thumb|Drie schonen, Katsukawa Shuncho Ukiyo-e (Japans: 浮世絵, "prenten van de vlietende wereld") is een vorm van prentkunst uit Japan, die sinds het midden van de 19e eeuw door geïmporteerde houtsnedes ook in Europa populair werd en een grote invloed had op de diverse kunststijlen van het fin de siècle. Ukiyo-e kunnen ook tekeningen of schilderingen zijn, de grootste verspreiding vond dit populaire genre echter als drukwerk, Ukiyo-e hanga.

Oorsprong en geschiedenis thumb|150px|Tempelprent voor de Toshodaiji tempel, 13e eeuw (fragment) De Japanse prentkunst als ambachtelijk afgedrukte houtsnede (mokuhanga) komt voort uit religieus monnikenwerk. Voordat de houtsnedetechniek in de 17e eeuw werd ingezet voor de commerciële ukiyo-e hanga, kende Japan een eeuwenoude traditie van religieuze prenten en blokdruk. De introductie van de boekdrukkunst in Japan voltrok zich in de 8e eeuw via boeddhistische monniken uit China en Korea.

Het oudste tastbare bewijs van deze vroege drukkunst is de Hyakumantō Darani (百万塔陀羅尼) uit het jaar 770. In opdracht van keizerin Shōtoku werden één miljoen houten miniatuurpagodes vervaardigd, waarin telkens een met een metalen of houten blok gedrukte boeddhistische gebedstekst (darani) werd opgeborgen. Deze gebedsrollen behoren tot de oudste bewaard gebleven voorbeelden van mechanische drukwerkproductie ter wereld.

Tussen de 10e en 14e eeuw ontwikkelde de religieuze prentkunst zich binnen de kloosters verder. Monniken produceerden zogenaamde inbutsu (印仏): houtsneden en blokdruk-stempels met afbeeldingen van boeddhistische godheden en bodhisattva's, die herhaaldelijk op rollen papier werden gedrukt als religieuze handeling. Tijdens de Kamakuraperiode (1185–1333) leidde dit tot de productie van geïllustreerde sutraboeken (gebedsboeken), waarbij heilige teksten werden gecombineerd met gedrukte voorplaten van boeddhistische taferelen. Deze monniken legden daarmee de basis voor de latere bloei van de houtsnede als ukiyo-e hanga.

Edo-periode (1603–1867) Pas met de secularisering, de opkomst van de stedelijke burgerij en de commercialisering van de druktechniek rond het begin van de Edoperiode (1603–1867) verschoof het medium van boeddhistische iconen naar de weergave van de alledaagse, vliedende wereld. Als volkskunst was het voortdurend onderworpen aan de grillen van smaak en mode. Hoewel de prenten van grote artistieke kwaliteit zijn, werden ze op industriële schaal vervaardigd door professionele drukkers die een hoge mate van vakmanschap bezaten. De invloed van de kunstenaar op het eindresultaat varieerde. Vaak werkten zij in opdracht van de uitgevers. Sommige ontwerpen werden voorzien van uitgebreide kleurvoorschriften en van andere prenten zijn versies met verschillende kleurstellingen bekend. Ook is bij verschillende exemplaren van dezelfde houtsnede soms de slijtage van het houtblok zichtbaar.

thumb|Minnekozend paar achter een kamerscherm c. 1684 (Honolulu Museum of Art) De kunstvorm kwam tot volle wasdom in het Edo onder de Tokugawa's, het shogunaat dat alle edelen verplichtte een deel van hun tijd in de hoofdstad door te brengen en hen bovendien vrede oplegde. De motieven worden dan ook vooral bepaald door de voorkeuren van de adel, zoals bekende kabuki-acteurs en no-dansers in hun bekendste rol, minnekozende paren die door een dienstmeid worden gadegeslagen (Sugimura Jihei, tussen 1680 en 1697), en schonen in elegante kimono's. Daarnaast waren landschappen, met name die met de berg Fuji, een zeer geliefd onderwerp. Een voorbeeld daarvan is de serie Zesendertig gezichten op de berg Fuji door Hokusai.

Ukiyo De betekenis van het begrip ukiyo is in de loop van de tijd veranderd. Het had oorspronkelijk een boeddhistische betekenis en drukte het vergankelijke, vluchtige karakter van de werkelijkheid uit. Hoewel deze betekenis nooit helemaal verdween, verwees de term mettertijd steeds meer in overdrachtelijke zin naar een levensstijl, een rusteloos zoeken naar de vergankelijke vreugden van het leven. Ukiyo kreeg zelfs de betekenis van "gevaarlijk leven", "durf te leven", "pluk de dag".

