thumb|De Abdij van Buchau eind 19e eeuw. thumb|De stad Buchau en ommelanden in de 17e eeuw. De Abdij van Buchau was een tot de Zwabische Kreits behorend damessticht binnen het Heilige Roomse Rijk, gelegen in de plaats die nu Bad Buchau heet.
Geschiedenis van de Abdij
Omstreeks 770 werd het vrouwensticht door Adelinde, de vrouw van graaf Warin, gesticht op een voormalig eiland in de Federsee. Keizer Lodewijk I schonk het klooster bezittingen bij Mengen en Saulgau. Alle conventsdames en de abdissen in de Middeleeuwen behoorden tot de hoge adel. Omstreeks 1273 werd het klooster tot de Augustijner Orde gerekend, maar later is het een vrij kanunnikessensticht (1415 eclesia secularis). De voogdij was in handen van het Rijk.
In de late middeleeuwen vormde het sticht een klein territorium. Sinds 1347 noemde de rijksvrije abdis zich vorstin en zij eiste in de Kreitsdag een rang op voor de andere prelaten. Deze aanspraak werd niet erkend en na 1575 werd zij niet meer tot de rijksprelaten gerekend. Uiteindelijk nam zij een zetel in op de Zwabische gravenbank van de Rijksdag.
In 1625 viel de heerlijkheid Straßberg als vrijgekomen leen aan de abdij.
Paragraaf 13 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 kende de vorsten van Thurn und Taxis voor het verlies van hun inkomsten uit de rijkspost in de aan Frankrijk afgestane gebieden het volgende toe: het vorstelijk damessticht Buchau met de stad, de abdijen Marchtal en Neresheim, het bij Salmannsweiler behorende ambt Ostrach met de heerlijkheid Schemmelberg en de dorpen Tiefental, Frankenhofen en Stetten.
Artikel 24 van de Rijnbondakte van 12 juli 1806 stelde de voormalige abdij met uitzondering van de heerlijkheid Straßberg onder de soevereiniteit van het koninkrijk Württemberg. De heerlijkheid Straßberg kwam onder de soevereiniteit van het vorstendom Hohenzollern-Sigmaringen: de mediatisering.
Bezit heerlijkheid Straßberg Dürnau en Kappel, Kanzach, Betzenweiler en Streitberg heerlijkheid Oggelsbeuren, ambt Bierstetten Moosburg enige ambten in Mengen en Saulgau
Regenten thumb|180px|Maria Karolina van Königsegg-Rothenfels (r. 1742-1774). -1303: Adelheid I van Mastorff 1303-1329: Katharina I van Stoffeln 1329-1353: Anna I van Winberg 1353- : Adelheid II van Lupfen -1402: Anna II van Ruseck 1402-1410: Anna III van Gundelfingen 1410-1426: Agnes van Thengen 1426-1449: Clara van Montfort 1449-1496: Margaretha I van Werdenberg 1496-1497: Anna IV van Werdenberg 1497-1523: Barbara van Gundelfingen 1523-1540: Elisabeth van Hohengeroldseck 1540-1559: Margaretha II van Montfort 1559-1566: Margaretha III van Schwarzenberg 1566-1610: Maria Jakoba van Greyin 1610-1650: Katharina II van Grezlin (van Spaur) 1650-1669: Maria Franciska I van Montfort 1669-1692: Maria Theresia van Sultz 1692-1693: Maria Franciska II van Waldburg Zeil 1693-1742: Maria Theresia II van Montfort 1742-1774: Maria Karolina van Königsegg-Rothenfels 1775-1803: Maria Maximiliane Esther van Stadion
Buchau Buchau Buchau Buchau Categorie:Geschiedenis van Baden-Württemberg Buchau