Een schildersdorp was een dorp waar veel kunstenaars op enig moment naar toe trokken (meestal schilders) en daar tegelijkertijd voor kortere of langere tijd woonden/werkten. Ook landelijk bekende kunstenaars deden dat. Het dorp en zijn omgeving vormden belangrijke thema’s in het geproduceerde werk, en er was soms ook sprake van stijlovereenkomsten tussen de in een schildersdorp gevestigde kunstenaars.
Ontstaan In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden er op verschillende plaatsen in Europa concentraties van beeldende kunstenaars. Vaak werden geïsoleerd gelegen plaatsen gekozen om in afwijking van de heersende artistieke normen te experimenteren met nieuwe uitdrukkingsvormen. In de snel industrialiserende samenleving van de 19e eeuw vormden kleine plattelandskernen in een aantrekkelijke omgeving ideale plaatsen om afstand te nemen van de drukte van alledag. De kunstenaars zochten in de ongerepte natuur of de lokale bevolking inspiratie voor hun werk.
Het klassieke voorbeeld van een schildersdorp is het Franse Barbizon, gelegen aan de rand van de bossen van Fontainebleau. Vincent van Gogh schreef over Barbizon: ‘Die daar oorspronkelijk begonnen, toen ze er kwamen, lang niet allen waren uiterlijk wat ze au fond wel waren. Het land vormde hen, zij wisten alleen: in de stad deugt het niet, ik moet naar buiten; zij dachten, stel ik me voor, ik moet werken leeren, iets heel anders, ja tegenovergestelds worden van wat ik nu ben. Zij zeiden: nu deug ik niet, ik ga mij vernieuwen in de natuur’ (Sillevis, 1985/86, 7.).
Soms is de verbondenheid van de kunstenaars en de stijlverwantschap zo groot, dat men spreekt van een kunstenaarskolonie. Strikt genomen veronderstelt een kunstenaarskolonie een zekere mate van geslotenheid ten opzichte van de omgeving. Daarom is er eigenlijk in Nederland geen sprake geweest van kunstenaarskolonies, wel van schildersdorpen.
Nederlandse schildersdorpen Bergen Bergen in Noord-Holland was een van de broedplaatsen van het Nederlandse expressionisme. De in deze stijl werkende schilders uit de periode 1910-1930 worden gerekend tot de Bergense School.
Al in de 18e eeuw was de bosrijke omgeving van ‘Rampenbosch’ en ‘Het Hof’ een dankbaar onderwerp voor topografische tekenaars. In het begin van de 20e eeuw werd Bergen aantrekkelijk als toeristische bestemming en bovendien kwam het dorp in trek als woonplaats. In 1907 vestigden schilders als Etha Fles en Dirk Smorenberg zich in Bergen en na 1910 kwam de stroom van schilders en letterkundigen goed op gang. Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst gingen er wonen, later ook Adriaan Roland Holst, die in 1970 tot ereburger van Bergen werd benoemd. Arnout Colnot en Dirk Filarski kwamen in 1910 gevolgd door Leo Gestel in 1912 en Matthieu Wiegman en Piet Wiegman in 1913. Nog iets later kwam Charley Toorop. Belangrijk was de komst van de verzamelaar Piet Boendermaker in 1917. Hij kocht in 1917 Huize De Klomp en breidde de villa uit met een zaaltje waar zijn groeiende verzameling van schilders van de Bergense School ondergebracht werd. In 1928 werd in de tuin van deze villa de Kunstzaal gebouwd. Momenteel is veel werk van de Bergense School te zien in het Museum Kranenburgh, dat op 29 april 1993 werd geopend, op initiatief van drie Bergense kunstenaars: Karel Colnot, David Kouwenaar en Kees den Tex.
Tussen 1916 en 1919 was in Bergen De Nieuwe Kring actief, een groep van kunstenaars en filosofen, die zich zorgen maakten over de maatschappelijke ontwikkeling. Erg bepalend voor de ideeën van De Nieuwe Kring waren de opvattingen van de literator Charles Wijnschenk Dom en de wiskundige (en latere benedictijn) Pieter Talma. Hun ideeën blijken uiteindelijk door de andere leden van dit gezelschap niet uitgevoerd te kunnen worden, waardoor De Nieuwe Kring uiteenviel. Schilders die tot deze kring behoorden waren Henri ten Holt, Jaap Weijand, Thé Lau en Matthieu Wiegman. Ook de beeldhouwer John Rädecker en de componist Jacob van Domselaer waren lid. Met betrekking tot de bouwkunst moet het Park Meerwijk worden genoemd. Hier staan 17 villa’s gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. Het villapark, thans gedeeltelijk rijksmonument, was een initiatief van de tegelhandelaar Arnold Heystee. Het park werd in 1918 geopend.
