Het Tweede Franse Keizerrijk (Frans: Second Empire) was het politieke en grondwettelijke bestel in Frankrijk tussen 1852 en 1870. Het keizerrijk werd uitgeroepen op 2 december 1852, toen de Franse president Lodewijk Napoleon Bonaparte zichzelf tot Keizer der Fransen maakte. Dit regime was de opvolger van de Tweede Franse Republiek en werd in 1870 opgevolgd door de Derde Franse Republiek.

Sinds de publicatie van het werk L'Histoire de la France contemporaine van de Franse historicus Ernest Lavisse wordt het Tweede Franse Keizerrijk geschiedkundig ingedeeld in twee periodes, namelijk het Autoritaire Keizerrijk (1852-1860) en het Liberale Keizerrijk (1860-1870)., 1986, p. 269.

Aan het Tweede Franse Keizerrijk kwam een einde door de afkondiging van de Derde Franse Republiek op 4 september 1870. Deze afkondiging volgde enkele dagen na de Franse nederlaag in de Slag bij Sedan op 1 en 2 september 1870, wat de definitieve Franse nederlaag betekende in de Frans-Pruisische Oorlog.

Ontstaan van het keizerrijk Staatsgreep van 2 december 1851

miniatuur|links|Cavalerie van generaal Armand-Octave-Marie d’Allonville in de straten van Parijs tijdens de staatsgreep van 2 december 1851. The Illustrated London News, 13 december 1851.

In 1848 was in de Februarirevolutie de Julimonarchie van koning Lodewijk Filips afgezet en vervangen door de Tweede Franse Republiek. Lodewijk Napoleon Bonaparte werd het volgende jaar tot president gekozen.

De staatsgreep van 2 december 1851 was de directe aanleiding tot de oprichting van het keizerrijk. President Lodewijk Napoleon Bonaparte en zijn omstaanders pleegden die dag een zelfcoup, die een einde bracht aan de machtsstrijd tussen de bonapartisten en de Ordepartij die was ontstaan na de Februarirevolutie. Waar de republikeinen zich beriepen op de grondwettelijke legaliteit om de republiek te verdedigen, zagen de bonapartisten de bevolking als de enige bron van legitimiteit. en , Histoire constitutionnelle et politique de la France (1789-1958), Montchrestien, Domat Droit Public, Parijs, 1998, p. 245. Daarom kondigden zij ook snel na de staatsgreep de herinvoering af van het algemeen stemrecht voor mannen, waar dat voordien beperkt was., Les Droites en France, Aubier, 1982, p. 110. In 1850 werd immers nog een wet aangenomen die het electoraat deed inkrimpen van 9 naar 6 miljoen kiezers en die een vaste verblijfplaats gedurende drie jaar als voorwaarde oplegde om te mogen stemmen. Na de staatsgreep bestendigde president Bonaparte zijn macht door de presidentiële ambtstermijn te verlengen tot 10 jaar.

De bestendiging van de macht van Lodewijk Napoleon Bonaparte en de invoering van het algemeen stemrecht voor mannen werden aan de bevolking voorgelegd in het plebisciet van 20 en 21 december 1851. Burgers konden zich bij wijze van geheime stemming uitspreken, terwijl mensen in dienst van het leger door middel van open registers dienden te stemmen., 2008, p. 194. Deze volksraadpleging voltrok zich echter in een context van onderdrukking van de republikeinse oppositie en censuur op kranten die het regime niet genegen waren., 2008, p. 193. De president kon in deze periode niettemin bogen op enige populariteit onder de bevolking. Mede door steun vanuit de geestelijkheid werden de nieuwe maatregelen, volgens de officiële resultaten van het regime, goedgekeurd met 7.481.231 stemmen voor en 647.292 stemmen tegen.

Grondwet van 1852

miniatuur|links|De tekst van de Franse grondwet van 1852.

