Nederlands-Nieuw-Guinea was van 1949 tot 1962 een overzees gebiedsdeel van het Koninkrijk der Nederlanden. Het omvatte het westelijk deel van het eiland Nieuw-Guinea dat gelegen is in het werelddeel Oceanië.
Voor 1949 maakte het gebied deel uit van Nederlands-Indië. Bij de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië behield Nederland Nieuw-Guinea. De motiveringen van de Nederlandse regering hiervoor wisselden herhaaldelijk. Het Nederlandse beleid werd daarbij sterk bepaald door de houding van Nederland ten opzichte van Indonesië. Enerzijds wilde men Nieuw-Guinea gebruiken als Nederlandse invloedssfeer in de regio. Anderzijds wilde men door Nieuw-Guinea te "ontwikkelen" en de Papoea-bevolking te emanciperen bewijzen dat Nederland als koloniale mogendheid niet had gefaald.
Indonesië eiste Nieuw-Guinea op. Het geschil over dit gebied droeg in belangrijke mate bij tot de snel verslechterende relatie tussen Nederland en Indonesië na de onafhankelijkheid van dat land. In 1962 droeg Nederland onder druk van de internationale gemeenschap en een dreigende oorlog met Indonesië Nieuw-Guinea de facto over aan Indonesië.
Nieuw-Guinea in Nederlands-Indië thumb|left|300px|Het schiereiland Vogelkop Nederland eiste de soevereiniteit over Nieuw-Guinea binnen Nederlands-Indië op via zijn heerschappij over het sultanaat Tidore. Dit was een sultanaat op een Moluks eiland ten westen van Halmahera. In 1660 sloot de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) een verdrag met dit sultanaat, waarbij ze haar gezag over de Papoea's, de bevolking van Nieuw-Guinea, erkende als protectoraat. Dit sloeg waarschijnlijk op enkele Papoease eilanden in de buurt van de Molukken. In 1828 vond een Nederlandse expeditie plaats die zowel politiek gemotiveerd was als met het doel wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Fort Du Bus werd op de zuidkust als bestuurspost ingesteld aan de Tritonbaai, vernoemd naar het korvet waarmee de expeditie reisde. De vesting werd in 1836 opgeheven. Behalve het gezag over een paar westelijk gelegen eilanden, had het sultanaat Tidore verder nooit gezag over Nieuw-Guinea uitgeoefend en moest de status van protectoraat als een juridische fictie worden beschouwd. In 1872 erkende Tidore de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden en gaf het Nederland toestemming bestuur te vestigen in zijn gebieden, wanneer het Nederlands-Indische gouvernement daartoe de behoefte voelde. Daarmee kon Nederland een aanspraak op het gebied Nieuw-Guinea dus rechtvaardigen. De 141ste meridiaan werd als oostgrens gesteld en in 1898 ging het gouvernement ertoe over bestuursposten te vestigen in Fakfak en Manokwari, en in 1902 in Merauke. Dit gebeurde voornamelijk wegens gebiedsuitbreiding door de Britten en de Duitsers in het oosten; men wilde voorkomen dat Groot-Brittannië en Duitsland de grens te veel naar het westen zouden opschuiven. Hiermee werd het eiland Nieuw-Guinea dus in tweeën gedeeld.
Bestuurlijke indeling vóór 1949
Bij deze bestuursvestiging werd het Nederlandse deel van Nieuw-Guinea in 1898 bestuurlijk verdeeld in twee afdelingen: Noord-Nieuw-Guinea, bestuurd vanuit Manokwari, en West- en Zuid-Nieuw-Guinea, bestuurd vanuit Fakfak. Beide afdelingen vielen onder de residentie Ternate en Onderhorigheden. In 1901 werd West- en Zuid-Nieuw-Guinea gesplitst in de afzonderlijke afdelingen West-Nieuw-Guinea en Zuid-Nieuw-Guinea. Voor Zuid-Nieuw-Guinea werd Merauke als bestuurszetel aangewezen; in 1902 werd daar de bestuurspost gevestigd.
Met ingang van 1 april 1920 werden de verschillende delen van Nederlands Nieuw-Guinea samengevoegd tot een afzonderlijk gewest onder een resident te Manokwari. Dit gewest bestond uit de afdelingen Noord-Nieuw-Guinea, West-Nieuw-Guinea en Zuid-Nieuw-Guinea. Noord-Nieuw-Guinea stond onder een assistent-resident te Manokwari, West-Nieuw-Guinea onder een assistent-resident te Fakfak en Zuid-Nieuw-Guinea onder een assistent-resident te Merauke. De bestuurlijke indeling van Nieuw-Guinea werd in de daaropvolgende decennia verschillende malen gewijzigd.