Domburg thumb|300px|right|Het Marie Tak van Poortvliet museum in Domburg Als schildersdorp kende Domburg zijn bloeiperiode tussen 1900 en 1920. Jan Toorop, die in die tijd werd gezien als een vernieuwer en op het toppunt van zijn roem was, woonde na 1903 vele zomers in Domburg. Hij werd al spoedig het middelpunt van een grote kring schilders en schrijvers. Tot de kring rondom Toorop behoorden: Lodewijk Schelfhout, Conrad Kickert, Henri Le Fauconnier, Jacoba van Heemskerck, Otto van Rees, Ferdinand Hart Nibbrig. Piet Mondriaan kwam in 1908 naar Domburg. Hij was zeer geïnteresseerd in de ideeënwereld van de theosofie onder andere te zien in zijn drieluik ‘Evolutie’ uit 1911. Vergelijkbare denkbeelden waren te vinden bij Jacoba van Heemskerck en haar vriendin Marie Tak van Poortvliet. Deze waren aanhangers van de antroposofische leer van Rudolf Steiner, waarin kleur een grote rol speelde.
Mies Elout-Drabbe was een leerlinge van Toorop. Haar atelier werd een trefpunt voor de Domburg bezoekende schilders en schrijvers (onder de laatsten Arthur van Schendel en Rik Roland Holst).
Domburg was tijdens de Eerste Wereldoorlog een toevluchtsoord voor uit België gevluchte kunstenaars. Onder hen Maurice Góth en Ada Góth-Löwith, die met hun dochter Sárika in augustus 1914 uit België waren gevlucht. Zowel Maurice als Ada Góth en Sárika Góth namen deel aan de bekende Domburgse tentoonstellingen in de periode 1911-1921. Het tentoonstellingsgebouwtje stond tegenover het Badpaviljoen en het deed dienst als expositieruimte voor de ‘Walchersche schilders’. Na zware stormen in de winter van 1921-22 werd het gesloopt. Een replica van het oude tentoonstellingszaaltje werd achter de Ooststraat gebouwd. Het dient sinds 1994 als onderkomen voor het Marie Tak van Poortvliet Museum.
Katwijk De bedrijvigheid op het Katwijkse strand heeft al sinds de 17de eeuw aantrekkingskracht uitgeoefend op schilders. Onder meer Jan van Goyen, uit het naburige Leiden, maakte er schetsen op zijn tochten door Nederland. Voor zover nu bekend, zijn er in Katwijk meer dan 1100 kunstenaars aan het werk geweest, de meeste tussen 1870 en 1914. In een tweetal hotels vonden zij onderdak. Een aantal schilders liet aan de boulevard een huis bouwen. Naast Nederlandse schilders zoals Jan Toorop, Willy Sluiter en Jozef Israëls woonden en werkten er ook voor korte of langere tijd Duitse schilders als Hans von Bartels, German Grobe en Gerhard 'Morgenstjerne' Munthe en de Amerikanen Castle Keith en Mülerrt. Maar er waren er ook die afkomstig waren uit Engeland, België en Frankrijk en zelfs uit Japan. Zo ontstond de kunstenaarskolonie Katwijk. Verenigd in de 'Kunstvereeniging Katwijk' organiseerden zij in een gebouw aan de boulevard een aantal gezamenlijke tentoonstellingen. De Eerste Wereldoorlog en het langzaam aan verdwijnen van de bomschuiten op het strand maakte aan dit alles een eind. Veel schilderijen uit die tijd zijn ondergebracht in het Katwijks Museum.
Laren Tussen 1880 en 1920 was Laren (inclusief het aangrenzende Blaricum) een geliefde woonplaats voor kunstenaars, filosofen en maatschappijhervormers. Men discussieerde er over alternatieven voor de kapitalistische samenleving, waardoor Laren een broedplaats voor allerlei maatschappijvernieuwende bewegingen kon worden. Opvallend was het samengaan van politiek engagement met kunst en cultuur. Bekend was de in 1899 tot stand gekomen Idealistische Kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum met als centrale figuur de Amsterdamse hoogleraar Jacob van Rees. Overigens is er niet steeds sprake geweest van sterke onderlinge contacten tussen schilders en maatschappijhervormers.