Enkele jaren voor de staatsgreep had president Lodewijk Napoleon Bonaparte zijn visie op de caesariaanse democratie reeds op papier gezet in zijn werk Des Idées napoléoniennes, waarin hij beschreef dat in een regering in een democratie enkel de leider bestuursmacht toekomt, eerder dan aan het parlement. Hierbij kwamen de bonapartistische ideeën van een autoritair beleid in combinatie met volkssoevereiniteit reeds naar voren., 2006, p. 297. Op grond van dit gedachtegoed werd dan ook de antiparlementaire Franse grondwet van 1852 opgesteld. Deze werd op 14 januari 1852 afgekondigd, zeer kort na de staatsgreep van december 1851 en het plebisciet dat daarop volgde.

Deze grondwet legde de uitvoerende macht in handen van een president die voor 10 jaar verkozen was en enkel verantwoording verschuldigd was aan het Franse volk, dat hij steeds kon raadplegen met plebiscieten. De invloed van het parlement werd hierdoor sterk verminderd: men ging over van een parlementair naar een plebiscitair regime.

De president had ook als enige het wetgevend initiatiefrecht. In deze taak werd hij bijgestaan door de Raad van State, waarvan de keizer de leden (staatsraden) benoemde. Dit orgaan stelde de wetsontwerpen op. Na goedkeuring in het Wetgevend Lichaam bekrachtigde de keizer de wetten en kondigde hij ze af.

Het Wetgevend Lichaam werd verkozen op basis van algemeen stemrecht voor mannen, maar parlementsleden hadden geen initiatiefrecht. Zij konden enkel wetsontwerpen van de keizer goed- of afkeuren, maar geen eigen wetsvoorstellen neerleggen of wetsontwerpen van de keizer amenderen. De Senaat werd niet door de bevolking verkozen. Deze assemblee had de bevoegdheid om zogenaamde senatus consulta (enkelvoud: senatus consultum, een verwijzing naar het Romeinse Rijk) aan te nemen. Deze normen hadden kracht van wet en konden institutionele hervormingen en grondwetswijzigingen doorvoeren. De senatoren werden immers door de keizer benoemd voor het leven. De ministeriële verantwoordelijkheid gold bovendien niet ten aanzien van het parlement, maar ten aanzien van de keizer.

De keizer benoemde tevens de rechters en de hoge militaire gezagsdragers, die recht spraken en oorlog voerden in zijn naam. Hij kon tevens de oorlog verklaren en vredes- en handelsverdragen afsluiten. Alvorens in functie te treden, dienden alle verkozenen en ambtenaren een eed van trouw te zweren aan de keizer en aan de grondwet. De pers werd aan banden gelegd.

Later, op 4 december 1852, werd het Tweede Franse Keizerrijk officieel uitgeroepen en werd president Bonaparte keizer Napoleon III, precies 48 jaar nadat zijn oom Napoleon I zich had laten kronen, in een even theatrale vertoning. Hij legde het invoeren van het keizerrijk voor in het plebisciet van 21 en 22 november 1852. Deze volksraadpleging voltrok zich in een sfeer van angst voor anarchie.

Naar het keizerrijk Samen met het invoeren van de nieuwe grondwet evolueerde het statuut van de president van de Republiek in de richting van dat van een monarch: hij ondertekende documenten met de naam "Louis-Napoléon", liet zich aanspreken met Zijne Keizerlijke Hoogheid en zijn beeltenis verscheen op muntstukken en postzegels en de keizerlijke arend deed zijn herintrede in het staatswapen., 2006, p. 276-278. Het Burgerlijk Wetboek werd herdoopt tot Code Napoléon en 15 augustus, de dag van Sint-Napoleon, werd een nieuwe nationale feestdag., La Saint-Napoléon, Quand le 14 Juillet se fêtait le 15 Août, vertaald uit het Engels door Guillaume Villeneuve, Tallandier, Parijs, 2007, 294 p. ().

miniatuur|links|Intrede van president Lodewijk Napoleon onder de Arc de Triomphe in Parijs na zijn rondreis door Frankrijk eind 1852.

