De Ridderschap was in de Republiek der Verenigde Nederlanden het college waarin de edelen van een gewest verenigd waren. De zeven gewestelijke ridderschappen werden in 1795 (Franse bezetting van de Nederlanden) opgeheven, maar koning Willem I stelde ze in 1814 opnieuw in als openbaar lichaam. Deze werden in 1850 bij het in werking treden van de door Thorbecke opgestelde provinciewet opgeheven. Een aantal ridderschappen is echter als particuliere organisatie blijven bestaan. Een ridderschap moet niet worden verward met een ridderorde.
Betekenis In de Republiek der Verenigde Nederlanden kenden alle zeven gewesten een eigen ridderschap. Het lidmaatschap van een of meerdere van deze ridderschappen was voor edellieden een prestigieuze zaak. Men moest uiteraard van adel zijn maar ook grondbezit, met name het bezit van een riddermatig goed zoals een borg, ridderhofstad of havezate was voldoende voorwaarde voor lidmaatschap.
In de Staten bracht de ridderschap "de eerste stem" uit. Dat betekende dat in bijvoorbeeld de Staten van Holland de edelen bij monde van hun voorzitter, de landsadvocaat, tevens raadpensionaris, één enkele stem uitbrachten terwijl de 18 Hollandse steden ieder ook één stem hadden.
In Friesland bracht de ridderschap geen stem uit terwijl de elf steden en dertig grietenijen wel stemgerechtigd waren. Het bezit van een state of stins bracht hier dan ook geen lidmaatschap van een ridderschap.
Tijdens de Republiek moesten leden van de ridderschap de gereformeerde religie belijden. katholieke en doopsgezinde edelen werden uitgesloten van alle openbare functies. Aan een vrouw met een rol in het bestuur werd nog niet gedacht.
De ridderschappen hebben tot 1795 in deze vorm bestaan. De Bataafse republiek maakte, geïnspireerd als zij was door de gelijkheidsbeginselen van de Franse Revolutie, een einde aan de voorrechten van de adel. Tegen die tijd waren de ridderschappen - waarin door het ontbreken van een landsheer die ingezetenen in de adelstand verhief en concentratie van steeds meer ridderhofsteden in dezelfde hand, steeds minder edelen zitting hadden - vrijwel uitgestorven.
De patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol wilde in de late 18e eeuw ook een stem in de ridderschap van Gelderland verwerven door een stemgevende havezate, Appeltern, met stem en al in een huurkoop van een tante over te nemen. In tegenstelling tot de stadhouder Willem V erkenden de Staten een dergelijke aanspraak niet.
Rijke burgers die een nieuwe borg met gracht lieten aanleggen visten eveneens achter het net. De edelen wilden hun ridderschappen exclusief houden. Echter het bezit van grond waarop ooit een ridderhofstede stond, gaf soms wel degelijk recht op lidmaatschap van de ridderschap.
De ridderschappen en de admiraliteitscolleges De Staten-Generaal benoemden in de vijf admiraliteitscolleges stemgerechtigde leden. Ook voor die - zeer lucratieve - functies kwamen de leden van de ridderschappen in aanmerking. Er was voor de admiraliteiten een strikte verdeling overeengekomen. Men nam bij toerbeurt een post op zich.
Dit is de door de regenten overeengekomen verdeling van posten - en geld - in het Admiraliteitscollege van Amsterdam.
Gelderland vaardigde vanaf 1705 beurtelings leden namens ridderschap en steden voor de duur van drie jaar af. Voor 1705 was de benoeming voor het leven. Holland vaardigde leden namens de ridderschap (vanaf 1601), Haarlem (vanaf 1606), Leiden, Amsterdam, Gouda, Schiedam (tot 1601 en daarna niet meer), en Edam af. De ridderschap heeft dus in 1601 de post van Schiedam overgenomen. Zeeland zond gecommitteerden voor het leven. Er was immers geen ridderschap. Utrecht kende gecommitteerden namens de steden. De ridderschap kwam er niet aan te pas. Overijssel zond beurtelings gecommitteerden van de Ridderschap van Overijssel, de drie plattelandskwartieren en de drie steden in de volgorde Salland, Deventer, Twente, Kampen, Vollenhove en Zwolle ter vergadering van de Amsterdamse admiraliteit. Groningen verdeelde zijn gecommitteerden bij toerbeurt over de 'onderkwartieren' van de Ommelanden. Drenthe was niet vertegenwoordigd.