Het achtervoegsel "-e" betekent in het algemeen "prent", maar niet persé drukwerk. Het begrip 'ukiyo-e' kan dus ook naar een schildering of een tekening verwijzen.

Productie van ukiyo-e thumb|Drukkers aan het werk Nadat de kunstenaar zijn ontwerp had vervaardigd, werd het op een gladgeschuurd houtblok geplakt, waarna eerst de grove vorm werd uitgesneden en later de details werden uitgewerkt. Voor een prent zijn meerdere blokken nodig, een voor elke kleur, die "register moesten houden", dat wil zeggen, precies over elkaar moesten passen. Hier speelde het vakmanschap van de houtsnijders een grote rol. Nadat de grove contouren waren uitgesneden, werden verschillende proefdrukken gemaakt, die dan werden gebruikt om de blokken voor de verschillende kleuren te snijden.

Bij het drukken zelf speelde de drukker de hoofdrol; hij moest gelijkmatig druk uitoefenen om egale vlakken te produceren, verschillende kleuren in elkaar laten overlopen om kleurschakeringen te krijgen, en zorgen dat alle kleuren goed op elkaar pasten. Opeenvolgende edities kunnen verschillende kleurschakeringen hebben, meestal afhankelijk van de uitgever.Zie bijvoorbeeld de commentaren bij de prenten in: Forrer, Matthi (1997). Hiroshige: prints and drawings, . De uitgever had altijd de touwtjes in handen bij commerciële prenten. Zij waren de opdrachtgevers die betaalden voor de geleverde diensten en bleven tevens eigenaar van de drukblokken.

In tegenstelling tot de Europese traditie werden Japanse houtsneden nooit met een mechanische, zware drukpers vervaardigd. Waar Europese kunstenaars vanaf de Renaissance (zoals Albrecht Dürer) tot in de 19e eeuw werkten met dunne metalen etsplaten van slechts enkele millimeters of houten drukplaten in gestandaardiseerde dikte in combinatie met vette drukinkten en zware mechanische persen, hanteerden Japanse drukkers een volledig handmatige methode.

Zij brachten transparante pigmenten op waterbasis aan op massieve, vier tot zeven centimeter dikke blokken van kersenhout. Deze ruime dikte was noodzakelijk om te voorkomen dat het hout door de watergedragen inkt krom zou trekken. Bovendien maakte de dikte het mogelijk om de blokken aan weerszijden te besnijden. Het vochtige moerbeipapier werd vervolgens handmatig op het blok geplaatst en aangewreven met een baren: een platte, ronde schijf van bamboeblad. Deze handmatige wrijftechniek gaf de drukker volledige controle over de subtiele opname van de inkt, wat verfijnde kleurverlopen (bokashi) en reliëfeffecten mogelijk maakte die met een Europese mechanische pers onhaalbaar waren.

Een onmisbaar element in de productie van de Japanse houtsnede is het gebruik van traditioneel handgemaakt papier, algemeen bekend als washi. Voor de Ukiyo-e en vooral voor Surimono werd vrijwel uitsluitend speciaal hōsho papier gebruikt dat gemaakt is van de binnenbast van de papiermoerbeiboom (kōzo).

De productie van dit papier is een arbeidsintensief proces waarbij de bast wordt gestoomd, gekookt en handmatig tot een vezelige brij wordt geklopt. De bijzondere eigenschap van deze moerbeivezels is hun lengte. Dit geeft het papier een uitstekende trek- en scheursterkte wanneer het vochtig is. Wanneer het papier nat wordt gemaakt voor het drukproces, verliest het tijdelijk zijn witte dekking en wordt het nagenoeg doorschijnend. Om te voorkomen dat de watergedragen inkten te diep in de vezels zouden trekken en uitvloeien, werd het papier vooraf behandeld met dōsa, een preparaat van dierlijke lijm en aluin.

Kalligrafie als primaire kunstvorm en de reproductie in print thumb|Kalligrafie stond in het hoogste aanzien Binnen de traditionele Japanse cultuur werd de kalligrafie (shodō) beschouwd als een fundamenteel hogere en meer elitaire kunstvorm dan de ukiyo-e, die door de maatschappelijke elite lange tijd als volksvermaak werd gezien. Kalligrafie gold als een spirituele en intellectuele discipline; de onomkeerbare penseelstreek op het absorberende washi-papier werd gezien als een directe reflectie van het karakter en de gemoedstoestand van de schrijver.