Op 29 februari en 14 maart 1852 werden respectievelijk de eerste en de tweede ronde van de parlementsverkiezingen georganiseerd, waarbij de samenstelling van het Wetgevend Lichaam werd vernieuwd. In het kader van deze stembusgang kregen de prefecten, de vrederechters en de administratie consignes mee om de zogenaamde candidats officiels (officiële kandidaten) te bevoordelen., 2006, p. 279. Zij dienden dan ook alles in het werk te stellen om de verkiezing van deze officiële kandidaten te faciliteren, door hen te subsidiëren, gunsten te verlenen, kiesfraude te plegen, alsook door intimidatie van overige, niet-officiële kandidaten van de oppositie en door het uitoefenen van druk van de notabelen op hun ondergeschikten. Officiële kandidaten waren kandidaten die werden gesteund vanuit het bonapartistische regime. Hoewel deze praktijken niet nieuw waren in Frankrijk, werden ze bij deze verkiezingen wel op een grotere schaal toegepast. Bij deze stembusgang kregen de officiële kandidaten 5.200.000 stemmen achter hun naam, terwijl de oppositiekandidaten 800.000 stemmen kregen. Onder de verkozenen van de oppositie bevonden zich 35 legitimisten (waarvan er drie officiële kandidaten waren), 18 onafhankelijke conservatieven, 17 orleanisten (royalisten), drie republikeinen en twee liberale katholieken. De drie republikeinse verkozenen, Hippolyte Carnot, Eugène Cavaignac en Jacques-Louis Hénon, weigerden de eed van trouw aan de keizer en de grondwet te zweren en konden derhalve geen zitting nemen in het Wetgevend Lichaam., 2006, p. 280.

Om de slaagkansen van het uitroepen van het keizerrijk af te toetsen, ondernam president Lodewijk Napoleon vanaf 1 september 1852 een reis doorheen gans Frankrijk. Met deze rondreis kon hij ook het enthousiasme van de Fransen tonen in het buitenland. In het najaar van 1852 kwam de president opnieuw aan in Parijs, waar hij onder de Arc de Triophe met keizerlijke allures werd ontvangen.

Op 7 november 1852 werd in de Senaat de keizerlijke waardigheid ingevoerd in de grondwet door middel van een senatus consultum dat werd goedgekeurd met 86 stemmen voor en één stem tegen. Twee weken later, op 21 en 22 november 1852, werd deze grondwetswijziging in een nieuw plebisciet voorgelegd aan de bevolking, waarbij 7.824.149 mensen voor stemden, 253.149 tegenstemden en twee miljoen mensen zich onthielden. In de departementen Vendée, Maine-et-Loire, Morbihan en Bouches-du-Rhône lag het aantal onthoudingen zelfs hoger dan 40%. Hierdoor werd het invoeren van de keizerlijke waardigheid in de grondwet goedgekeurd door de bevolking. Vanaf 2 december 1852 liet president Lodewijk Napoleon Bonaparte zich voortaan Napoleon III, keizer der Fransen noemen, exact één jaar na de staatsgreep, 47 jaar na de Franse overwinning in de Slag bij Austerlitz en 48 jaar na de kroning van Napoleon I in 1804.

Autoritaire keizerrijk

Evolutie in het keizerlijk bestuur Hoewel de staatsorganisatie van het Tweede Franse Keizerrijk sterk leek op die van het Eerste Franse Keizerrijk van Napoleon I (1804-1815), waren er enkele fundamenteel verschillende uitgangspunten. De taak van het tweede keizerrijk, zo stelde Napoleon III, was de bevolking te leiden naar gerechtigheid en eeuwige vrede. Als voorstander van het algemeen stemrecht voor mannen en als criticus voor oligarchische regimes in het recente Franse verleden die de sociale kwesties negeerde, legde Napoleon III er zich op toe beleid te voeren volgens de "napoleontische ideeën", met name volgens het gedachtegoed waarmee ook zijn oom Napoleon Bonaparte Frankrijk had bestuurd.

thumb|Portret van Napoleon III, Franz Xaver Winterhalter, 1855.