Roofkunst is cultuurgoed van een land dat door een buitenlands(e) persoon of organisatie of door een andere staat wederrechtelijk wordt toegeëigend tijdens een oorlog, (koloniale) overheersing of culturele strooptochten als illegale opgravingen. De geroofde kunst wordt veelal in het land van de rovers tentoongesteld. Enkele bekende voorbeelden zijn de Parthenonfriezen (door Groot-Brittannië gestolen onderdelen van het Parthenon van Athene), de Lombokschat (door Nederland in toentertijd Nederlands-Indië gestolen waardevolle schat uit Lombok) of de Kunstverzameling Jacques Goudstikker (door de nazi's gestolen kunstcollectie van de Joodse ondernemer Jacques Goudstikker).
In de 21e eeuw is het dilemma van restitutie van objecten die ooit hun weg van een gekolonialiseerd of geannexeerd gebied naar westerse particulieren en musea hebben gevonden, prangender aanwezig in het maatschappelijke debat. Een aantal westerse musea is inmiddels, al dan niet op verzoek, overgegaan tot restitutie van objecten die niet tot de westerse cultuur behoren en vaak onder dubieuze omstandigheden zijn weggehaald uit het land van herkomst.
Doel en gevolgen Kunstroof heeft als doel de tegenstander te demoraliseren of zichzelf, een partij of de eigen staat te verrijken. Dikwijls is een georganiseerde kunstroof een uitdrukking van de staatsideologie. In oorlogsomstandigheden zijn kunstwerken veelal de materiële verliezer van het geweld. Zij worden al of niet systematisch vernield, beschadigd, geplunderd, gestolen, gevandaliseerd en als oorlogsbuit (zogenoemde Beutekunst) door de overwinnaar meegenomen.
Ongewild kan het georganiseerd roven van cultuurgoederen bij veroverde naties de vaderlandslievende gevoelens aanwakkeren. De geroofde kunstwerken wijzen de burgers op het belang van hun cultureel erfgoed. Als een deel van de kunstwerken terugkeert, kunnen de betrokken musea en archieven een nationale betekenis krijgen.
Verdragen en wetgeving Het principe dat geplunderd bezit moet worden teruggegeven aan het land van herkomst, werd voor het eerst internationaal vastgelegd in het Verdrag van Parijs in 1815. De naties die tegen Napoleon hadden gevochten, eisten teruggave van cultureel bezit. Hierbij maakte het niet uit of de objecten door middel van geweld of via een overeenkomst waren verkregen.
Een ander belangrijk document waarin de principes van de bescherming van cultureel erfgoed werden vastgelegd, was de Lieber Code uit 1863: een binnenvallend land mocht cultureel erfgoed in beslag nemen, zolang dit gebeurde zonder het te beschadigen. Verder moesten de objecten in bewaring blijven tot een vredesverdrag werd gesloten, waarin ook het eigendomsrecht van de objecten moest worden vastgelegd. De invloed van de Lieber Code op het volkerenrecht was buitengewoon groot.
In 1874 diende de Lieber Code als basis voor de Verklaring van Brussel, een eerste internationale poging om regels voor het beschermen van cultureel bezit te codificeren. Die codes zouden de voorloper zijn van het Haagse Verdrag van 1907, waarin internationale wetten het recht erkenden op het in beslag nemen van oorlogsmateriaal en oorlogsbuit. Volgens de voorschriften van het Haagse Verdrag mag staatseigen roerend goed dat wordt aangetroffen op het slagveld, worden toegeëigend als oorlogsbuit.
