezetting van de stad door de Geuzen en doordat de Staten het calvinisme steunden in de strijd tegen de koning van Spanje. Het duurde echter, nadat de stad was overgegaan naar de Prins, nog menig jaar eer het rumoer van de strijd om het bezit van de kerk bezonk. Sindsdien bleef de St. Jan bestemd voor de eredienst van de Nederlands-hervormde Gemeente.
Tweede Wereldoorlog
| Uitnemen van de glazen in 1939 Direct na het mobilisatiebevel, op 28 augustus 1939, zijn de kostbare gebrandschilderde glazen van de Sint-Janskerk uitgenomen en vervangen door dubbeldik vensterglas. De originele glazen werden verpakt in 201 houten kisten en ondergebracht in de kluizen van enkele bankgebouwen, in het voormalige weeshuis van Moordrecht, in kelders van boerderijen in de omgeving van Gouda en in de rijkskluizen bij Vogelenzang. In 1943 werden alle uitgenomen glazen opgeborgen in deze rijkskluizen.Dam, M.J. van [et al.], "Gouda in de Tweede Wereldoorlog", blz. 27, Delft, 2006 en website Sint-Janskerk Gouda
Op 14 mei 1940 werd de binnenstad van Rotterdam door Duitse brisantbommen getroffen. Ongeveer 1200 Nederlandse militairen (wielrijders) die vanuit Rotterdam naar Gouda waren teruggetrokken, werden in de St. Jan ondergebracht. Zij sliepen daar enkele dagen op stro, zonder sanitaire voorzieningen. De kerk beschikte slechts over één wc en water moest in gamellen worden aangevoerd.
Voor mankracht bij aanleg van verdedigingswerken en arbeid in Duitsland, riepen de Duitsers in de herfst van 1944 tienduizenden mannen van 17 tot 40 jaar op zich te melden, voor de Arbeitseinsatz. Op 10 en 11 november 1944 sloten Duitse soldaten Rotterdam en Schiedam van de buitenwereld af. In totaal voerden zij circa mannen uit deze plaatsen weg. Ongeveer 2400 van hen werden via Gouda afgevoerd en gedwongen de afstand van 25 kilometer naar Gouda te voet af te leggen. Gehinderd door storm en regen kwamen zij 's avonds drijfnat en vermoeid aan in de St. Janskerk, om daar de nacht door te brengen.
Ondanks het stro was de ondergrond hard en koud. De jassen en dekens, die warmte moesten brengen, waren doornat. Anderen trachtten rust te vinden op de harde kerkbanken. De situatie van mei 1940, toen Nederlandse soldaten in de kerk waren ondergebracht, herhaalde zich. Nu waren de omstandigheden echter veel ongunstiger. Bij gebrek aan sanitaire voorzieningen - er was nog steeds slechts één toilet - werden de behoeften overal in de kerk gedaan.
Om 11 uur 's avonds werd de tweede groep van circa 1200 Rotterdammers de St. Jan binnengevoerd. Door de duisternis en de drukte in de kerk slaagden sommigen erin zich te verstoppen of te vluchten. De volgende morgen om 5 uur werden de razzia-slachtoffers - voor zover nodig - gewekt. Pas bij het verlaten van de kerk kregen de mannen brood en een stuk kaas als ontbijt. Tussen 8 en 10 uur begaf men zich op weg in een lange stoet over de rijksweg richting Utrecht.
Van de opgepakte mannen kwam circa zeventig procent in Duitsland terecht. De overigen werden tewerkgesteld bij graafwerkzaamheden in Centraal- en Oost-Nederland. Verscheidene mannen wisten onderweg toch nog te ontkomen.
