Johannes Ludovicius Jakobus Hubertus (Johan) Pel (Maastricht, 10 januari 1823 – Aceh Besar, 24 februari 1876) was een Nederlands generaal-majoor en militair bevelhebber te Atjeh.

Loopbaan Pel nam in 1841 vrijwillig dienst dienst (bij het instructiebataljon te Kampen); in 1846, in de rang van sergeant-majoor, vertrok hij in 1846 naar Indië, werd in 1848 benoemd tot tweede en in 1853 tot eerste luitenant; In 1857 werd hij bevorderd tot kapitein, in 1865 tot majoor en in 1870 tot luitenant-kolonel. In de rang van kapitein nam hij in 1859 deel aan de eerste en tweede expeditie tegen Boni (op Zuid-Celebes), waar hij voor zijn dapperheid werd beloond met de Militaire Willems-Orde vierde klasse (per dagorder van 8 september 1860).Databank dapperheidsonderscheidingen, Militaire Willems-Orde: Pel, J.L.J.H., niveau MWO 4. Gezien op 16 april 2016. Gearchiveerd op 25 april 2016. In de rang van majoor was hij gedurende een jaar directeur van de militaire school te Meester Cornelis; na zijn benoeming tot luitenant-kolonel werd Pel benoemd tot militair commandant in de residentie Palembang, maar moest weldra wegens ziekte met verlof naar Nederland vertrekken. Bij de aanvang van de tweede expeditie naar Atjeh was Pel in Indië teruggekeerd en ging hij mee als commandant van het 14de bataljon infanterie. Na de verwonding van kolonel De Roy van Zuijdewijn werd hij, in diens plaats, eerst voorlopig, en in februari 1874 definitief, benoemd tot commandant der tweede brigade te Atjeh.

Pel als commandant te Atjeh thumb|left|Kolonel Pel als commandant van Atjeh in 1874. Na het vertrek van generaal van Swieten werd Pel, dan bevorderd tot kolonel, aangesteld als opperbevelhebber over de te Atjeh achterblijvende troepen. Hij aanvaardde het militaire en civiele bestuur en had van generaal van Swieten een instructie ontvangen, die luidde: zo weinig mogelijk vechten, een zuivere afwachtende houding bewaren, trachten door onderhandelingen toenadering met de hoofden der bevolking te verkrijgen, onze stelling versterken, het contact met de zee onderhouden enz.1878. G.F.W. Borel. Onze vestiging in Atjeh, bladzijde 118 Al kort nadat hij de teugels van het bestuur in handen genomen had, begon de toestand te Atjeh geheel duidelijk te worden. De situatie bleek zo nijpend dat hij niet alleen gedwongen was zijn beleid geheel te wijzigen, maar dat ook de regering, die aanvankelijk door de verzekeringen van generaal van Swieten gerustgesteld was, de toestand te Atjeh met grote bezorgdheid begon in te zien. Men geloofde weldra op Java niet meer aan een spoedige of bevredigende afloop van de oorlog. Na het vertrek van Van Swieten trad de oorlog te Atjeh een nieuwe fase in; men moest thans lijdzaam en geduldig afwachten, toenadering zoeken met de hoofden en met de rest van de bevolking. Nauwelijks waren echter, in de morgen van de 26ste april 1874, de laatste troepen der hoofdmacht vertrokken, of de Atjehers kwamen van alle kanten toestromen en schonden de laatste rustplaats van de gevallen soldaten; de zwakke bezetting was niet bij machte deze schending te voorkomen. In de nacht van 26 op 27 april viel de vijand Marassa aan, het gebied van Teukoe Nek, de enige bondgenoot. De Marassanen wisten hun gebied goed te verdedigen en voorkwamen zo dat de weg naar zee voor de Nederlanders werd afgesneden. Pel was nu dus al gedwongen af te wijken van de instructies van Van Swieten en bepaalde dat een groot aantal punten bezet moest worden, zodat een linie gevormd kon worden. Al op de 28ste april werd het vuur uit de in batterij staande voorlaadkanonnen van 12 cm geopend op alle binnen bereik der projectielen gelegen kampongs. Toen Van Swieten het bevel voerde, had men nooit van een bombardement willen weten, omdat men de Atjehnezen niet wilde verbitteren, terwijl de commandant der artillerie, van Zijll de Jong dit herhaaldelijk als noodzakelijke maatregel had aanbevolen. Dag en nacht werden nu de omliggende kampongs met granaten beschoten; doel hiervan was om het samenscholen van grote massa's volk in en nabij de kampongs te beletten, waardoor een eventueel voorgenomen aanval op de Nederlandse versterking kon worden voorkomen.

