Een beiaard, carillon of klokkenspel is een met een klavier bespeelbaar muziekinstrument, bestaande uit een of meer series klokken. Een beiaard bestaat uit ten minste 23 gegoten bronzen klokken in vaste ophanging, afgestemd in chromatische volgorde (dat wil zeggen, in halve tonen) die men samen harmonisch kan laten klinken. Gewoonlijk bevindt het instrument zich in een toren. In torens wordt het instrument zowel bespeeld met een klavier, met houten stokken en pedalen die zijn aangesloten op klepels, als door een automatisch speelwerk, dat kan zijn aangesloten op hamers aan de buitenkant van de klokken of op het klavier en daardoor op de klepels in de klokken. De beiaard is het zwaarste van alle bestaande muziekinstrumenten: bij de grootste exemplaren kan het gewicht van de klokken alleen al oplopen tot 100 ton. De grootste concentratie van beiaarden is nog steeds te vinden in de Lage Landen: Nederland, België en de Franse Nederlanden.

thumb|De oudst bestaande Hemonybeiaard hangt in de lantaarn van de toren bij de Grote of Lebuïnuskerk te Deventer; hij werd gegoten in Zutphen in 1647.

Benaming thumb|175px|Speeltoren van Monnickendam Volgens de definitie van de Beiaard Wereld Federatie (World Carillon Federation) is sinds 2011 een beiaard een muziekinstrument bestaande uit op elkaar afgestemde bronzen klokken en bespeelbaar door middel van een stokkenklavier.Statuten Beiaard Wereld Federatie (art. 3.2), Carillon.org (2011). Gearchiveerd op 31 mei 2023. Alleen beiaarden van ten minste 23 klokken dan wel met een klokkenreeks die zich chromatisch of diatonisch uitstrekt over ten minste twee octaven, komen in aanmerking om carillon genoemd te mogen worden (dat wil zeggen twee chromatische octaven, zonder Cis en Dis in het laagste octaaf) of zoals het oudste carillon in Nederland met een stokkenklavier, van Monnickendam met slechts 15 klokken dus diatonisch over twee octaven.

Het woord carillon is een verbastering van quadrillon. In dat woord is het getal vier te herkennen. Het betekende oorspronkelijk een wekkering of voorslag, vier klokjes die een melodietje speelden om de uurslag aan te kondigen. Een beroemd voorbeeld daarvan vindt men in Engeland waar veel torens de Westminster chimes laten horen zoals op de Big Ben in Londen.

Het woord beiaard komt wellicht van het oudere woord beieren, waarmee bedoeld werd dat men verschillende klokken kon doen luiden door met riemen aan de klepels te trekken of er met hamers op te slaan (door een beierman). Ook zijn er mensen die beweren dat het woord beieren is afgeleid van baaierd, een verouderd woord voor chaos of 'de toestand van de aarde voor de schepping'. De beiaardier M/V. is dan degene die in deze wirwar van klanken orde aan moet brengen.Uitleg over het woord baaierd in dit filmpje

Geschiedenis Ontstaan thumb|175px|De eerste klokkentoren waarin een handbespeelbare beiaard (uit 1510) hing, in het stadhuis van Oudenaarde Het instrument is in de Lage Landen in de 16e eeuw ontstaan, toen de rijkere steden hun belforten en kerktorens niet alleen voor het oog verfraaiden, maar ook een nieuw geluid toevoegden aan de torenklokken. De eerste echte beiaard zou gebouwd zijn in Oudenaarde in 1510.

Het was het resultaat van de voorafgaande evolutie op drie zaken: Een verbetering van de giettechniek van bronzen klokken. Men slaagde er steeds beter in om aan klokken een juiste, en min of meer vooraf bepaalde toonhoogte mee te geven. Een technologische evolutie in het raderwerk voor het overbrengen van bewegingen naar hamers, klepels, klokken. Wellicht is het daarom dat de eerste beiaarden ontstonden in steden die ook sterk stonden in de weef- en textielindustrie, waarvoor ook vrij ingewikkelde machines werden gebruikt. Een nauwkeuriger tijdmeting. Het bekendmaken aan de stedelingen van het juiste uur, had een regulerende functie. Het aantal slagen van een slagklok gaf het uur aan. Omdat de burgers niet van tevoren wisten (ze hadden immers geen horloge) wanneer de klok zou slaan, moesten ze worden "verwittigd" om het aantal slagen te tellen. Dit verwittigen gebeurde door een "voorslag" van enkele kleinere klokjes. Het uitbreiden van die voorslag tot meerdere klokken van verschillende toonhoogte gaf de mogelijkheid kleine melodieën ten gehore te brengen. Als die klokken werden verbonden met een "stokkenklavier", waarop men manueel kon spelen, was er sprake van een beiaard of carillon.

