De Slag om Verdun (21 februari 1916 – 20 december 1916) was een van de bloedigste veldslagen uit de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Tot op de dag van vandaag staat hij symbool voor de zinloze slachting van mensenlevens.

Verdun als symbool Verdun had een grote symbolische betekenis voor het Franse volk. Al in de oudheid speelde het stadje door zijn strategische ligging aan de Maas een belangrijke rol in de verdediging van het achterliggende land. Attila de Hun heeft het stadje nooit kunnen innemen. Bij de opdeling van het rijk van Karel de Grote in 843 werd in het Verdrag van Verdun bepaald dat de stad onderdeel werd van het (Duitse) Heilige Roomse Rijk. Bij het Verdrag van Münster in 1648 werd Verdun definitief aan Frankrijk toegewezen.

Verdun speelde een zeer belangrijke rol in de verdedigingslinie die in de periode na de Frans-Pruisische oorlog (1870) werd gebouwd. Langs de Franse oostgrens werd, als bescherming tegen een Duitse bedreiging, een sterke fortengordel aangelegd tussen Verdun en Toul en tussen Épinal en Belfort. Verdun bewaakte de noordelijke toegang tot de Champagne-vlakte en daarmee de toegang tot Parijs.

Ook had Verdun in 1914 standgehouden tegen de aanvallen van de Duitsers en de forten rond Verdun hadden zelfs de beschietingen van de Dikke Bertha's doorstaan. Het garnizoen van Verdun was gehuisvest in de citadel van de stad, in de 17e eeuw gebouwd door Vauban. (Verdun) Aan het einde van de 19e eeuw was er een onderaards gangenstelsel aangelegd dat tijdens de slag dienstdeed als werkplaats, munitieopslag, hospitaal en rustplaats voor de Franse troepen.

thumb|rechts|Kaart van de forten rond Verdun Achtergrond van de slag De achtergrond van de slag lag in een poging van de Duitse legerleiding om het vastgelopen front in het Westen te doorbreken. De vuurkracht van de kanonnen was daarvoor groot genoeg, maar de beweeglijkheid van de troepen was veel te gering. Tanks en pantservoertuigen waren er (nog) niet en infanteristen konden te voet en zonder bepantsering niet snel genoeg over het stukgeschoten terrein vooruit komen. De oppermachtige mitrailleur (destijds de 'koningin van het slagveld') maakte dat onmogelijk.

De Duitse opperbevelhebber Erich von Falkenhayn had daarom bedacht dat alleen een 'leegbloedingstactiek' kans van slagen had. Hij zocht een plaats in de frontlijn die de Fransen tot het uiterste zouden verdedigen. Daar wilde hij constant aanvallen en zo de gelegenheid krijgen om het hele Franse leger uit te roeien. Hij vond die plek in Verdun, een roemrijke vestingstad die de Fransen nooit zouden opgeven. Daar besloot von Falkenhayn de aanval in te zetten.

De aanval zou vooraf worden gegaan door een moordend trommelvuur. De bedoeling was dat de linies zo platgewalst zouden worden door de granaten, dat de Duitse troepen de stellingen wandelend zouden kunnen innemen. Er werden grote onderaardse onderkomens (zg. Stollen) gegraven om hele eenheden tot vlak voor de slag verborgen te kunnen houden. Dat zou het verrassingselement van de aanval zeer vergroten. Er waren dan geen lange (en vanuit de lucht goed zichtbare) aanvals- en toevoerloopgraven nodig.

Inderdaad bleef het Franse opperbevel lang onkundig van het dreigende gevaar. Een plaatselijke Franse commandant, luitenant-kolonel Emile Driant, had eind 1915 informatie ontvangen die hem ervan had overtuigd dat een grootschalige Duitse aanval rond Verdun op handen was. Hij probeerde op allerlei manieren het opperbevel wakker te schudden: Hij waarschuwde gekozen functionarissen en zelfs president Raymond Poincaré over de staat van verdediging in het gebied. Op 1 december bracht hij dit ter sprake in de Legercommissie van de Kamer. Minister van Oorlog Joseph Gallieni schreef hierop op 16 december Joseph Joffre, die dit slecht opvatte en zijn ontslag aanbood.