Om deze hooggewaardeerde handgeschreven gedichten en teksten te reproduceren voor de massamarkt, zoals bij de luxe surimono-prenten en geïllustreerde boeken (e-hon), was een uiterst verfijnde samenwerking nodig tussen de kalligraaf en de lettersnijder (sogata). De kunstenaar schreef de tekst eerst met penseel op doorschijnend papier, waarna de gespecialiseerde ambachtsman dit ontwerp achtersteboven op een kersenhouten blok lijmde. Met grote precisie sneed de snijder het hout rondom de inktlijnen weg.

Tijdens dit uiterst precieze werk plaatste de lettersnijder het houten blok vaak op een monomi (物見), een speciaal rond kussen dat gevuld was met zand of rijstkaf. Dit kussen diende als een flexibel scharnierpunt; in plaats van dat de snijder zijn mes in onnatuurlijke bochten moest wringen om de vloeiende, ronde lijnen van de kalligrafie te volgen, kon hij het zware houten blok zelf met zijn linkerhand soepel en vloeiend draaien tijdens het gutsen. Het mes behield hierdoor een stabiele, voorwaartse snijbeweging, terwijl het hout eronder meeboog met de dynamiek van de penseelstreek. Dit specifieke ambacht was zo ver ontwikkeld dat zelfs de kleinste haardikten, de textuur van de penseelharen en de subtiele vervagingen van opdrogende inkt (kasuri) exact in het hout werden gevangen, waardoor het gedrukte eindproduct de optische illusie van een origineel handgeschreven manuscript behield.

Prentmakers aan het werk

Invloed in Europa Ukiyo-e waren een inspiratiebron voor verscheidene impressionisten, onder wie Mary Cassatt, Vincent van Gogh, Claude Monet, Henri de Toulouse-Lautrec en Émile Bernard. Importeurs in Europa waren onder anderen de Ensors en de Haegemans, en de uit China afkomstige broers Frederick George Taen-Arr-Hee en Alfred George Taen-Hee-Tsen, die vanaf 1884 in Berlijn werkzaam waren. Daarvoor waren ze al in Groot-Brittannië actief. De broers Taen importeerden Aziatische levensmiddelen, dagelijkse gebruiksvoorwerpen en kunstvoorwerpen.

De artistieke herontdekking van deze prenten in Europa begon in 1856, toen de Franse schilder en etser Félix Bracquemond in de werkplaats van zijn drukker een zending Japans porselein uitpakte. Tussen het verpakkingsmateriaal ontdekte hij een deeltje van de Hokusai Manga. Hoewel het woord 'manga' tegenwoordig verwijst naar moderne stripboeken met doorlopende verhalen, betrof dit werk van Hokusai een vijftienledige encyclopedie van losse, humoristische schetsen en visuele modellenboeken voor zijn leerlingen. Gefascineerd door de radicale, schaduwloze beeldtaal introduceerde Bracquemond het werk binnen de Parijse avant-garde, hetgeen de basis legde voor de massale westerse fascinatie die bekendstaat als het japonisme. Grote internationale impulsen waren de wereldtentoonstellingen in Parijs (1867 en 1878) en de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling (Amsterdam) in 1883, waar het publiek massaal kennismaakte met de prentkunst.

Prominente Parijse kunsthandelaren zoals Hayashi Tadamasa en Siegfried Bing leverden topkwaliteit Ukiyo-e aan Europese musea en particuliere verzamelaars. In Nederland werd de markt in de beginperiode opgewarmd door gerenommeerde kunsthandels zoals Koninklijke Kunstzaal Kleykamp in Den Haag, die met gerichte exposities de basis legden voor de eerste Nederlandse verzamelingen.

Bekende kunstenaars per periode thumb|Katsushika Hokusai, De grote golf van Kanagawa (ca. 1830) thumb|Drie schoonheden, door Utamaro

Vroege periode (17e en vroege 18e eeuw) Hishikawa Moronobu (1618–1694) – Grondlegger van de ukiyo-e en de sumizuri-e. Sugimura Jihei (werkzaam 1680–1697) – Pionier in grootschalige, sensuele prenten. Torii Kiyonobu I (1664–1729) – Oprichter van de Torii-school, bekend om vroege kabuki-prenten. Ōmori Yoshikiyo (werkzaam 1700–1720) – Vroege meester van sumizuri-e en handgekleurde tan-e.