In feite was Nederlands-Nieuw-Guinea voor het grootste gedeelte niet onder bestuur. Men had nauwelijks kennis over de binnenlanden; grote delen op de kaart waren nog een witte vlek en men had geen idee hoeveel mensen er eigenlijk op het eiland woonden. De oorspronkelijke bevolking van Nieuw-Guinea waren de Papoea's, die uit vele stammen bestonden. Zij waren tuinbouwers of jagers en verzamelaars. De economische activiteit was miniem. Alleen de kust- en eilandbewoners dreven enige kleinschalige handel, voornamelijk met de Molukse eilanden. Hierin werd getracht verandering te brengen door de oprichting van een exploitatiemaatschappij in 1938, maar die ontplooide niet veel activiteiten.
Men kan dus zeggen dat tot aan de Tweede Wereldoorlog Nieuw-Guinea een economisch onbetekenend gebied binnen Nederlandsch-Indië was. In 1903 werd de Noord-Nieuw-Guinea-expeditie uitgezonden, die tot taak had de deels nog onbekende noordkust van Nieuw Guinea te verkennen en op zoek te gaan naar exploiteerbare lagen steenkool. In 1936 werd de Carstensz-expeditie ondernomen. Tijdens deze expeditie, die tot doel had de hoogste toppen van het Carstenszgebergte te beklimmen, werd de Ertsberg ontdekt door Jean Jacques Dozy. Deze berg bleek niet alleen enorme kopervoorraden, maar ook 's werelds grootste goudafzetting te bevatten.
Thuisland voor de Indo's De groep die voor de Tweede Wereldoorlog het meeste belang stelde in Nieuw-Guinea waren de Indo-Europeanen ("Indo's"). Voor de oorlog waren er in Nederlands-Indië ongeveer 150.000 tot 200.000 Indo-Europeanen (minimale schatting), mensen van gemengd Europese (overwegend Nederlandse) en Indonesische afkomst die zich identificeerden met Nederland en een Nederlandse manier van leven. In de oude koloniale maatschappij werd aan hen een hogere sociale status toegekend dan aan de inheemse Indonesiërs ("inlanders"). Zij vervulden in het koloniale bestuur meestal administratieve banen. Het opleidingsniveau van de inheemse Indonesiërs steeg echter, en er werden steeds meer Indonesiërs in de banen van de Indo-Europeanen aangesteld. Deze hadden geen andere middelen van bestaan, omdat zij als Europeanen geen recht hadden land te kopen op Java. Hierdoor raakten zij in psychische en economische problemen. Van 1923 dateert het eerste plan Nieuw-Guinea als kolonisatiegebied voor Indo-Europeanen aan te wijzen. In 1926 werd een aparte Vereniging tot Kolonisatie van Nieuw-Guinea (VKNG) opgericht. In 1930 kwam daar de Stichting Immigratie Kolonisatie Nieuw-Guinea (SIKNG) bij. In de ogen van deze organisaties was Nieuw-Guinea een maagdelijk, vrijwel leeg land, dat zou kunnen dienen als vaderland voor de in het gedrang geraakte Indo-Europeanen. Een soort tropisch Nederland, waar de Indo-Europeanen, die verbondenheid voelden met de Nederlandse cultuur, maar vaak nog nooit in Nederland waren geweest en dus evenzeer gehecht waren aan Indië, een bestaan zouden kunnen opbouwen. De koloniale overheid vestigde er in die jaren het strafkamp Boven-Digoel.
De verenigingen slaagden erin kolonisten naar Nieuw-Guinea te sturen en politieke druk uit te oefenen, zodat er in 1938 een overheidsorgaan werd opgezet dat deze ondernemingen moest subsidiëren. De kolonisaties waren echter meestal een mislukking vanwege het moeilijke klimaat en de natuurlijke omstandigheden en vanwege het feit dat de kolonisten in kwestie, die vaak hun hele leven als kantoorklerk hadden gewerkt, geen ervaring met landbouw hadden. Het aantal kolonisten bleef dan ook klein. Ook in Nederland zelf waren er organisaties die een tropisch Nederland in Nieuw-Guinea voorstonden, maar deze organisaties waren vrij marginaal en hadden bovendien contacten met de NSB en andere fascistische organisaties.
