Adrianus Dingeman de Groot (Santpoort, 26 oktober 1914 - Schiermonnikoog, 14 augustus 2006) was een Nederlands psycholoog, die werkte aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar toegepaste psychologie van 1950 tot 1965 en hoogleraar grondslagen en methodenleer van de sociale wetenschappen van 1965 tot 1980.
Nationaal is hij bekend geworden als grondlegger van de Cito-toets en als auteur van het standaardwerk Methodologie uit 1961, dat studenten en onderzoekers een samenhangend kader bood voor het hele proces van wetenschappelijk onderzoek, van theorievorming tot interpretatie van resultaten.
Internationaal is hij vooral bekend door zijn baanbrekend onderzoek naar het Denken van den schaker uit 1946. De vertaling verscheen op aanraden van de latere Nobelprijswinnaar Herbert Simon in 1965 als Thought and choice in chess. Dit werk stond in de Verenigde Staten aan de basis van de zogenaamde cognitieve revolutie in de psychologie. De Groot wordt beschouwd als een van de belangrijkste Nederlands psychologen van de 20e eeuw.Volgens Drunen & Conradi (1998) wordt Adriaan de Groot wel beschouwd als de meest invloedrijke naoorlogse Nederlandse psycholoog. Mellenbergh en Hofstee (2006) noemen hem de belangrijkste Nederlandse psycholoog van zijn tijd: Drunen P. van & Conradi H.J. (1998) Bezielde wetenschap : een halve eeuw Nederlandse psychologie in vijf portretten, pag 119-151, Uitgave onder auspiciën van het Archief en Documentatiecentrum Nederlandse Psychologie, 1998. Mellenbergh, G. J., & Hofstee, W. K. B. (2006). "Herdenking Adriaan Dingeman de Groot". In: Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (Ed.), Levensberichten en herdenkingen (pp. 27-30). Amsterdam: Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Gearchiveerd op 13 juli 2019.
Biografie In 1914 werd Adriaan de Groot geboren in een gezin met twee broers en twee zussen in Santpoort, waar zijn vader een drukke huisartspraktijk had. Van huis uit was het gezin Nederlands-hervormd. Zijn moeder had een sterke psychische intuïtie en zou Adriaans interesse wekken in psychologie. Zijn vader was meer de huisfilosoof. In 1926 ging Adriaan naar het Kennemer Lyceum in Overveen, waar hij onder andere biologieles kreeg van Jac. P. Thijsse. Hij was al op jonge leeftijd een goed schaker en in zijn jeugd klom hij op tot de beste schakers van Nederland. (Ook op latere leeftijd bleef De Groot schaken: zo won hij in 1968 de 28e editie van het Daniël Noteboom-toernooi in Leiden.)
Van kinds af aan heeft hij geaarzeld tussen de muziek en de wetenschap. Bij zijn eindexamen in 1932 stond hij voor de moeilijke keuze wat hij zou gaan studeren: klassieke muziek, filosofie, psychologie, geneeskunde - zoals zijn vader hem suggereerde - of didactiek.Conradi, p.120
Studietijd in Amsterdam
In 1932 begon De Groot met de studie wiskunde en natuurkunde aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam, tegenwoordig de Universiteit van Amsterdam. Die tijd was goed voor zijn algemeen wetenschappelijke vorming, stelde hij later zelf.Het denken van den Schaker, 1946, p. VII. Die vorming kwam met name van de universiteitsdocenten in de exacte vakken, en in het bijzonder van prof. Gerrit Mannoury en prof. dr. Jacob Clay.
Sociaal wilde het niet zo vlotten bij wiskunde, en tot z'n kandidaats bracht hij daarom de meeste vrije tijd door met bridgen en schaken. In 1937 werd hij schaakkampioen van Amsterdam, en in 1939 maakte hij deel uit van het schaakteam dat Nederland vertegenwoordigde op de olympiade te Buenos Aires.
In de zomer van 1934 volgde De Groot lessen op de Internationale School voor Wijsbegeerte in Amersfoort, onder andere bij de socioloog Karl Mannheim en de psychologen Alfred Adler, Karl Bühler en Carl Gustav Jung. Na zijn kandidaats wiskunde stapte hij op de Universiteit van Amsterdam over naar psychologie. Hier was hij vooral geïnteresseerd in de denkpsychologie, de alfa-aspecten van het vak. In 1941 deed hij doctoraalexamen en slaagde hij cum laude.
