thumb|Edmund Husserl, grondlegger van de fenomenologie. De fenomenologie (van Oudgrieks phainómenon 'het zichtbare', 'verschijning' en lógos 'rede', 'leer') is een filosofische stroming in de hedendaagse filosofie - ontstaan op de grens van de 19e en 20e eeuw -, die uitgaat van de directe en intuïtieve ervaring van fenomenen en hieruit de essentiële eigenschappen van ervaringen en de essentie van wat men ervaart, probeert af te leiden. Zij gaat dus niet uit van bepaalde vooronderstellingen en is vrij van theorieën die verschijnselen causaal met elkaar in verband willen brengen. Centraal staat de notie van intentionaliteit: het denken of de ervaring is altijd gericht op iets (anders). De fenomenologie stamt uit de School van Brentano (genoemd naar Franz Brentano) en is voornamelijk gebaseerd op het werk van zijn belangrijkste leerling Edmund Husserl.Aydin, C. (red.), De vele gezichten van de fenomenologie, p. 15. Ze wordt meestal geplaatst binnen de continentale filosofie. Later werd de fenomenologie verder ontwikkeld door Max Scheler, Adolf Reinach en in de existentiële fenomenologie met onder anderen Martin Heidegger, Maurice Merleau-Ponty en Jean-Paul Sartre. Recentere filosofen, zoals Emmanuel Levinas en Jacques Derrida, zijn ook sterk beïnvloed door de fenomenologie, maar hebben er tegelijkertijd ook sterke kritiek op. De inzichten die uit deze stroming voortvloeien rond intentionaliteit, bewustzijn en qualia spelen ook een rol binnen de filosofie van de geest., "Phenomenology", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2011, , bezocht op 30-06-2012. Gearchiveerd op 27 juni 2023.

Kenmerken De fenomenologie onderscheidt zich van de vroegere filosofie door twee kenmerken: Fenomenologische methode: de fenomenologie heeft een eigen methode die als doel heeft het 'fenomeen' of datgene wat onmiddellijk gegeven is te beschrijven. Deze methode bestaat uit een reeks door Husserl voorgestelde reducties waar men theoretische aannames en dergelijke tussen haakjes moet zetten. Latere fenomenologen blijven echter niet altijd trouw aan deze reducties. Filosofie van het wezen: de fenomenologie richt zich niet op kennis of de wereld, maar op het 'wezen' (Eidos). Met 'wezen' bedoelt men hier de ideële en begrijpbare kern van de verschijnselen die de mens direct kan vatten in zijn waarneming. Elke waarneming houdt immers een inhoud in, namelijk iets dat waargenomen wordt. Zelfs het inbeelden van een eenhoorn bevat nog een 'ingebeelde eenhoorn'. De fenomenologische waarneming concentreert zich op deze inhoud, het 'wezen', van de waarneming en negeert de vraag of dit object echt bestaat.

Daarnaast kan de fenomenologie ook opgedeeld worden in verschillende scholen: De transcendentale fenomenologie met de nadruk op de intentionaliteit en de kennistheorie bij Edmund Husserl, Eugen Fink, Anna-Teresa Tymieniecka en Dan Zahavi. De existentiële fenomenologie met de nadruk op begrippen als Dasein en Lebenswelt bij Martin Heidegger, Jean-Paul Sartre en Maurice Merleau-Ponty. De hermeneutische fenomenologie met de nadruk op interpretatie en de hermeneutiek bij Heidegger, Hans-Georg Gadamer en Paul Ricoeur. De ethische fenomenologie met de nadruk op alteriteit en de 'ik-jij'-relatie bij Max Scheler, Emmanuel Levinas en Jacques Derrida. De linguïstische fenomenologie met de nadruk op vertoog en intertekstualiteit bij Maurice Blanchot, Derrida en Michel Foucault.