In Laren zijn meerdere generatie schilders actief geweest: 1870-1890 Jozef Israëls, Albert Neuhuys, Anton Mauve, Hein Kever, Evert Pieters, Wally Moes, Etha Fles en Arina Hugenholtz 1890-1910 Jan Veth, R.N. Roland Holst, Ferdinand Hart Nibbrig, Gijs Bosch Reitz, Antoon Derkinderen en Gust van de Wall Perné 1910-1930 Bart van der Leck, Jan Sluyters, Frits van den Berghe, Gustave de Smet, David Schulman, Gerbrand van Schagen en Herman Kruyder
In Laren woonden ook befaamde kunstverzamelaars zoals Pierre Alexandre Regnault en het echtpaar William en Anna Singer. Laatstgenoemden vestigden zich in 1901 in Laren en bouwden er hun villa De Wilde Zwanen, dat nu onderdeel is van Singer (Laren).
Plasmolen Er vestigden zich vanaf 1900 vele kunstenaars in de natuur rondom het dorp Plasmolen. Jacques van Mourik (1879-1971) was een van hen en zijn aanwezigheid deed in de jaren 1900-1940 meer kunstschilders besluiten zich in deze omgeving te vestigen. Van Mourik geldt dan ook als de nestor van schildersdorp de Plasmolen. Het was het enige kunstenaarsdorp dat in de provincie Limburg ontstond. Van een "Plasmolense School" is geen sprake omdat alle kunstenaars, hoewel de meesten de ongerepte natuur als inspiratiebron hadden, werkten in hun eigen stijl en volgens hun eigen voorkeuren.
Tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de groep behoren naast Van Mourik: Dirk Ocker, Gerard Cox sr., Julius Brouwers, Leo Niehorster, Theo Deckers, Peter Job en Jopie van Kampen. Met de dood van Jacques van Mourik verdween de laatste vertegenwoordiger van de eerste kunstenaarsgroep. In 1992 is de Stichting Jacques van Mourik opgericht. De stichting beheert een collectie werken en een uitgebreide documentatie.
Volendam Een bijzondere situatie levert Volendam op. Toen het vissersdorp door de komst van een stoomtram bezoekers begon te trekken, waren onder hen veel kunstenaars. Leendert Spaander speelde daarop in door een hotel te openen met daarin atelierruimte. Hotel Spaander was decennia lang een culturele broedplaats, waar de klanten regelmatig betaalden met schilderijen, zodat er zich een collectie vormde.Jan Brokken: De ontdekking van Holland. Atlas Contact, 2024,
Belgische schildersdorpen Sint-Idesbald thumb|left|Het Delvauxmuseum in Sint-Idesbald Rond 1900 ontstond in de West-Vlaamse kustgemeente Koksijde een nieuwe badplaats: Sint-Idesbald. Oorspronkelijk heette dit plaatsje Zeepanne-Baden, maar door de architecten en promotoren kreeg het zijn huidige naam aangemeten. Door de komst van beeldhouwer George Grard werd de start gegeven van de ontwikkeling van dit badplaatsje tot kunstenaarsoord. Al snel zouden namen als Paul Delvaux bij hem komen logeren en er later zijn eigen atelier bouwen. Deze laatste heeft hier trouwens nog altijd zijn museum: Het Paul Delvaux Museum, in het pittoreske Vlierhof. Op de gevel van het atelier van Grard schilderde Delvaux als oefening voor het casino van Oostende enkele zeemeerminnen, inmiddels verbleekt tot schimmen maar nog steeds te zien vanop de weg. In het atelier kwamen onder meer Edgar Tytgat en Constant Permeke langs, maar ook Pierre Caille, Eddy van Vliet en zo voort. Het George Grard museum dat zich voorheen in Gijverinkhove bevond zal zich tegen 2012 naar Sint Idesbald verplaatst hebben. Andere bekende Sint Idesbaldse kunstenaars zijn bijvoorbeeld Begga D'Haese (zij woonde hier geruime tijd met haar man Dr Herman Le Compte). Ook Herman Teirlinck had hier zijn buitenverblijf, een modernistische woning ontworpen door Victor Bourgeois. Schrijver Willem Elsschot bouwde hier zijn villa "Kerkepanne" en bracht hier vanaf 1928 tot aan zijn dood in 1960 zijn zomers door. Andere bekende inwoners zijn Jef Lambeaux, Paul Haesaerts, Taf Wallet, Julien Dillens, Fred Wallecan, Jan van Looy, Jan Poot en Walter Villain. Enkele gegidste wandelingen, georganiseerd door de Koksijdse cultuurdienst, passeren langs deze woningen. Zie ook School van Sint-Idesbald
Sint-Martens-Latem thumb|St. Martens-Latem in 2008