In 1954 werd het Cultuurgoederenverdrag (Haagse Conventie) ondertekend voor de bescherming van erfgoed tijdens gewapende conflicten. Nadien zijn verschillende internationale afspraken tot stand gekomen om ook in vredestijd de illegale handel in cultuurobjecten te bestrijden:
De UNESCO-conventie inzake illegale handel in culturele goederen uit 1970. Het verdrag regelt de teruggave van cultuurgoederen die door onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht het oorspronkelijke gebied hebben verlaten. Het gaat om voorwerpen die voor een land van groot belang zijn, omdat ze tot het cultureel erfgoed behoren. Landen die het verdrag ratificeren, verplichten zich onder meer tot het opstellen van een lijst met objecten die moeten worden beschermd, het verstrekken van exportcertificaten van objecten die mogen worden uitgevoerd, het bewaken van oudheidkundige vindplaatsen en tot het opstellen van een ethische code voor handelaren en verzamelaars. Wat de teruggave van illegaal verhandelde objecten betreft, geeft het verdrag alleen bepalingen voor objecten die uit overheidsinstellingen of religieuze gebouwen zijn ontvreemd. Een land dat een bepaald voorwerp op grond van het UNESCO-verdrag opeist, moet compensatie betalen als is komen vast te staan dat de verwerver te goeder trouw is geweest. Veel landen hebben onder invloed van dit verdrag wettelijke maatregelen genomen ter bescherming van hun cultureel erfgoed. In de meeste gevallen wordt een norm van vijftig of honderd jaar vastgesteld. Alle objecten die ouder zijn, vallen onder de wettelijke bescherming. Veel westerse landen en de kunsthandel reageerden in het algemeen terughoudend op het verdrag. Handelaren waren vooral slecht te spreken over het tiende artikel dat hen verplicht de herkomst van voorwerpen nauwgezet te beschrijven. Die herkomst beschouwen zij veelal als 'strategische informatie' die zij met niemand willen delen.
Wetten en regelgeving na 1995 De UNIDROIT-conventie inzake gestolen of illegaal uitgevoerde cultuurobjecten uit 1995. De Washington Conference Principles on Nazi-Confiscated Art uit 1998 die gaat over de restitutie van kunst die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog in beslag is genomen door nazi-Duitsland Openbare databases van gestolen of verdachte cultuurobjecten worden onderhouden door InterpolINTERPOL Stolen Works of Art Database en door de Internationale vereniging van museaICOM Red lists In 2004 kwam in het Verenigd Koninkrijk de "Human Tissue Act" van kracht, die het mogelijk maakt menselijke resten (niet ouder dan 1000 jaar) terug te geven. De Europese verordening 116/2009 van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederenVerordening 116/2009 en EU-richtlijn van 15 mei 2014 inzake restitutie van cultuurobjecten,Richtlijn 2014/60/EUVervangt Richtlijn 93/7/EEG van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht omgezet in de Nederlandse wet van 4 juni 2015wet van 4 juni 2015 en de Belgische wet van 4 mei 2016.wet van 4 mei 2016 De Nederlandse Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied (2007-2016), gevolgd door de Erfgoedwet. Het Internationaal Strafhof sprak in 2016 voor het eerst een veroordeling uit voor vernietiging van cultureel erfgoed, in de zaak-Al Mahdi. De Raad van Europa keurde op 3 mei 2017 de Convention on Offences relating to Cultural Property goed.Convention on Offences relating to Cultural Property Deze Conventie is door verschillende landen ondertekend en geratificeerd; op 1 april 2022 trad ze in werking.Chart of signatures and ratifications of Treaty 221
Klassieke oudheid miniatuur|Detail van de Boog van Titus in Rome, 81 n.Chr. De Romeinen nemen de gouden menora mee na de plundering van de Tempel van Jeruzalem in 70n.Chr.
Dat kunstvoorwerpen uit hun oorspronkelijke context – tegen de zin van de eigenaar – worden verwijderd en elders terechtkomen, gebeurt al sinds mensenheugenis.
In 714 v.Chr. gaf de Assyrische koning Sargon II de volgende verklaring voor alles wat hij meenam tijdens de plundering van de Urartiaanse stad Musasir:
In 586 v.Chr. roofden de Babyloniërs de Tempel van Salomo in Jeruzalem leeg:
Rond 400 v.Chr. trok de Griekse schrijver Xenophon mee met het Perzische leger naar Klein-Azië. Hij schreef dat veroveraars recht hadden op oorlogsbuit, inclusief de cultuurschatten van de onderworpenen.
Toen Alexander de Grote in 333 v.Chr. de Perzische koning Darius III versloeg, liet hij zijn soldaten gouden schalen, kruiken en munten meenemen.
In 212 v.Chr. signaleerde de Griekse historicus Polybios dat toen de Romeinen Syracuse op Sicilië veroverden zij alle kunstwerken roofden en naar Rome verscheepten. Polybios' waarschuwende boodschap aan Rome klonk aldus: "Dergelijke rooftochten kweken alleen maar wrok."
