Jacob Cornelisz. (Banjaert) van Neck (1564 – 8 maart 1638) was een Nederlands zeevaarder; hij was samen met Wybrand van Warwijck en Jacob van Heemskerck de leider van de tweede Nederlandse schipvaart naar Oost-Indië (1598-1599) in opdracht van de Oude Compagnie, een voortzetting van de Compagnie van Verre en ongekend winstgevend. Samen met Jacob Wilkens maakte hij nog een reis, bekend als de vierde schipvaart (of tiende expeditie van de zogenaamde voorcompagnieën).
Onder de gezaghebbers uit de pionierstijd staat Jacob van Neck bekend als de meest beschaafde en behoedzame, zowel voor zijn eigen mannen als voor de mensen in de landen die ze bezeilden. Ook valt hij op door zijn goed geschreven reisjournalen. Van Neck was een rederijker, die zich van begin af aan had voorgenomen 'alles by gheschrift te stellen wat my in deeze reyse is ervaeren'. Een groot deel van zijn verhaal werd ter plekke geschreven, of gedicteerd nadat hij het gebruik van zijn rechterhand verloor.
Biografie Zijn overgrootvader Albert Fredericksz. Banjaert was een schepen in Enkhuizen. Zijn zoon Barend Albertsz. verhuisde naar Amsterdam en werd daar een welgestelde koopman en eigenaar van een zeepziederij. Hij woonde in de Warmoesstraat, destijds een aanzienlijke straat waar veel rijke kooplieden woonden. Ook Van Necks vader, Cornelis Barendsz., was een aanzienlijk burger. Hij trouwde met Weyn Pietersdr. van Neck, van wie Jacob zijn achternaam kreeg of aannam. Op ongeveer 11-jarige leeftijd werd hij wees, nadat zijn vader in 1566 en zijn moeder in 1575 was overleden. Van de volgende 23 jaar is slechts bekend dat hij in de leer was bij Robbert Robbertsz., de ultra-libertijnse zeekundige en latere brandewijnverkoper in Hoorn, van wie hij leerde navigeren op zee en onder de mensen.
Tweede schipvaart miniatuur|De Indische Oceaan. Kaart uit 1596. De tweede schipvaart bestond uit acht schepen: het 'prinseschip' Mauritius, met admiraal Van Neck aan boord ('een man op welckers deucht ende cloecheyt sy seer betrouden'), de Amsterdam, met de viceadmiraal Van Warwijck ('insghelijcx een uitnemende ende dappere man'), de Hollandia, de Zeeland, de Gelderland (met koopman Jacob van Heemskerck, 'die in de leste Noordooste voyage geweest was'), de Utrecht, en twee jachten: de Friesland en de kleine Overijssel. De Mauritius, de Hollandia en de Overijssel waren schepen van de Eerste Schipvaart. De Overijssel had toen Duyfken geheten. Op ieder schip was een 'commies' (koopman) aanwezig.Naast Van Warwijck en Van Heemskerck waren dat Jan Jansz. Karel de Jonge en Cornelis van Heemskerck op de Mauritius, Hans Schuermans op de Amsterdam, Jacob Uiteneng op de Hollandia, Albert ten Haghe op de Zeeland, Hans Bouwer op de Gelderland, Wouter Willekens op de Utrecht, Adriaen van Veen op de Friesland en Arent Harmensz. Persyn op de Overijssel. De uitrusting van de vloot kostte 768.466 gulden, 5 stuivers en 8 penningen, meer dan tweeënhalf keer zoveel als de eerste schipvaart. Ongeveer de helft van het bedrag zat in de lading, het zogenaamde cargasoen, 'so aen comenschappen als aen gelden'. Het aantal opvarenden was ruim 550.
Madagaskar miniatuur|Madagaskar op een kaart uit 1595. Op 1 mei 1598 vertrok de vloot vanaf Texel. Men had haast omdat er concurrentie was. Twee Zeeuwse vloten waren al eerder naar Bantam vertrokken.15 maart vertrokken Cornelis en Frederik de Houtman en Guyon le Fort met de Leeuw en de Leeuwin van de Veersche Compagnie. 25 maart vertrok Gerard le Roy met de Zon, de Maan en de Langebark van de Middelburgse Compagnie. Van Necks vloot zou echter als eerste in Bantam aankomen, zodat zijn reis later de Tweede Schipvaart werd genoemd. Het eerste deel van de reis verliep voorspoedig, maar in de nacht van 28 juli, in de buurt van de Kaap de Goede Hoop, verloor men in een storm de Zeeland uit het oog. In de nacht van 7 augustus werden ook de andere schepen uit elkaar gedreven. Volgens Van Neck kwam dat doordat een aantal schepen de 'vierman', het schip dat 's nachts het vuur voerde, voorbij gezeild was in plaats van er achter te blijven. De volgende ochtend had Van Neck naast de Mauritius alleen de Hollandia en de Overijssel nog bij zich.