Promotie over "Het denken van den schaker" In 1946 promoveerde De Groot cum laude tot doctor in de Wis- en Natuurkunde op het proefschrift "Het denken van den schaker". Dit werk, later in het Engels verschenen onder de titel "Thought and choice in chess", zou hem wereldfaam bezorgen, mede door de enthousiaste ontvangst van de latere Nobelprijswinnaar Herbert Simon, die speciaal hiervoor Nederlands leerde.Herbert Simon zou later beweren: De Groot's book must have been recommended to me with some enthusiasm..., for I ordered it immediately on hearing of it, learned the Dutch language in order to read it, and produced a rough written translation of substantial portions of it. Bron: (1982), "Otto Selz and information-processing psychology," in: N. H. Fijda & A. D. de Groot (Eds.), Otto Selz: His Contributions to Psychology (pp 147-163). The Hague, Mouton. p. 149. De Groot promoveerde bij prof. dr. Géza Révész en werd ook door Nederlandse meesters als Max Euwe, Hans Kmoch en Nicolaas Cortlever met raad en daad terzijde gestaan.A.D. de Groot (1946). Het denken van den Schaker. p. vii
Zijn proefschrift was geïnspireerd door het werk van de denkpsycholoog Otto Selz en onderzocht de denkprocessen die optreden bij het schaken, onder andere bij Max Euwe. Hij onderzocht het geheugen van de schaakgrootmeesters en gemiddelde clubschakers, slechts gebruikmakend van een schaakbord en schaakklok. In een experiment zette hij een gangbare schaakstelling op het bord, en liet deze vijf seconden bekijken door beide spelers, waarna beiden de stelling moesten reconstrueren. Hetzelfde deed hij met een stelling waar de stukken willekeurig op het bord geplaatst waren. De grootmeesters reconstrueerde de schaakstelling veel beter, maar de randomstelling met eenzelfde foutenmarge als de clubschakers. Uit gelijksoortige experimenten concludeerde De Groot dat de cognitieve vaardigheden van de grootmeesters er vooral uit bestond, dat zij schaakstellingen beter konden bevatten als georganiseerd geheel, dan als een verzameling van losse schaakstukken.Alan D. Baddeley (1999). Essentials of Human Memory. p.99.
De Groots proefschrift zou in de Verenigde Staten aan de basis staan van de zogenaamde cognitieve revolutie in de psychologie.
Hoogleraar toegepaste psychologie en methodologie
Na zijn doctoraalexamen werkte De Groot enkele jaren als leraar wiskunde, en ook enige tijd als bedrijfspsycholoog. In 1948 begon hij aan de Universiteit van Amsterdam als lector Toegepaste psychologie. In 1950 kreeg hij een aanstelling als buitengewoon hoogleraar "Toegepaste psychologie en de toepassing van statistische methoden bij het psychologisch onderzoek", die in 1955 omgezet werd in een gewoon hoogleraarschap met dezelfde leerstelling. In 1965 kreeg hij een nieuwe leerstoel, "Methodenleer, inzonderheid van de toegepaste psychologie", die in 1970 werd uitgebreid tot "Grondslagen en methodenleer van de sociale wetenschappen". In 1950 deed hij zijn intrede met de rede "Het object der psychodiagnostiek", en vanaf zijn benoeming leverde De Groot scherpe kritiek op vele aspecten van de toenmalige psychologiebeoefening. De fenomenologische methode, de projectietest, het grafologisch oordeel en de klinische blik werden hard en met goede argumenten aangepakt.