Bovendien was de politieke situatie van Vlaanderen onder Margaretha van Oostenrijk en keizer Karel gunstig, met de relatieve vrede en rijkdom en de macht van de steden.

Begin 16e eeuw raakte de techniek in de grote Vlaamse steden verspreid, vanaf de tweede helft van de 16e eeuw sloeg de "mode" ook aan in de Noordelijke Nederlanden. Uit stadsrekeningen blijkt dat er met het bestellen van een beiaard vaak prestige gemoeid was. Het bleef wel een typisch instrument van de lage landen en Noord-Frankrijk. Uitzonderlijk vindt men het ook elders, maar dan als "curiosum" door heersers uit de lage landen meegebracht of geïmporteerd. Voorbeelden hiervan zijn de kathedraal van Sint-Petersburg of het paleis in het Portugese Mafra, een bestelling van koning Johan V van Portugal. Mafra heeft twee grote beiaarden uit 1730 met meerdere speeltrommels en slagwerken met samen 92 klokken. Slechts één beiaard, namelijk die van Willem Witlockx, is bespeelbaar opgesteld. De andere is van Nicolas la Vache, ook uit 1730, maar slecht van stemming en daarom niet gerestaureerd.Bezienswaardigheden in Lissabon, Lissabon met kinderen, Omgeving Lissabon – Palácio Nacional e Convento de Mafra, Weheartlisbon.com, 31 januari 2018. Gearchiveerd op 30 maart 2023.Carillons of the MafraNational Palace, Portugal, europanostra.org. Gearchiveerd op 9 april 2023.De twee klokkenspelen op het nationaal paleis te Mafra. André Lehr Asten uitgave 1984 door de Athanasius Kircher Stichting thumb|Carillon van Petit & Fritsen in de Petrus- en Pauluskathedraal in Sint-Petersburg

17e eeuw Later werd de techniek steeds meer verfijnd: het aantal klokken nam toe, verbeteringen in de overbrengingstechniek, het aanbrengen van een "speeltrommel" om de tijd automatisch aan te geven en vooral het zuiverder stemmen van de klokken inclusief de boventonen van die klokken. Onder meer de beroemde klokkengieters, de gebroeders Hemony, die samenwerkten met de Utrechtse fluitspeler/beiaardier Jacob van Eyck in de 17e eeuw, ontwikkelden een techniek van het "stemmen" van klokken door het precies uitdraaien van iets te dik gegoten klokken in concentrische ringen op welbepaalde afstanden van elkaar in de klok. De toonhoogtes van de boventonen in een klok werden geverifieerd door middel van een klankstavenspel waarop zandkorrels lagen die bij het resoneren gingen bewegen in Chladni-patronen. Zodoende kon men de dikte van de klokwand aanpassen waarbij de juiste toonhoogte van alle boventonen werd bereikt. De Hemony's, die in een voormalig klooster in Zutphen hun atelier hadden, goten hun eerste beiaard voor de Wijnhuistoren te Zutphen in 1644. Spoedig volgden opdrachten voor beiaarden in Deventer, Enkhuizen, Doesburg, Amsterdam etc.