Fenomenologische methode De fenomenologie kent een geheel eigen methode. Zoals al in het werk van Husserl blijkt, moet de fenomenologie in contrast met het empirisme en rationalisme begrepen worden. In tegenstelling tot deze beide benaderingswijzen, die de dingen die men kan waarnemen al met een geheel theoretisch kader benaderen, wil de fenomenologie "de dingen voor zichzelf laten spreken" en richt ze zich dus op het "wezen" van de waarneming. In die zin moet Husserls credo Zurück zu den Sachen selbst (terug naar de zaken zelf) begrepen worden.Aydin, C. (red.), De vele gezichten van de fenomenologie, p. 7. Fenomenologen bestuderen dan ook hoe de bepaalde zaken aan ons verschijnen, zoals ze aan ons verschijnen, vanuit de eerste persoon. De intentionaliteit staat centraal: de verbondenheid tussen het bewustzijn en hetgeen waarvan we bewust zijn (de wereld). Dit combineert de fenomenoloog met het tussen haakjes zetten van alle filosofische doctrines van het verleden: men moet het object onbevooroordeeld en zuiver benaderen.

Om de dingen voor zichzelf te laten spreken, roept Husserl enkele belangrijke reducties ter hulp. Het doel van deze reducties is om onzekere kennis tijdelijk te laten voor wat ze is, en om zich te concentreren op de zekere kennis van het ding dat wordt aanschouwd. Ze houden dus een (tijdelijke) onthouding van een oordeel of epoché in en bestaat eruit dat ze bepaalde zaken "tussen haakjes zet" (einklammert).

Allereerst komt de fenomenologische reductie: men moet alles wat gegeven is omzetten in het 'fenomeen' en men moet zich dus richten op de wijze waarop het door het bewustzijn wordt gekend, namelijk als intuïtie, herinnering, oordeel, ... Husserl stelt vast dat elke mens in zijn meest alledaagse omgang met de wereld altijd vertrekt vanuit de natuurlijke ingesteldheid (der natürlichen Einstellung): de mens oordeelt dat de dingen die hij ziet, de wereld, echt bestaan. De zogenaamde Generalthesis van deze natuurlijke ingesteldheid houdt het oordeel in dat de wereld los van de menselijke waarneming zou bestaan., "Phänomenologie der Phänomenologie": Systematik und Methodologie der Phänomenologie in der Auseinandersetzung zwischen Husserl und Fink, Springer DE, 2002, p. 75. Met de fenomenologische epoché wordt juist bedoeld dat men dit oordeel intrekt. Dit is niet hetzelfde als het in vraag stellen. In de fenomenologie van Husserl is de vraag of de dingen die we zien, horen, voelen, echt bestaan, niet fout of onzeker, maar irrelevant en die vragen moeten dan ook tussen haakjes gezet worden. De fenomenoloog moet zich enkel richten op het 'wezen' van de waarneming., Die Grundprobleme der Phänomenologie, Gesamtausgabe, Band 24, Frankfurt am Main, 1975, p. 29.

Dit doet hij via de eidetische reductie: waar men eerst nog de verschillende ervaringen van hetzelfde heeft, zowel van hetzelfde ding (verschillende perspectieven) als van dezelfde soort (verschillende gevallen van hetzelfde), moet men zich concentreren op het stabiele en het 'wezen' ervan. Dit is was Husserl de Wesensschau noemt. Hier wordt dus het individuele niveau overstegen. Het gaat bijvoorbeeld niet meer om een concrete stoel, maar om de ervaring van de stoel. Ten slotte is er nog de transcendentale reductie of epoché: alles wordt nu uitgesloten wat niet subjectief aan het bewustzijn is gegeven. Zo moet men vroegere filosofische theorieën of culturele vooroordelen naast zich neerleggen en is het irrelevant of hetgeen men in de ervaring aanschouwt al dan niet "echt" bestaat. & , Historisch overzicht van de wijsbegeerte en de ethiek: d. De negentiende en twintigste eeuw, Garant, 1992, p. 107.

thumb|Heidegger (1960) Latere fenomenologen wijken hiervan af. Zo onderscheidt Martin Heidegger drie andere stappen in de fenomenologische methode: allereerst is er inderdaad een fenomenologische reductie nodig, zoals Husserl betoogt. Daar stopt het echter niet. Voor Heidegger draait de fenomenologische methode niet om de blik terugleiden naar het zuivere bewustzijn, maar moet zich juist richten op een dieper niveau: een Verstehen van het diepere Zijn van de wereld. Dit 'Zijn' is echter geen voorwerp (zijnde) dat men in zijn gezichtsveld kan aantreffen, maar is net iets dat altijd op de achtergrond meespeelt. Voor Heidegger is de fenomenologie het laten zien van wat zich toont. Dit impliceert echter niet enkel het getoonde, de dingen die we zien, maar ook het gebeuren van het tonen zelf. Doordat Husserl het bewustzijn als een veld van gegeven zijnden ziet, heeft hij geen oog voor het diepere Zijn, het gebeuren van het tonen zelf, en vervalt zo in wat Heidegger de 'zijnsvergetelheid' (Seinsvergessenheit) noemt. De fenomenoloog moet zich juist richten op dat wat niet getoond wordt, het Zijn, via een 'fenomenologische constructie', de tweede stap in de fenomenologische methode. Men moet via een actief hermeneutisch verstaan het Zijn beschrijven. Het vertrekpunt van deze hermeneutiek was voor Heidegger de mens in zoverre hij besef heeft van zijn, of in Heideggers terminologie het "Dasein".