De Groot ontpopte zich als vernieuwer van de Nederlandse onderwijsresearch.Margot Taal & Ad Dudink (2006). Schoolpsychologie. Uitgeverij Boom, , p.29-30 Zo was hij oprichter en eerste directeur van het Research Instituut voor Toegepaste Psychologie (RITP). Dit onderzoeksinstituut richt zich onder meer op de evaluatie van onderwijsdoelen en de analyse van het selectieproces. Tevens werkte hij aan projecten ter stimulering van de maatschappelijke vernieuwing in het onderwijsbestel. Samen met de onderwijspsycholoog Anton Sangers ontwikkelde hij de Cito-toets die landelijk werd ingevoerd. Zijn aanstelling bij de Universiteit van Amsterdam duurde tot 1970 en in die tijd kwamen zo'n dertig dissertaties onder zijn leiding tot stand; meer dan de helft van deze leerlingen is later zelf hoogleraar geworden. Enkele van zijn promovendi waren de psychologen Hans Crombag (rechtspsychologie), Don Mellenbergh, en Karel Soudijn, de informaticus Jaap van den Herik, en stedebouwkundige Hugo Priemus.
De Universiteit van Gent verleende hem in 1973 een eredoctoraat in de psychologische en pedagogische wetenschappen.
Volgens De Humanist (2006) moet De Groot toch vaak gedacht hebben dat hij in de verkeerde tijd was geboren. Terwijl hij zocht naar objectieve waarden in de psychologie, werd de universiteit overspoeld door een democratiseringsgolf. Hij werd daardoor “een rechtse bal”, die niets anders kon dan toegeven dat zijn klassenbewustzijn maar matig ontwikkeld was. Voor alternatieve psychiaters als R.D. Laing en Jan Foudraine – “de kruidendokters van deze tijd” – kon De Groot maar weinig sympathie opbrengen en dat maakte hem lange tijd tot een uitgestotene in sommige academische kringen.
Emeritaat Eind jaren 70 verhuisden De Groot en zijn vrouw Els van Embden naar Schiermonnikoog, waar ze een huisje gingen bewonen in de dorpsstraat. Zijn aanstelling werd verplaatst naar de Rijksuniversiteit Groningen. Het accent in zijn werk in die periode lag een tijd op de signifische begripsanalyse en op de forumtheorie. Op 84-jarige leeftijd werkte hij nog dagelijks aan het boek dat zijn magnum opus moest worden: over het forumwaarmerk van de wetenschap. In plaats van vruchteloze disputen te laten voortduren over absolute waarheden, die toch niet bestaan, zou een forum van leidende wetenschappers unaniem en naar beste weten een ‘waarheid’ moeten definiëren. Wie absolute waarheden claimt, vergeet volgens De Groot dat "de mens de maat is der dingen".Jacques Herraets, "Een denker wordt ouder en langzamer, maar niet slechter", in: Continuum, Jaargang 3, nummer 1, april 1999.
Werk De Groot was een zeer veelzijdig man. In zijn werk heeft De Groot zich op drie gebieden gemanifesteerd: de cognitieve psychologie, de methodeleer van de sociale wetenschap en de onderwijskunde. Op al deze gebieden heeft De Groot baanbrekend werk verricht.Mellenbergh en Hofstee (2006) In het land van de alfa’s is, volgens De Humanist (2006), A.D. de Groot echter een vreemde eend in de bijt gebleven. Voor hem was psychologie geen slap gelul in oeverloze therapieën, maar een vak dat slechts kan bestaan bij de gratie van harde cijfers en statistieken. Dat hij talent had voor wiskunde heeft aan die opvatting ongetwijfeld bijgedragen. Maar De Groot had een wijde belangstelling, die veel verder ging dan de theorie. Als een van de eersten in Nederland werd hij gegrepen door de logisch-positivistische ideeën van de Wiener Kreis, en misschien is hij ook wel de eerste Nederlander, die Karl Popper heeft ontmoet"."Het denken van den Schaker", column in De Humanist, september 2006. Gearchiveerd op 16 juli 2021.
Volgens Vittorio Busato was een wezenlijk uitgangspunt van De Groot de opvatting dat psychologen zich niet moeten beperken tot vrije speculatie – niet ongebruikelijk tot halverwege de 20e eeuw in de psychologie –, maar dat ze beweringen moeten staven. De ideeën daarover zette hij uiteen in de klassieker Methodologie. Hele generaties studenten sociale wetenschappen in Nederland zijn opgevoed met zijn empirische cyclus: observatie, inductie, deductie, toetsen, evaluatie.