Voor de vier andere admiraliteiten bestonden soortgelijke, door de Staten Generaal goedgekeurde, regelingen. Een dergelijke verdeling was typisch voor de regentenrepubliek waarin een gesloten groep families alle overheidsfuncties, van de hoogste colleges tot stovenzetter in de Nieuwe Kerk, had verdeeld. Bij de lagere functies liet men een plaatsvervanger het werk doen voor een fooi.
Republiek der Verenigde Nederlanden Drenthe De Drentse ridderschap bestaat sinds de 15e eeuw. In 1425 is voor het eerst sprake in overgeleverde documenten sprake van de 'ridderscap uyt Drenthe', waarmee de gehele Drentse adel werd aangeduid. In de loop der eeuw ontwikkelde deze ridderschap zich tot een bisschoppelijk adviesorgaan. De bisschop van Utrecht, of zijn plaatsvervanger de drost, hoorde de heren over beleid, wetgeving en belastingheffing. Men bezat geen erfelijke zetel in de ridderschap; het was geheel en al aan de landsheer om zijn adviseurs te kiezen. Het college bestond uit die edelen die persoonlijk door de bisschop voor een landdag opgeroepen werden. Steeds meer vormde de ridderschap daar een factie of lichaam dat tegenover de niet-edele eigenerfden stond.
De vergaderingen van ridderschap en eigenerfden heetten ook wel landdag. Tijdens de landdagen had de ridderschap een stem, de eigenerfden twee stemmen. De door de landsheer benoemde drost was de voorzitter van de vergadering. Het dagelijks bestuur lag bij het college van drost en gedeputeerden.
In Drenthe bracht de ridderschap na 1580 drie stemmen uit tegen de eigenerfden zes.
In 1603 wordt de ontwikkeling van een Drentse regering en standenvergadering voltooid door de totstandkoming van de Staten van Drenthe in de vorm waarin zij tot 1795 zal vergaderen. Deze Staten bestonden uit ridderschap met drie stemmen en eigenerfden met zes stemmen.
In 1617 werden de voorwaarden voor de toelating tot de ridderschap vastgelegd. Wettige en adellijke geboorte, gereformeerde religie en het bezit van een havezate waren voor admissie in de ridderschap vereist. Als havezate werd beschouwd een adellijk huis, waarvoor eerder edelen tot de ridderschap waren geadmitteerd. Deze cirkelredenering leidde tot processen en verwikkelingen.
In 1698 werden de achttien havezaten definitief en limitatief opgesomd. Het aan de havezate verbonden recht kon desondanks aan een ander pand gehecht kon worden. Slechts een klein deel van de toch al niet talrijke Drentse edelen was in de ridderschap vertegenwoordigd, want het kwam nooit voor dat alle achttien havezaten in handen van achttien volwassen gereformeerde en in Drenthe woonachtige edelen waren. Het aantal leden van de ridderschap schommelde tot 1795 tussen de vier en twaalf.
Friesland Friesland bezat geen ridderschap. In Friesland werd de gedachte aan adeldom die recht gaf op invloed in het landsbestuur onverenigbaar geacht met de "Friesche vrijheid". Het gewest kende ook geen herendiensten. Dat de edellieden die allen tot de oeradel behoorden toch een grote invloed op het bestuur hadden, dankten zij aan hun grondbezit. Het kiesrecht was op grondbezit gebaseerd en men kreeg voor iedere are grond een stem. Zo konden de edelen veel stemmen verzamelen. Zij lieten zich tot grietman van een van de dertig grietenijen kiezen en namen in die hoedanigheid zitting in de Staten van Friesland. De steden bezaten elf stemmen.