Het ontstaan van het geschil In 1942 werd Nederlands-Indië door Japan bezet. Gedurende de bezetting ontwikkelde de nationalistische beweging zich sterk. Na de capitulatie van Japan riep Soekarno de Republik Indonesia uit. Deze republiek moest geheel toenmalig Nederlands-Indië omvatten. De Nederlandse autoriteiten keerden enkele maanden na de oorlog terug onder leiding van luitenant-gouverneur-generaal Hubertus van Mook. Hij besloot tot opbouw van Indonesië volgens een federale structuur. Dit was geen geheel nieuw idee, maar wel in tegenstelling tot de staatsvoering in Nederlands-Indië tot dan toe en in tegenstelling tot de denkbeelden van de nationalisten, die wilden dat geheel Nederlands-Indië tot een centralistisch Indonesië zou gaan behoren.De Japanners slaagden er niet in om geheel Nieuw-Guinea te veroveren. Achter hun linies streden Nederlandse guerrillastrijders die onder leiding stonden van Mauritz Christiaan Kokkelink, die zich nooit hebben overgegeven. Kokkelink verwierf voor zijn leiderschap, inzet en moed de Militaire Willems-Orde.
Staatsvorm van Indonesië Het plan was Indonesië op te delen in verschillende deelstaten (negara's) die onder zich eventueel ook weer zelfbesturende gebieden zouden kunnen hebben, de daerahs. Het geheel zou dan de Verenigde Staten van Indonesië heten en met Nederland verbonden zijn in de Nederlands-Indonesische Unie. Over dit plan werd met de Indonesiërs overeenstemming bereikt gedurende een conferentie te Linggadjati in november 1946. De federale structuur eerbiedigde volgens mensen als Van Mook de culturele en etnische diversiteit van Indonesië. Men verwees hierbij naar het zelfbeschikkingsrecht: de verschillende volkeren van Indonesië zouden zichzelf moeten kunnen besturen. De etnische diversiteit van Indonesië was onderwerp geweest van twee conferenties in Malino en Pangkalpinang.
Deze zijn relevant omdat voor het eerst Nieuw-Guinea ter sprake werd gebracht. In Malino verklaarde een Papoea deelnemer dat Nieuw-Guinea bij de negara Oost-Indonesië zou moeten worden gevoegd. Tijdens de conferentie van Pangkalpinang kwam Nieuw-Guinea twee keer ter sprake in verband met het begrip zelfbeschikkingsrecht. Het zelfbeschikkingsrecht der etnische minderheden, onder andere Indo-Europeanen, Chinezen en Arabieren, werd besproken. Hierbij werd opgemerkt, dat Indo-Europeanen de mogelijkheid zouden moeten krijgen hun cultuur en positie te behouden; enkele Indo-Europeanen maakten ook melding van Nieuw-Guinea als mogelijk nieuw vaderland voor de Indo-Europeanen. De nieuwe Grooter Nederland Actie, die eveneens voorstander was van kolonisatie van Nieuw-Guinea door Indische Nederlanders, vaardigde namelijk leden naar deze conferentie af. Tevens werd op deze conferentie bepaald, dat bepaalde gebieden een speciale relatie met het Koninkrijk zouden mogen hebben, als zij dit wensten. Zelfbeschikking in verband met de lokale bevolking was problematisch, omdat de Papoea bevolking niet werd geacht die te kunnen uitoefenen.
Linggadjati "aangekleed" met Nieuw-Guinea thumb|rechts|Papoea's in prauwen op de Lorentzrivier tijdens de Derde Zuid-Nieuw-Guinea-expeditie thumb|rechts|Vliegveld van Kaimana in 1962 Het idee Indië los te moeten laten was echter schokkend voor veel Nederlanders. Zij dachten dat het de taak van Nederland was dit land te ontwikkelen. Het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs kwam voor de meeste Nederlanders als een volslagen verrassing. De Indonesische nationalisten onder Soekarno hadden meegewerkt met het Japanse bewind. Hierdoor brandmerkte men hen in Nederland als verraders en collaborateurs.
De regering realiseerde zich dat het plan van Linggadjati moeilijk aan het Nederlandse volk en aan de Tweede Kamer te verkopen zou zijn. Vrijwel iedere partij had zo zijn redenen om tegen het verlies van Indië als zodanig te zijn. De antirevolutionairen (ARP) hadden altijd veel waarde gehecht aan de ethische politiek. De nieuwe VVD had juist campagne gevoerd met een harde politiek tegen de nationalisten. Zelfs de PvdA, die in principe voor onafhankelijkheid van Indonesië was, had haar bedenkingen, vanwege het optreden van Soekarno.