miniatuur|class=notpageimage|Percentages van de denominaties in het onderwijs in Nederland in 2020.

Het bijzonder onderwijs is een onderwijsorganisatievorm in Nederland voor scholen met een specifieke religieuze, levensbeschouwelijke of pedagogische grondslag. Het bijzonder onderwijs bestaat naast het openbaar onderwijs: onderwijs dat uitgaat van en bestuurd wordt door een overheid, vaak een gemeente. In Nederland worden zowel overheidsscholen en niet-overheidsscholen (bijzonder onderwijs) bekostigd door de overheid. Deze integrale bekostiging, die is ontstaan vanuit de Schoolstrijd, is in tegenstelling tot de meeste Europese landen, waar alleen openbare scholen volledig worden bekostigd.

Het bijzonder onderwijs wordt onderverdeeld in confessioneel bijzonder onderwijs (op religieuze of levensbeschouwelijke basis) en algemeen bijzonder onderwijs (niet-confessioneel). Van ouders wordt verwacht dat zij de visie en uitgangspunten van de school (de grondslag) onderschrijven. In Nederland vallen de meeste leerlingen onder het bijzonder onderwijs.

In 2020 ging 27% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs naar een openbare school, 21,5% naar een protestants-christelijke school, 23,5% naar een rooms-katholieke school en 28% naar een andere bijzondere schoolsoort. In het schooljaar 2023/2024 volgde 27% van leerlingen voortgezet onderwijs aan een openbare school.

Bijzonder onderwijs wordt soms verward met speciaal onderwijs (in Vlaanderen het buitengewoon onderwijs), onderwijs aan kinderen die vanwege leer- of gedragsproblemen, vanwege lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicaps of door gedragsstoornissen extra zorg op school nodig hebben.

Bijzonder onderwijs op religieuze of levensbeschouwelijke basis Dit onderwijs wordt gegeven op religieuze of levensbeschouwelijke basis, zoals:

Christelijk onderwijs Katholiek onderwijs: het katholiek onderwijs wordt geregeld door het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs (ARKO).Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs, 1987 Hierin wordt ook de bevoegdheid van de Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR)Nederlandse Katholiek Schoolraad (NKSR) geregeld. Protestants onderwijs Algemeen "Christelijk" onderwijs Evangelisch onderwijs Reformatorisch onderwijs Gereformeerd onderwijs Gereformeerd Vrijgemaakt onderwijs Interconfessioneel onderwijs Hindoeïstisch onderwijs Islamitisch onderwijs Joods onderwijs Humanistisch onderwijs: In 2017 is de eerste school met een humanistische grondslag gestart.

Algemeen bijzonder onderwijs Naast onderwijs op religieuze basis, bestaat er neutraal algemeen bijzonder onderwijs, vergelijkbaar met openbaar onderwijs. Een school op algemeen bijzondere grondslag is een openbare school met een eigen bestuur. Vroeger waren alle overheidsscholen openbare scholen. Met de komst van de algemeen bijzondere scholen is dat veranderd. Inmiddels vallen alle scholen in Nederland onder bestuursstichtingen. Ook het openbaar onderwijs is inmiddels niet meer strikt een overheidsaangelegenheid. Alle scholen die voldoen aan de accreditatie-eisen van de overheid, worden door de overheid bekostigd. Alle scholen, ongeacht of ze bijzonder, algemeen bijzonder of openbaar zijn, bieden onderwijs dat georganiseerd is op basis van een onderwijskundige methode:

Daltononderwijs Democratisch onderwijs Ervaringsgericht onderwijs Freinetonderwijs Iederwijs Jenaplanonderwijs Montessorionderwijs Nutsonderwijs Ontwikkelingsgericht onderwijs TOM-onderwijs: Team Onderwijs op Maat Van der Huchtonderwijs Vrijeschoolonderwijs

Bijzondere scholen kunnen ook een religieuze én een onderwijskundige grondslag hebben. Daarnaast kunnen openbare scholen ook een onderwijskundige grondslag hebben. Ook is het mogelijk dat confessioneel-bijzondere scholen en openbare scholen bepaalde aspecten van onderwijskundige ideeën toepassen in hun onderwijs zonder daarmee zichzelf te bestempelen als een school voor algemeen bijzonder onderwijs.

Geschiedenis

Tot 1920

Voor 1917 werden de bijzondere scholen niet volledig door de overheid gefinancierd. Daar kwam in dat jaar verandering in als gevolg van de schoolstrijd. In de Grondwet van 1917 introduceerde art. 192 de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Sindsdien werden scholen op godsdienstige grondslag volledig door de overheid bekostigd. In de grondwetwijziging in 1983 werd het artikel verplaatst naar het eerste hoofdstuk, als artikel 23. https://nederlandsegrondrechten.nl/grondrechten/204-artikel-23 1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.

2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.

3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.

4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.

5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.

6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.

7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbaar kas worden verleend.

8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.

Als gevolg van de grondwetswijziging van 1917 kwam in 1920 de nieuwe Lager onderwijswet tot stand. Hierin is de financiële gelijkberechtiging verder uitgewerkt.