De derde stap gaat net als de tweede lijnrecht in tegen wat Husserl voorschrijft. Volgens Husserl moet men alle vroegere filosofische opvattingen en de geschiedenis tussen haakjes zetten. Dit is volgens Heidegger onmogelijk: het hangt immers van de historische situatie af welke mogelijkheden voor het 'ontwerp van het Zijn' mogelijk zijn. Elke filosofische reflectie, dus ook de fenomenologie, wordt bepaald door de reeds overgeleverde filosofische begrippen en gezichtspunten. Er is dus volgens Heidegger, dit is de derde stap, een 'destructie' nodig: een kritische afbraak van de filosofische begrippen via een onderzoek naar hun oorsprong. Pas door een goed historisch verstaan van de begrippen waarmee men werkt kan men tot een correcte fenomenologische constructie komen en zo dus tot een correct fenomenologisch verstaan.

Eerste filosofie Op grond hiervan stellen fenomenologen als Husserl dat de fenomenologie de 'eerste filosofie' is: het is de filosofie die de andere wetenschappen een fundament aanreikt. Zijzelf behoort tot de eidetische wetenschappen of 'wezenwetenschappen', waartoe Husserl ook de logica en de wiskunde rekent., Geschiedenis der Hedendaagse Europese Wijsbegeerte, MCMLII, Desclée de Brouwer, p. 154. De natuur- en scheikunde daarentegen behoren tot de wetenschappen van de feiten en richten zich op contingente gegevens. Een wetenschap der feiten steunt volgens Husserl altijd al op de wezenwetenschap. De rol van de fenomenologie tegenover de kennistheorie en psychologie is analoog met de funderende rol die de geometrie heeft tegenover de natuurkunde.

Kernbegrippen Intentionaliteit

In de fenomenologie staat de notie van intentionaliteit centraal. Intentionaliteit verwijst naar het feit dat het bewustzijn altijd een bewustzijn van iets is.Aydin, C. (red.), De vele gezichten van de fenomenologie, p. 22. Intentionaliteit slaat dus op een steeds uitstaan naar de wereld: denken is altijd iets denken.

Dit principe van intentionaliteit vindt zijn oorsprong in de scholastiek en wordt in de hedendaagse filosofie herontdekt door Franz Brentano. Brentano definieerde intentionaliteit als intentionele inexistentie: een gerichtheid op een (mentaal) object of een 'immanente objectiviteit'. Belangrijk is dat Brentano met 'object' niet noodzakelijk een extern bestaand object bedoelde, maar het evengoed op ingebeelde objecten kan slaan. Men kan zich ook richten op ingebeelde eenhoorns of een fata morgana. Het belangrijkste is alleen dat elke ervaring altijd een inhoud heeft; ze is namelijk altijd gericht op iets.

Husserl maakte verder het onderscheid tussen de echte inhoud van een intentionele handeling, noesis, en de ideële inhoud, noema. De namen van deze termen leidde Husserl af van het Griekse nous, dat geest betekent. De noesis is de psychische handeling zelf (of men het beoordeelt of aanschouwt, of men het haat of liefheeft, accepteert of weigert, enzovoort). Dit vindt altijd plaats in het bewustzijn van een subject. De noesis hangt daarnaast altijd samen met het noema. Het noema slaat op de ideële betekenis die in de handeling vervat zit. Als A van B houdt is die liefde enerzijds de noesis (want de liefde van A voor B zit in het bewustzijn van A), maar liefde bestaat niet enkel in het bewustzijn van A. Het bestaat er ook buiten, als onafhankelijk begrip in de menselijke samenleving; dat is het noema liefde.

Waarneming