Gebouw Bouwheer In het jaar 1552 brandde een groot deel van de kerk af waardoor vele archiefgegevens over de kerken die gebouwd waren op de plaats van de tegenwoordige Sint-Jan zijn verdwenen. Over de naam van de eerste bouwheer tast men daardoor in het duister. Mogelijk was het de laatste telg van het Hollandse Huis, graaf Jan I, zoon van Floris V, hoewel dit niet blijkt uit enig betrouwbaar document. Door pastoor/geschiedschrijver Ignatius Walvis (1653-1714) wordt in zijn Beschryvinge der stad Gouda de mogelijkheid geopperd dat Jan van Henegouwen, Heer van der Goude, de stichter zou kunnen zijn. C.J. de Lange van Wijngaerden (1752-1820), in zijn historische beschrijving van Gouda, wijst erop dat Jan van Blois, als Heer van der Goude, hout uit het Goudse bos beschikbaar stelde voor de kerk in de jaren direct na de stadsbrand van 1361. Daarom mag worden aangenomen dat de Sint-Jan bij de stadsbrand van 1361 zwaar werd beschadigd en werd hersteld. Maar dat dit herstel slechts provisorisch was bleek in 1395 toen bisschop Frederik van Blankenheim toestemming verleende om de kerk af te breken en een nieuwe kerk te bouwen.
Uitbouw thumb|links|De kerk voor de brand van 1552 naar een prent van Jacobus Stellingwerff Rond 1350 verrees een toren waarvan de onderbouw nog steeds resteert. Rond 1400 werd de kerk naar het oosten uitgebreid en ontstond een driebeukige hallenkerk met een driezijdig stomp koor. In dezelfde tijd kwamen de twee volgende torengeledingen tot stand. In 1438 viel de kerk opnieuw ten prooi aan een stadsbrand, maar na een korte herstelperiode werd het gebouw alweer in 1443 ingewijd. Na 1475 werd de kerk uitgebreid met extra zijbeuken, een niet uitstekend transept en in 1485 werd de fundering gelegd voor het huidige koor. Daarmee ontstond de langste kerk van Nederland. Op een luchtfoto ziet men de kolossale omvang van de kerk met zijn tientallen dakvlakken; een kerk met een lengte en breedte van ruim 123 bij 49 meter en een grondoppervlak van 4815 m², exclusief de later aangebouwde Van der Vormkapel.
Op 12 januari 1552 brandde een groot deel van de kerk door blikseminslag in de toren opnieuw af. Door de breedte van het transept werd het koor nauwelijks beschadigd. Al een week na de brand vond er een huis-aan-huiscollecte plaats ten behoeve van de herbouw. Er werd een breed opgezette loterij georganiseerd en ook de boeten voor wetsovertredingen werden bestemd voor de herbouw van de kerk.Schouten, dr. J. in Gouda, vroeger en nu, Bussum 1969. Hierna werd de kerk grootscheeps verbouwd naar ontwerp van Cornelis Frederickszoon van der Goude. Bij het herstel van het hoge koor bleef het grondplan van 1485 ongewijzigd. Ook bij de opbouw van de kerkruimte bleef de vorm van het grondplan geheel overeenkomstig dat van de vorige kerk, gebouwd in 1438-1443. Het schip van de kerk verkreeg dus weer de volle breedte van het transept met drie even hoge hallen en zijbeuken.
Vrij snel na de ramp werd op de toren een nieuwe bellefrije (klokkenstoel) aangebracht, waarin de klokken werden opgehangen, waarna de toren werd afgewerkt. Hij werd voorzien van een veel fraaiere en hogere spits dan die welke thans de toren bekroont. Tegelijkertijd begon men met het herstel van het koor en het transept en werden achttien bogen en enkele kolommen hersteld. Op 4 september van het rampjaar wordt in het koor reeds de eerste mis opgedragen. Uit de korte tijd nodig voor het herstel kan worden geconcludeerd dat het koor inderdaad bij de brand grotendeels gespaard is gebleven. Toch duurde het nog twee jaar aleer de kap van het koor geheel gereed kwam.
thumb|left|De St. Jans ofte Groote kerk binnen de stad Gouda - (gravure gedrukt in 1714)Uit: Beschryving der stad Gouda, door Ignatius Walvis