Plantenmorfologie of fytomorfologie is de studie van de vormen, zoals de organen, bij planten. De plantenmorfologie bestudeert de bouw van organen en de afgeleiden daarvan (wortel, stengel en blad) en van de orgaanstelsels (zoals bloemen, vruchten, vertakking, bladstand, knopligging). In wijdere zin omvat het ook de histologie, de anatomie en de cytologie van planten. Bij beschrijvend morfologisch onderzoek wordt getracht een "type" te ontdekken of een gemeenschappelijk bouwplan voor de soorten op te stellen. Zo kan dus een samenvatting gegeven worden van homologieën, en van evolutionair te verklaren overeenkomsten.

Beschrijvende botanie

Een belangrijk onderdeel van de plantenmorfologie is de beschrijvende plantkunde, die zich bezighoudt met terminologie ten behoeve van de botanische beschrijving van planten, zoals zaadplanten, varens of mossen.

Botanische beschrijving van vaatplanten Bij de beschrijving van de vaatplanten worden achtereenvolgens levensduur en levensvorm, wortel, stengel, blad, bloem en vrucht beschreven 1968 Compendium van de Pteridophyta en de Spermatophyta.. Niet altijd komen alle organen en onderdelen daarvan voor. Er zijn ook gemodificeerde of afgeleide vormen van de 'standaard-vormen': zo heeft de bekerplant Nepenthes ook gemodificeerde bladuiteinden in de vorm van bekers.

Levenscyclus en levensduur

De levensduur van planten wordt ingedeeld op grond van het moment van bloeien en hoe vaak een plant in zijn leven bloeit (eenmaal bloeiend of meermalen bloeiend), en bij de laatste groep op grond van eventuele verhouting van de stengels (vaste plant of overblijvend kruid of houtige plant).

Levensvormen en groeivorm

Bij de beschrijving van de levensvorm wordt vaak de indeling naar Raunkiær gebruikt: fanerofyt, chamefyt, hemikryptofyt, geofyt, helofyt, hydrofyt.

Groeivormen worden meer naar behoefte onderscheiden, zoals naaldbomen, bladverliezende loofbomen, struiken, dwergstruiken, lianen, klimplanten, pollen, hoge kruiden, breedbladige kruiden, rozetplanten, grasachtige kruiden.

Hoofdorganen van de plant Als hoofdorganen van de zaadplanten worden beschouwd: de wortel, de stengel en het blad. Wortels en wortelgestel

Bij de beschrijving van de wortel wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdwortel en bijwortels. Er zijn ook gemodificeerde wortels, zoals wortelknollen. Verder is de eventuele secundaire diktegroei van belang.

Stengels en vertakking

De stengels en takken en hun vertakkingssysteem zijn verder van belang. Er zijn ook gemodificeerde bovengrondse of ondergrondse stengels, zoals uitlopers en wortelstokken. Op de knopen ontspruiten bladeren, soms in de vorm van schubben. In de bladoksels ontstaan uit meristemen de tak-knoppen of bloemknoppen.

Bladeren en bebladering

Bij bladeren zijn de knopligging (estivatie), de prefoliatie (ligging van bladeren), de bladstand (fyllotaxis) en de bladvormen van groot belang. De variatie in deze kenmerken is zeer groot. Er zijn ook gemodificeerde bladen. Bijvoorbeeld de bekerplant Nepenthes heeft gemodificeerde bladen in de vorm van bekers (ascidia), wat samenhangt met hun functie van val voor kleine dieren.

Bloemen en zaden Bloemen en zaden en vruchten spelen een rol in de geslachtelijke voortplanting van planten.

Bloemen en bloeiwijzen

Bloemen kunnen beschouwd worden als verkorte stengels met vruchtbare en onvruchtbare gemodificeerde bladeren. Ze spelen een rol bij het lokken van bestuivers.

Bloemen kunnen alleenstaand zijn of gerangschikt in bloeiwijzen. De bloemsteel is (indien aanwezig) vaak een gemodificeerde stengel.

Zaden en vruchten

Zaden worden gewoonlijk gevormd na de bestuiving en bevruchting van de eicel in de zaadknoppen, die zich bevinden in het vruchtbginsel. De vrucht kan zeer complex zijn, maar meestal zijn de volgende onderdelen te onderscheiden: zaad, zaadhuid, kiem of embryo met het pluimpje, 1 of 2 zaadlobben, het worteltje en het kiemwit of endosperm.

De zaden en vruchten spelen in de levenscyclus van zaadplanten een belangrijke rol bij de disseminatie.

Botanische beschrijving van varens

Omdat het bovenstaande bouwplan niet goed past voor de varens heeft Zimmermann de teloomtheorie opgesteld om een verklaring te geven voor de vormenrijkdom. Voor de sporen, sporangia en gametangia (archegonium en antheridium) is er aanvullende terminologie.

Botanische beschrijving van mossen, levermossen en hauwmossen thumb|400px|Levenscyclus van de mossen.

Mossen of Bryophyta worden hier opgevat in engere zin, dus naast de levermossen en de hauwmossen 1989 De Nederlandse Bladmossen. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging.. De morfologische beschrijving van mossen berust in veel sterkere mate op anatomische kenmerken dan die van de zaadplanten.

Gametofyt en mosplant De haploïde fase van de gametofyt begint met de door een meiose gevormde spore. Deze spore groeit uit tot een meer of minder vergankelijke voorkiem (meestal een protonema). Hierop groeien na enige tijd de mosknoppen, die zelf weer uitgroeien tot de bebladerde mosplanten. Rizoïden van de mosplant zorgen voor de vasthechting aan een substraat. De stengels kunnen weer op verschillende manieren vertakt zijn. Op de stengels en takjes staan de bladeren, waaraan weer verschillende onderdelen kunnen worden onderscheiden zoals bladbasis, oortjes, bladnerven, bladschede, bladschijf, bladschouder, bladtop, bladzoom, vleugels en lamellen.

De gametangiën (archegonium, antheridium) kunnen gegroepeerd zijn in gametoeciën, tezamen met de steriele parafysen. Voor de vegetatieve vermenigvuldiging dienen de broedlichamen en broedknoppen.

Sporofyt De diploïde generatie van de mossen is de sporofyt. De bevruchting van de haploïde eicel door een spermatozoïde levert een diploïde zygote. Hieruit groeit het embryo, dat zich verder ontwikkelt. De kapselsteel draagt aan het uiteinde het sporangium, sporogoon, of '(sporen)kapsel'. Het bij de bladmossen op de kapselmond aanwezige peristoom (mondbeslag) levert daarvan de meeste en belangrijkste diagnostische kenmerken op voor de beschrijving van de soorten.

Zie ook Symmorfologie