Eerste periode van Pel te Atjeh Vanwege het dicht begroeide terrein was geen enkele kampong, waarop de bombardementen plaatshadden, vanuit de batterij te zien. Het schieten op onzichtbare onbekende doelen kon dus geen bijzonder gunstige uitkomsten opleveren en was dikwijls aanleiding tot munitieverspilling. Spoedig bleek dat de vijand in de omtrek van de Kraton bezig was een linie versterkingen aan te leggen; spionnen lagen direct naast de borstwering op de loer en er gebeurde niets bij de Nederlandse troepen, of de vijand wist het direct. De bevolking van de XXII Moekims had zich aan de oostkant van de Kraton verzameld en het wemelde overal van de vijanden. Deze opeenhoping van vijandelijk volk in de directe nabijheid van Kota Radja (de nieuwe naam van de Kraton) was een dreigend gevaar waar weinig aan te doen was, zolang het terrein rondom de Kraton niet vrij gemaakt was van begroeiing, waardoor een vrij schootsveld zou ontstaan. Ten gevolge van de vele zieken was de troepenmacht op dit moment krachteloos en was een aanval van een groot aantal Atjehers op de vesting der Nederlanders een zeer dreigend gevaar. Pel sliep in deze maanden nauwelijks; geheel gekleed ging hij maar een paar uur per nacht naar bed; wat hij met de beperkte middelen die hij had kon doen deed hij, maar veel kon hij niet doen, omdat zijn troepen met de dag aan getalsterkte en bruikbaarheid afnamen.1878. G.F.W. Borel. Onze vestiging in Atjeh, bladzijde 132 thumb|Generaal Pel en zijn troepen Overdag vuurden de Atjehers op alles wat zich op de borstwering of buiten de Kraton vertoonde; onophoudelijk vlogen de kogels door de binnenruimte; de officieren van de staf, gelegerd op een grafheuvel dicht bij de oostkant van de Kraton, moesten hun woningen door ijzeren platen tegen het geweervuur pantseren. De krijgsraad hield zitting onder oorverdovend schieten en een regen van kogels. 's Nachts roofden de Atjehers vee uit de veekraal, gelegen tussen de westkant en Kota Podjoet. Op 15 mei werd ontdekt dat de vijand zich had versterkt en de Kraton zo langzamerhand met een reeks van verschansingen had omringd. Intussen was de kwade moesson met hevigheid ingevallen en teisterden regen en stormen de Nederlandse troepen. De monding van de Atjeh-rivier was niet meer bevaarbaar en op de kust stond een hevige branding, die voor grote problemen zorgde met het ontladen van mensen en materieel en voeding. Het ziektecijfer nam in korte tijd dusdanig toe, dat de ambulances het grote aantal lijders niet meer konden opnemen, er vele ziekten ontstonden, en honderden manschappen overleden. In zijn rapporten aan de regering verbloemde Pel de zorgwekkende toestand te Atjeh niet en drong hij met klem aan op de spoedige toezending van versterkings- en aanvullingstroepen, alsmede van geschut, munitie en bedieningsmanschappen.