Ook de speeltrommel werd meer en meer geperfectioneerd, Jurriaan Spraeckel speelde hierbij regelmatig een belangrijke rol: naarmate het aantal klokken en de gecompliceerdheid van de composities en arrangementen toenam, moest er ook telkens een bredere speeltrommel met meer verticale sporen rond de trommel worden gemaakt. Een hoogtepunt in de beiaardcultuur werd bereikt rond 1750. Verschillende steden hadden meerdere beiaarden die elkaar beconcurreerden in omvang en pracht. Behalve beiaardspel door de beiaardier weerklonk op geregelde tijdstippen het klokkenspel, als onderdeel van de tijdsaanduiding. Achtmaal per uur was geen uitzondering. Aangezien de uurwerken van de verschillende klokkentorens niet precies gelijk liepen, was er wel altijd ergens een automatische beiaard actief. Reisverslagen van buitenlandse bezoekers hebben het over de Nederlanden "vol vrolijke klanken", maar ook over voortdurend hinderlijk "geklingel en geklep". Een soort muzak avant la lettre dus.

thumb|300px|left|Binnenkant van oude speeltrommel op de toren van de Grote of Sint-Laurenskerk in Rotterdam. Links buiten de trommel zitten de lichters (het lichterbed). Hoe vaker muziek moest klinken, hoe meer horizontale rijen of maten van "gaten gevuld met nootjes of pennen" een speeltrommel moest bevatten: hoe meer klokken de beiaard telde, hoe meer verticale sporen de trommel telde. Het bouwen (vaak ook het gieten) van zo'n omvangrijke trommel met bijbehorende in te schroeven nootjes werd een specialiteit op zich. François Hemony goot in 1661 de grote speeltrommel in Kampen en ook de speeltrommel in de Munttoren werd door Pieter Hemony gegoten. In 1748 bouwden Jan en Antoine de Hondt een trommel van twee meter doorsnede: 250 maten en 123 sporen (2 tot oorspronkelijk 6 sporen per klok) voor het Belfort van Brugge. Hendrik Joltrain dreef rond die tijd de capaciteit nog op door de trommel na één omwenteling langs de lichters, (het lichterbed) één spoor te doen opschuiven, gestuurd door het torenuurwerk. Tijdens de eerste omwenteling bespeelden de even sporen het klokkenspel waarop dan de melodie van het hele uur stond genoteerd en tijdens de tweede omwenteling de oneven sporen die de korte melodieën voor het halve uur en de kwartieren lieten horen. Een exemplaar van zo'n springtrommel is nog actief (2020) bij de beiaard op de Sint-Gummarustoren te Lier. Ook het Zeeuwse Middelburg had zo'n springtrommel op de Abdijtoren (of "Lange Jan") tot het bombardement op Middelburg op 17 mei 1940.

Het versteken van de nootjes om een andere melodie te laten horen was dus een heel karwei; soms met twee of drie man meerdere dagen in de toren. Meestal was dit ook de taak van de stadsbeiaardier; hij maakte ook het arrangement van het nieuwe repertorium. Met zijn pennen ("enen") en gaatjes ("nullen") programmeerde hij zo eigenlijk de oudste vorm van een computer. Hij moest zowel horizontaal, het samenklinken van akkoorden, als verticaal het ritme en verloop van de melodie, in de gaten houden, daarbij rekening houdend met de technische beperkingen van het instrument en de snelheid waarmee de trommel afgesteld was bij het draaien. In de 17e eeuw met relatief kleine beiaarden was het nog gebruikelijk de melodie om de twee maanden te wijzigen naargelang de gelegenheid, dikwijls met melodieën bij het bijbehorende kerkelijke feest of tijdvak. In de protestantse gewesten werd meestal een psalm op het hele uur gezet. Er werd alleen een uitzondering gemaakt in tijden van strenge vorstperiodes. In de maand mei werd op veel plaatsen op het hele uur een 'meilied of meideun' verstoken. In Gouda op de Sint-Jan gebeurt dit anno 2020 nog steeds.In Gouda is het traditie de melodie van gezang 413 uit 'liedboek voor de kerken' hiervoor te gebruiken. De mei die comt ons by seer bly (Courante). Deze melodie komt ook voor in Valerius gedenck-clanck

Verminderde aandacht Het versteken van de melodie werd op het einde van de 18e en zeker in de 19e eeuw op veel plaatsen verwaarloosd en teruggebracht tot één versteek (vaak in de stille week voor Pasen) per jaar, dit mede omdat het zo'n omvangrijk werk was. (Begin 21e eeuw wordt in Nederland op de meeste oude trommels tweemaal per jaar verstoken in voor- en najaar.)

thumb|300px|Klok in decarillon den Haag wordt verstoken 2018 lantaarn van de Haagse Toren