De vrijheid van onderwijs staat in artikel 23 lid 2. De financiële gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen staat in artikel 23 lid 6 en lid 7. De inhoud van artikel 23 staat op het punt van de financiële gelijkstelling soms ter discussie.Vrijheid van onderwijs onder druk

1920–2021 Na de aanname van de Lager Onderwijswet van 1920 nam het aantal bijzondere scholen rap toe: nieuwe bijzondere scholen werden opgericht en bestaande kleine scholen werden uitgebreid. In 1876 was nog 76% van de scholen openbaar; dat nam af tot ongeveer een derde in de jaren 1930 en tot ongeveer 25% in 2017.

2021–heden In 2021 versoepelde minister van Onderwijs Arie Slob het stichtingsproces voor bijzondere scholen met de wet 'Meer ruimte voor nieuwe scholen'. Ondanks de wettelijk mogelijkheid, bleek het in de praktijk bijna nooit te lukken om een nieuwe bekostigde school te beginnen. Sindsdien is een onderwijskundig concept voldoende voor bekostiging, en is een combinatie met een erkende geloofs- of levensovertuiging niet langer verplicht.

Toezicht kwaliteit onderwijs De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs van openbare en bijzondere scholen. Ze bekijkt ook of er genoeg uren onderwijs (onderwijstijd) worden gegeven.

Discussiepunten

Gelijke behandeling

In 1994 werd in de Algemene Wet Gelijke Behandeling geprobeerd een evenwicht aan te brengen tussen de soms botsende rechten op gelijke behandeling, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vrijheid van onderwijs en vereniging. Een aantal instellingen ontvingen een uitgezondingspositie in de wet, waaronder het bijzonder onderwijs. Scholen mochten eisen stellen aan de godsdienstige overtuiging of de levensbeschouwing van leraren en leerlingen. Weliswaar is onderscheid op grond van het ‘enkele feit’ van ‘homoseksuele gerichtheid’ volgens de AWGB verboden, maar in geval van ‘bijkomende omstandigheden’ bleef het mogelijk om kandidaten te weren. Volgens D66-Kamerlid Van der Ham betekende het, "dat je wel homo mag zijn, maar daar niet voor mag uitkomen". Deze formulering bood de ruimte om via een omweg toch te discrimineren op basis van traditionele orthodox-religieuze concepties over seksualiteit, vrouwenrechten, echtscheidingen en ongehuwd samenwonen, de weging van nieuwe wetenschappelijke feiten en de visie op de schepping. In 2008 ontving Nederland kritiek van de Europese Commissie, als onderdeel van de inbreukprocedure, vanwege de wettelijke uitzonderingen. Vervolgens brachten de Commissie gelijke behandeling en de Raad van State adviesrapporten uit over het wetsonderdeel.

In 2009 stelden kamerleden van der Ham, Van Miltenburg, Klijnsma, van Dijk en Van Gent een nieuwe initiatiefwet voor om de enkele-feit-constructie te schrappen. In 2010 werd de "enkele feit"-constructie geschrapt uit de Algemene wet gelijke behandeling, waardoor een religieuze school docenten niet meer mochten ontslaan vanwege hun geaardheid.

Homoseksualiteit Sinds 1 februari 2006 zijn basisscholen verplicht om burgerschapsonderwijs (of burgerschapsvorming) te geven (Wet op het primair onderwijs, artikel 8 lid 3). Er is in de loop der jaren echter onduidelijkheid gebleven over wat en hoe dat precies gegeven moet worden, waarop Minister van Onderwijs Arie Slob in juni 2018 aangaf een aanvullende wet burgerschapsvorming te willen invoeren. Na verscheidene ontwikkelingen spitste de discussie rondom het wetsvoorstel zich in de zomer van 2020 vooral toe op de vraag op welke manier orthodoxe scholen met een christelijke, joodse en islamitische achtergrond moeten omgaan met homoseksualiteit. Sommige scholen meenden te mogen onderwijzen dat homoseksualiteit 'verderfelijk' is, maar volgens Slob strookte dat niet met het verbod op 'discriminatie op grond van seksuele oriëntatie, genderidentiteit en genderexpressie' (Artikel 1 Grondwet). Anderzijds mogen scholen vanwege de vrijheid van onderwijs (Artikel 23 Grondwet) wel 'openlijk uitdragen (...) dat het hebben van een homoseksuele relatie niet strookt met een leefwijze die de school passend acht vanuit de godsdienstige overtuiging van de school.'

Homoverklaringen van ouders Op 9 november 2020 ontstond er ophef nadat Minister Slob tijdens een Kamerdebat zei dat reformatorische scholen het recht hebben om van ouders een verklaring tegen homoseksualiteit te vragen. Dit recht zou voortvloeien uit de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienst. Een Kamermeerderheid nam een motie aan om de homoverklaringen af te schaffen. De volgende dag werd Slob in de ministerraad teruggefloten door die drie andere coalitiepartijen (VVD, CDA en D66), waarna hij zei dat de wetgeving diende te worden aangepast.

Weigerrecht of acceptatieplicht?