Gelderland Gelre en Gelderland zijn een lappendeken van feodale gebieden en territoria geweest. Zo waren er tot aan de regering van keizer Karel V vier kwartieren met de Ridderschap van Veluwe, de Ridderschap van Nijmegen, de Ridderschap van Roermond en de Ridderschap van Zutphen. De Gelderse baanderheren die het derde lid van de Statenvergadering waren, vormden een eigen college. In Gelderland beschikte de ridderschap na 1584 over één lid met één stem in de Statenvergadering.
In het graafschap Zutphen was het lidmaatschap van de ridderschap verbonden aan het bezit van een havezate of riddermatig goed. Een stemgevende havezate moest verdedigbaar zijn en een bepaalde omvang hebben. In de praktijk betekende dat dat er een slotgracht moest zijn. Na de afzwering van Philips II werden alleen nog gereformeerde havezate bezitters toegelaten. De ridderschap vormde samen met de steden (hoofdstad Zutphen en de kleine steden Doesburg, Doetinchem, Lochem en Groenlo) het bestuur van wat men de Staten van het kwartier Zutphen noemde.
De heerlijkheid Borculo kende, voordat het in 1616 Gelders werd, een eigen ridderschap. De Ridderschap van Borculo stond de landsheer, de heer van Borculo, bij in het besturen en was een college dat rechtszaken in hoger beroep behandelde. De ten zuiden van de Achterhoek gelegen heerlijkheid, later graafschap, Bergh heeft ook een eigen ridderschap gehad. De Borculose ridders werd de toegang tot de Zutphense ridderschap ontzegd.
In Spaans en Oostenrijks Gelre bestond tussen 1543 en 1795 een ridderschap. De edelen moesten over een "huis met voorhof" of over jachtrechten beschikken en uiteraard katholiek zijn. Lange tijd hebben de baanderheren ook hier een college met een derde stem in de Staten gevormd.
De verovering door Frankrijk in 1795 maakte een einde aan Oostenrijks Gelre dat rond Roermond lag. Desondanks werd nog op 29 maart 1800 een lid in de nu machteloze en overbodige ridderschap opgenomen.
Groningen en de Ommelanden De Ridderschap van Groningen en de Ommelanden bestond uit de weinige Groningse edelen. In de Statenvergadering van de Ommelanden - Stad en Land werden pas door Maurits gedwongen om samen te gaan - had de ridderschap merkwaardig genoeg géén stem gehad.
Holland en West-Friesland thumb|Johan Wolfert graaf van Brederode, eerste edele van de Ridderschap van Holland De Ridderschap van Holland als instituut ontstond in het midden van de veertiende eeuw. Hij kwam voort uit de grafelijke raad. In de Zoen van Woudrichem uit 1419 werd voor het eerst oorkondelijk gesproken van "de ridderscap van Hollant ende van Zeelant".A. Janse: Ridderschap in Holland: portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen, pagina 81-82, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2001, A.W.M. Koolen: Inventaris van het archief van de Ridderschap en Edelen van Holland en West-Friesland, 1572-1795, pagina 12, Nationaal Archief, inv.nr. 3.01.06, Den Haag 1982 De ridderschap bestond uit de baanderheren (barones), de ridders (milites) en knapen (armigeri). Het was een klein gezelschap edelen: de opstand tegen graaf Floris V van Holland en de Hoekse en Kabeljauwse twisten hebben het einde betekend van vele adellijke geslachten en in de tijd van Karel V waren er niet meer dan twaalf Hollandse leden van de ridderschap die naar de Staten ter dagvaart gingen. In 1742 waren er nog slechts zeven edelen in de ridderschap.C. Postma (bew.), Holland in vroeger tijd, Europese Bibliotheek, Zaltbommel (1964). Bewerkte heruitgave van De tegenwoordige staat van Holland, Isaak Tirion, Amsterdam, 1742.