Met zijn drie overgebleven schepen landde Van Neck in september op het eilandje Santa Maria aan de oostkust van Madagaskar. Hier hoopte hij voedsel en drinkwater te kunnen krijgen, 'dewyl ons water heel stinckende was' en scheurbuik en rode loop op de loer lagen. Helaas bleken de inwoners geen vruchten of ander voedsel te koop te hebben. Wel kwam de vorst, Andrea geheten, aan boord van de Mauritius om kennis te maken. Uiteindelijk vertrok men toch met een koe en een kalf. Ondanks Van Necks bevel om 'vruntlyck metten luyden te handelen', staat in zijn verhaal eenvoudig dat 'ons volk' ermee van land kwam. Anders staat de zaak voorgesteld in de Waarachtige Beschrijving, het oudste verslag van de reis. Van dit verslag, gebaseerd op journalen van andere bemanningsleden, zijn alle Nederlandse exemplaren verloren gegaan en is alleen in Engelse vertaling bewaard gebleven. Dit "True Report" zegt: We tooke the King prisoner, who paide for his ransome a cow and a fat calfe.
Een volgende landing in de baai van Antongil leverde nog minder op. Het bleek dat de mensen hier door onderlinge strijd 'in miserie waren gheraect'. Men trof er van honger omgekomen onbegraven doden aan. Het lukte hier slechts om drinkwater te verzamelen.
Bantam miniatuur|De baai van Bantam in 1602. Op 26 november arriveerden de schepen voor Bantam. Van Neck was ongerust over zijn ontvangst. Al aan de Sumatraanse kust werd hem door mensen gevraagd of zij dezelfden waren die zich enkele jaren terug zo slecht hadden gedragen. Dit had betrekking op De Houtman en zijn metgezellen van de eerste schipvaart. Van Neck ging met zijn schepen voor anker 'verbeyende met grooter begeerten na den toecomenden dach, om te weeten oft wy wel oft qualyck ontfanghen zouden worden, welcke ghepainsen van hoop en vreeze my meest alden nacht ghezelschap hielden, totdat den gewensten dagheraet de duysterheyt deed verdwynen'.
De ontvangst was echter onverwacht hartelijk. Het bleek dat de Bantammers hadden moeten strijden tegen een Portugese vloot uit Goa. Toen de grote galjoenen door hun grote diepgang niet dicht onder de kust bleken te kunnen komen hadden de Bantammers drie galeien kunnen veroveren. De bemanning was gedood of tot slaaf gemaakt en de lading was in beslag genomen. De Nederlanders werden nu beschouwd als welkome bondgenoten met het oog op eventuele wraakacties vanuit Goa. De koopman Cornelis van HeemskerckCornelis van Heemskerck was de secretaris van de scheepsraad. Zijn naam werd ook wel als Eemskerck gespeld. Onzeker is of hij familie was van Jacob van Heemskerck. Hij was adelborst op de eerste schipvaart en opperkoopman op de Hollandia tijdens de vierde. overhandigde een brief van stadhouder Maurits aan de gouverneur (de sultan was een klein kind, wiens vader in de strijd met Palembang was gesneuveld), en er werd snel overeenstemming bereikt over de prijs van peper en kruidnagels en over de tolheffing voor de drie schepen, zij het dat een eenmaal afgesproken prijs de neiging had steeds hoger te worden en er extra bedragen uitgekeerd moesten worden aan edellieden en de sjahbandar. Ook hadden de zakken met peper de neiging mede gevuld te raken met aarde en steentjes. Terwijl de schepen geladen werden bracht Van Neck een bezoek aan de stad en ontmoette ook de kleine sultan, 'schoon van tronie en zeedich van contenancie', en gezeten in 'een viercant gebou,... aen alle canten open, ghesustineert van vier tedere pylaren in forme van een heemel'. Van Neck gaf hem een gouden beker als geschenk. In de stad kwam een aantal krijgsgevangen Portugezen hem vragen om financiële bijstand in hun nood. Hij gaf hen voedsel en wat geld uit eigen zak.