De geringe middelen, waarover hij kon beschikken, lieten hem niet toe iets van belang tegen de steeds opdringende vijand te ondernemen. Vanaf 11 juni kwamen eindelijk de eerste transportschepen aan en werd het mogelijk een bruggenhoofd te bouwen, om lading te ontschepen en op 19 juni 1874 rukte eindelijk weer een colonne van 150 bajonetten en een sectie artillerie naar kampong Djawa en zuiverde deze plaats van vijanden; ook vanuit Penajoeng werd een patrouille gezonden om op de rechteroever van de Atjeh-rivier de vijandelijke stelling te verkennen, maar deze werd ontdekt en moest zich, met een groot aantal gewonden en doden, terugtrekken. Zijn aanvoerder, luitenant Sloet van Zwanenburg, overleed aan zijn verwondingen. Op 20 juni rukte majoor Scharp met het halve 9de bataljon infanterie uit en het gelukte de vijand na een hevige strijd uit zijn stellingen te verdrijven; deze overwinning kostte echter een verlies van 34 doden en gewonden. Langzamerhand konden er nu met aangekomen materieel en manschappen meer acties worden ondernomen tegen de vijand. Door het gevecht van de 20ste was het riviervak beneden Penajoeng nog niet tegen de aanslagen der Atjehnezen beveiligd en werd het noodzakelijk dat men zich meester maakte van dit gedeelte; hiertoe werd in de morgen van de 28ste juni door Pel een inval gedaan in genoemd gebied, onder leiding van majoor Romswinckel; hierbij werden 30 man gewond en sneuvelden er vier, waaronder luitenant Von Massow en Zwager. De vijand was door de geleden nederlaag zo geschokt, dat hij in allerijl zijn stellingen verliet.

Verdere strategie onder kolonel Pel Nu kolonel Pel zijn ooster- en westerlinies, en daarmee zijn contact met de zee, aanmerkelijk verbeterd had begon hij de Kraton als verdedigingswerk te verbeteren. Op 11 augustus werd besloten om op de zuidkant een batterij met twee achterlaadkanonnen aan te leggen en kon eindelijk begonnen worden met het kappen van bomen en struiken rondom de hoofdversterking. Pel was al geruime tijd de mening toegedaan, dat het stelsel der passieve houding, dat hem bij de aanvaarding van zijn bevel min of meer was opgedrongen, niet tot nut kon strekken maar uiteindelijk nadelig moest werken en werden door hem steeds meer patrouilles en gevechtseenheden uitgezonden. Gedurende het jaar 1875 werd, wanneer de grootte van de troepenmacht dat toestond, steeds vaker geageerd, al verhinderde de enorme overstroming van de Kraton eind december 1874 en de vernietiging van de colonne Van der Meer dit een tijdje. In de eerste helft van januari kwamen steeds sterke afdelingen troepen te Atjeh aan ter vervanging of aanvulling van zieke en ontbrekende militairen, waardoor men nu in staat was steeds een of meer mobiele colonnes met de nodige artillerie ter beschikking te hebben. Op 19 februari, de verjaardag van de Koning, werd Pel benoemd tot generaal-majoor bij keuze, nadat hem eerst wegens zijn beleid en zijn verdiensten als bevelhebber te Atjeh het commandeurskruis der Militaire Willems-Orde geschonken was.Databank dapperheidsonderscheidingen, Militaire Willems-Orde: Pel, J.L.J.H., niveau MWO 2. Gezien op 16 april 2016. Gearchiveerd op 25 april 2016. Alleen al in de ambulances stierven in de maand februari 1875 500 man, gemiddeld 15 tot 20 per dag. In de maand april werd de versterkte kampong Lohong, een zeer belangrijk punt, bij verrassing genomen en in mei werd eindelijk de aansluiting tussen de verschillende posten verkregen, bestond er nu een aaneengeschakelde linie, was Kota Radja aan de zuid- en oostzijde volkomen gedekt en vormde nu een doelmatige centraalstelling. Nu dit hoofddoel bereikt was en de hoofdpost sterkte, veiligheid en een verzekerd contact met de rede verkregen had, konden de operaties tegen de vijand uitgesteld worden tot latere tijd. Pel verkreeg een verlof van drie maanden naar Buitenzorg en trad op 12 juni 1875 tijdelijk als bevelhebber af.