Pas in februari 1916 (toen de Duitse aanval alleen nog vanwege het slechte weer werd uitgesteld) kreeg het Franse hoofdkwartier in de gaten dat er iets groots stond te gebeuren en besloot men extra versterkingen naar Verdun te sturen. Het was maar nauwelijks op tijd. De Duitse aanval had op 12 februari 1916 moeten beginnen, maar begon uiteindelijk pas op 21 februari. De operatie droeg de sinistere naam Gericht, dat 'oordeel' betekent, maar ook 'plaats van terechtstelling'. De slag bij Verdun zou de definitieve afrekening moeten worden met het Franse leger.

De eerste aanvallen thumb|rechts|Frontbewegingen tijdens de slag thumb|rechts|Franse soldaten in de loopgraven tijdens de Slag om Verdun Op 21 februari 1916 om 07.15 uur Franse tijd (de Duitse tijd was 1 uur later) braakten 1220 kanonnen hun vuur uit over de Franse linies voor Verdun. Het kanonvuur was zo hevig, dat het onderaards gerommel en gedreun tot op 170 kilometer rond Verdun te horen en te voelen was. Tot in Trier, Saarbrücken en Parijs trilde de lucht en rinkelden de ramen. Franse vliegeniers, die tijdens het bombardement boven Verdun vlogen, vertelden dat ze gigantische vlammen- en rookzuilen gezien hadden en dat het front eruitzag als was het een rokende industriestad. Dat komt overeen met de opmerking van generaal Pétain, die schatte dat er alleen al op die eerste dag een miljoen granaten werden afgevuurd.

Het bombardement duurde (vanaf 07.15 uur) bijna vijf uur aan een stuk, tot 12.00 uur. Toen werd er een korte vuurpauze ingelast om de overlevenden te verleiden uit hun schuilplaatsen te klimmen om wat bij te komen van de verschrikkingen van het trommelvuur. Ze zouden dan na 10 minuten met nog zwaarder kanonvuur alsnog worden vernietigd. Na de pauze ging het bombardement verder tot omstreeks 16.30 uur.

Daarop begon de infanterieaanval. De Duitse soldaten klommen uit de aanvalsloopgraven en begonnen het kapotgeschoten terrein over te steken. De eerste honderden meters gebeurde er niets. Het kanonvuur had de eerste Franse linies volledig verwoest. Maar bij de tweede verdedigingslinie ging het anders: er bleken nog wel degelijk overlevenden te zijn, die zich furieus verweerden. Buiten dat het bombardement veel Fransen gedood, verwond of verdoofd had, had het de overlevenden vervuld met een woede en razernij die hen deed vechten tot het uiterste.

Op het eind van de eerste dag hadden de Duitsers ongeveer twee kilometer terrein gewonnen. Toch was men op meer tegenstand gestuit dan verwacht. Ook waren de verliezen hoger dan oorspronkelijk gedacht. Een heel klein voorteken van wat komen ging.

Twee bataljons lichte infanterie, de 56e en 59e Bataillons de Chasseurs à Pied (BCP; jagers te voet) onder luitenant-kolonel Émile Driant, verdedigden een klein bos ten noordoosten van Verdun dat het Bois des Caures (Hazelnootbos) heette. Tijdens het bombardement van 21 februari werden meer dan 80.000 granaten (10.000 ton aan explosieven) afgevuurd op een stukje grond niet groter dan één vierkante kilometer. Het is te begrijpen dat er van het bos en de meeste Chasseurs weinig overbleef. Het handjevol mannen dat het bombardement echter wel had overleefd, kwam versuft tevoorschijn en probeerde een verdediging van het 'bos' op te zetten. Ondanks een barrage van negen uur verdedigden de Fransen hardnekkig elke krater en elke vernielde loopgraaf die ze maar konden vasthouden. Sergeant Léger en vijf Chasseurs verdedigden vijf uur lang Abris 17, een geïsoleerde schuilplaats, tot hun munitie opraakte. De Duitsers waren verbaasd dat ze nog onder vuur werden genomen door machinegeweren, maar passeerden snel Driant's Chasseurs op beide flanken. De volgende ochtend, 22 februari, waren zijn mannen aan drie kanten omsingeld. Aan het eind van de dag waren de Duitsers zelfs geïnfiltreerd in het bos achter de twee bataljons, en rond 16.30 uur gaf Driant aan zijn overgebleven soldaten de order om terug te trekken. Terwijl hij de eerstehulppost verliet werd Driant geraakt door een scherffragment en viel dodelijk gewond neer. Zijn laatste woorden waren naar verluidt: Oh! Là, mon Dieu ('Oh! Daar, mijn God'). Van de 1200 Chasseurs wisten rond de 400 de Franse posities bij het dorp Beaumont te bereiken. De heldhaftige verdediging van het Bois des Caures had de Duitsers echter wel 24 uur vertraging opgeleverd, en de overige Fransen bij Verdun de kans gegeven zich voor te bereiden op een aanval.