Op oudejaarsdag arriveerden ook de andere vijf schepen met Van Warwijck en Van Heemskerck. Zij hadden niet Madagaskar maar een onbewoond vulkanisch eiland ten oosten daarvan bezocht, waar een overvloed aan drinkwater, vis en gevogelte bleek te zijn zodat 'al die cranck waren, weeder ghezont werden'. De vogel in kwestie was de dodo, en het eiland had men Mauritius genoemd. Van Neck besloot om ook de Friesland nog te laden, en dan met de overige nieuw gearriveerde schepen verder te varen naar de Molukken. De geladen schepen zouden terug gaan naar Nederland onder Van Warwijck en Van Heemskerck. Die vonden het echter een schande om terug te moeten keren met schepen die dankzij anderen waren geladen en waren erg 'animeus int voortvaren'. Van Neck besloot toen maar om zelf terug te keren. Een verzoek van de Bantammers om schepen in te zetten bij een aanval op Palembang wees hij na onderhandeling beleefd af.
Thuiskomst thumb|Terugkeer in 1599 door Cornelis Vroom|320x320px
Op de thuisreis liet Van Neck de kust van Sumatra aandoen waar de zieken aan wal werden gebracht en waar water ingeladen werd. Van Neck zelf ging ook aan land, alzo het landschap mij vermakelijk dachte. Na van een banket in de open lucht te hebben verteld onder schaduwrijke bomen, zegt hij: Uitermate contenteerde het gezicht de vruchtbare heuvelen en schone valleien. Daar zag men onder veel ombrose [schaduwrijke] bomen een rivierken zachtelijk henenvlieten; wat hoger, veel bezaaide akkers, divers van couleure, en opwaarts, het gebergte dat men de top door de wolken zag uitsteken. Langs de stranden daar de zee lieflijk op was spelende, kwamen veel van den lande, met haar dragende zeer goede vruchten die van de onzen werden gekocht en naar de schepen gevoerd die men daar sierlijk geankerd mocht zien tussen vele lustige eilanden.https://www.dbnl.org/tekst/nieu018oost02_01/nieu018oost02_01_0002.php. Gearchiveerd op 5 augustus 2023.
Hij kwam na 14½ maand met een rijke lading terug (onder andere 600.000 pond peper, (bij de aankoop gemengd met steentjes, zand en aarde), 250.000 pond kruidnagelen, 20.000 pond muskaatnoten en 200 pond foelie). Van Neck werd op 19 juli 1599 ingehaald met groot geclanck van acht Trompetten ende van Stadtswege met wyn beschonken ende men luyde van blydtschap alle de klocken.https://www.dbnl.org/tekst/algr001disp04_01/algr001disp04_01_0001.php. Gearchiveerd op 5 augustus 2023. In het geheel zijn 15 man onderweg gestorven. Van Heemskerck kwam met de Gelderland en de Zeeland op 19 mei 1600 in Nederland terug. Van Warwijck met de Amsterdam en de Utrecht in september. Alle schepen volgeladen met specerijen. De winst bedroeg na de teruggave der inleggelden 265%. De aandeelhouders ontvingen een flink dividend, waaronder ook de geograaf Petrus Plancius, die behalve kaarten en andere informatie over navigatie in Azië ook ƒ 50.000 in de onderneming had gestoken.
Toen de bewindhebbers van de Oude Compagnie de meegebrachte peper niet in het openbaar wilden veilen maar eerst onder elkaar verdelen, sprak de Amsterdamse kerkenraad over dit "monopolie met de peper" zijn afkeuring uit.Van Dillen, J.G. (1930) "Nieuwe gegevens omtrent de A'damsche Compagnieën van Verre", T.v.G. 45, p. 358-359.
Het succes van de tweede schipvaart leidde tot het uitrusten van nog meer schipvaarten door diverse voorcompagnieën. In Engeland leidde het tot de oprichting van de Engelse Oost-Indische Compagnie naar Hollands voorbeeld.
Vierde Schipvaart thumb|Obligatie van de VOC-kamer Middelburg aan burgemeester Jacob van Neck, 7 november 1622