In 70 n.Chr. plunderde Titus de Tempel van Herodes in Jeruzalem. De Boog van Titus in Rome, die deze gebeurtenis herdenkt, werd postuum opgericht in 81 n.Chr. De reliëfs op de boog verbeelden de triomfantelijke processie met oorlogsbuit, waaronder de gouden menora die gold als de belangrijkste overwinningsbuit.
793 staat geboekstaafd als het begin van het Viking-tijdperk omdat toen de plundering plaats had van het klooster op het Heilige Eiland van Lindisfarne aan de noordoostkust van Groot-Brittannië.
Toen de kruisvaarders in 1099 Jeruzalem bezetten, werden veel joden en moslims vermoord en werd de stad leeggeroofd. De christenen gebruikten de term 'heilige diefstal' om de verwijdering van relieken te rechtvaardigen.
In 1204 werd Constantinopel geplunderd: goud, zilver, satijn, huiden en relieken werden geroofd. De beroemdste buit bestond uit de vier bronzen paarden van de Hippodrome. Zij werden gebruikt om de façade van de San Marco in Venetië te versieren,
miniatuur|De Oba met Europeanen, 16e-eeuwse bronzen plaat uit Benin, Nigeria, werd uit het paleis van de Oba in Benin City gehaald tijdens de Britse strafexpeditie in 1897. In het midden Oba in een leeuwenkleed. Hij wordt vergezeld door twee bedienden. Naast zijn hoofd zijn twee langharige Europeanen afgebeeld
Kort voor zijn dood te Nancy in 1477 verloor Karel de Stoute een belangrijke kunstschat aan de Zwitsers: de befaamde Burgunderbeute ('Bourgondische buit'). Het betreft een kwalitatief hoogstaande kunstverzameling die Karel de Stoute kort voor zijn dood te Nancy in 1477 aan de Zwitsers verloor. Deze kunstschat valt tegenwoordig te bewonderen in het Historisches Museum Bern.
In 1382, na de Slag bij Westrozebeke, liet Filips de Stoute de belfortklok van Kortrijk meenemen om ze aan zijn hoofdstad Dijon te schenken. Hij noemde ze een van de mooiste die er zijn aan deze of gene zijde van de zee (“l'un des plus biaux que on seuist dechà ni delà la mer”).
Middeleeuwen In 1567 (aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog) werd het drieluik van Jheronimus Bosch, de Tuin der lusten, door de Hertog van Alva geroofd uit het paleis van Willem van Oranje te Brussel, en kwam zo in bezit van de Spaanse koninklijke familie en is als een ‘El Bosco’ deel gaan uitmaken van het Spaanse culturele erfgoed in het Museo Nacional del Prado.
Vanaf de 16e eeuw werd de Europese cultuur dominant in de wereld. Het toenemend aantal ontdekkingsreizen had expansie tot gevolg. De ontdekking van nieuwe werelddelen en volken die tot dan toe onbekende producten vervaardigden, betekende een grote stimulans voor de verzamelpraktijk in het Westen. Na het veroveren van andere overzeese gebieden brachten West-Europese bevelhebbers trofeeën mee, naast slaven, kruiden en schatten. Vaak kwam bij het toe-eigenen van de cultuurgoederen geweld te pas en werden de koloniale overheersers gedreven door een mengeling van machtswellust, gretigheid en superioriteitsgevoel. Door het tonen van de trofeeën werden het binnendringen, de verovering en de overheersing ‘geïllustreerd’.
Achttiende eeuw Kloostersluitingen
Bij de 18e-eeuwse kloostersluitingen legden overheden de hand op religieuze kunst. In de Oostenrijkse Nederlanden werden aangeslagen meesterwerken doorgaans afgevoerd naar de galerij van keizer Jozef II in Wenen. Eerder, in 1781, had de keizer al Caravaggios Madonna van de rozenkrans opgeëist. Het werk werd in 1620 door Rubens geschonken aan de Antwerpse Sint-Pauluskerk. Het bevindt zich momenteel in de collectie van het Kunsthistorisches Museum Wien.
Franse Revolutionaire en napoleontische periode