Generaal Pétain en de Voie Sacrée thumb|Generaal Pétain Aan Franse kant heerste echter paniek, zowel in het algemeen hoofdkwartier in Chantilly, als in de staf van generaal Herr, verantwoordelijk voor de Région fortifiée de Verdun. Hoewel de dreigende Duitse doorbraak niet aan hem verweten kon worden, werd de generaal nu wel geslachtofferd. Op 25 februari kon hij afreizen naar Limoges, een garnizoensplaats waarheen generaals werden overgeplaatst die gefaald hadden. De opperbevelhebber, generaal Joseph Joffre, maakte vaak gebruik van die mogelijkheid. In het Frans werd het zelfs tot een staande uitdrukking: 'limoger'.

Een nieuwe plaatselijke bevelhebber werd benoemd: generaal Philippe Pétain. Hij kreeg de opdracht, die Von Falkenhayn voorzien had. Pétain moest ten koste van alles de rechter Maasoever tegen de Duitse aanvallen verdedigen. Hij vestigde zijn hoofdkwartier in Souilly (ten zuiden van Verdun). Daarna moest hij vijf dagen het bed houden wegens een hevige en levensgevaarlijke longontsteking. Ter wille van het moreel werd dit feit voor de troepen verborgen gehouden.

Op 28 februari trad plotseling de dooi in. De aanvoer van troepen en voorraden naar Verdun dreigde hopeloos vast te lopen. De belangrijkste aanvoerroute, vanaf Bar-le-Duc naar Verdun, bleek één grote modderpoel te worden. thumb|250px|La Voie Sacree

Toen gaf Pétain zijn beroemde bevel: territoriale troepen (een hulpkorps van semi-militairen en oudgedienden) moesten 24 uur per dag met schoppen steenslag op de weg gooien, zodat die door de massieve banden van de vrachtwagens zou kunnen worden vastgereden. Kapotte vrachtwagens moesten in de berm geduwd worden, zodat de stroom van voertuigen onophoudelijk zou kunnen doorgaan. Dat werkte. Dag in, dag uit, vanaf februari 1916 tot september 1916 reden de vrachtwagens af en aan in twee eindeloze rijen. Rechts naar Verdun toe, links van Verdun af. In de acht dagen tot 6 maart reden 3500 vrachtwagens 190.000 man en 23.000 ton munitie naar het slagveld. Men heeft berekend dat op het hoogtepunt van de slag elke 14 seconden een voertuig voorbij reed, wat uitkomt op 250 vrachtwagens per uur.

Politicus Maurice Barrès gaf de toevoerroute naar de slag de naam Voie Sacrée, naar de via sacra, de antieke benaming van de weg waarlangs de offerdieren in de oudheid naar het altaar werden gebracht. Tijdens de slag bij Verdun zijn in totaal 2.000.000 Franse soldaten langs deze weg vervoerd, samen met meer dan 1.000.000 ton munitie. En voor 400.000 man werd de Voie Sacrée inderdaad een 'offerweg'.

De val van Fort Douaumont thumb|Fort Douaumont einde 1916 Intussen waren de zaken voor de Duitsers aanzienlijk beter gegaan dan voor de Fransen. Na de hevige gevechten vanaf 21 februari waren de Duitse troepen over vrijwel het hele front aan de rechterkant van de Maas tot zo'n 8 kilometer dichter bij Verdun gekomen. En op 25 februari kon men zelfs beginnen aan de aanval op het grootste en sterkste fort in de verdedigingslinie rond Verdun, Fort Douaumont. De Duitsers rekenden erop dat ze bij de verovering duizenden, misschien wel tienduizenden soldaten zouden kunnen verliezen. Maar de geschiedenis verliep anders.

In het begin van de Eerste Wereldoorlog hadden de Duitsers de Belgische forten van Namen, Luik en Antwerpen met hun zware (Dikke Bertha) mortieren aan puin geschoten. Vandaar dat de Fransen meenden, dat de forten hun tijd hadden gehad. En de regering besloot (tijdens de oorlog!) om alle forten te ontmantelen. Op het moment van de Duitse aanval werd Douaumont derhalve slechts bezet door ongeveer 60 lichtbewapende, bijna pensioengerechtigde, territoriale soldaten, die eigenlijk alleen het onderhoud aan de gebouwen uitvoerden.