thumb|Grootkruis van de Saksisch-Ernestijnse Huisorde right|200px|Ster en Grootkruis met de zwaarden

De Saksisch-Ernestijnse Huisorde (Duits: Herzoglich Sachsen-Ernestinischer Hausorden) was een gezamenlijke orde van de drie in Thüringen gelegen Saksische hertogdommen Saksen-Altenburg, Saksen-Coburg en Gotha en Saksen-Meiningen.

Creatie Toen de tak Saksen-Gotha-Altenburg in 1833 uitstierf verdeelden de drie overgebleven Ernestijnse takken van het Huis Saksen, niet te verwarren met de oudere koninklijke tak in het koninkrijk Saksen, de nalatenschap van Ernst de Vrome van Saksen-Gotha (1601 - 1675). De sinds 1830 in België regerende tak en de Britse prins-gemaal Albert van Saksen-Coburg en Gotha, een jongere zoon, hadden hierin geen stem of aandeel.

De drie hertogen, Frederik van Saksen-Altenburg, Ernst I van Saksen-Coburg en Gotha en Bernhard II van Saksen-Meiningen stichtten op 25 december 1833 een orde waarbij zij aan de 1689 gestichte "Orde van de Duitse Redelijkheid" (Duits: "Orden der deutschen Redlichkeit) herinnerden.

De orde kreeg een dubbele rol; zij was bestemd voor de prinsen uit de drie regerende hertogelijke huizen maar zij was ook als beloning voor militaire en burgerlijke verdienste gedacht. In het reactionaire Duitsland van die tijd was het maken van verschil tussen staats- en huisorden nog niet gebruikelijk zoals uit de naam van de in hetzelfde decennium gestichte Huisorde en Orde van Verdienste van Peter Friedrich Ludwig mag worden opgemaakt.

Klassen De orde kreeg vier klassen met ieder drie graden. De Eerste Klasse of Grootkruisen Negen "inhaber", zij moesten de hoge ambtelijke rang van "wirkliche Geheimräte" bereikt hebben. De niet prinselijke grootkruisen werden door het verlenen van het grootkruis in de erfelijke adelstand verheven. Edellieden kregen binnen die adelstand de hogere rang; zo werden ridders baronnen ("Freiherren") en baronnen tot graven verheven. De volwassen prinsen van de drie Ernestinische vorstenhuizen waren rechtens grootkruis in de Saksisch-Ernestinische Huisorde. De Tweede Klasse of Commandeurs Deze decoratie werd aan niet meer dan twaalf ministers of "Geheimräte" verleend. De Derde Klasse of Commandeurs der Tweede Klasse Deze decoratie werd aan niet meer dan achttien presidenten van regeringscolleges en gerechtshoven, kolonels en luitenants-kolonel toegekend. De Vierde Klasse of Ridder De hertogen mochten niet meer dan 36 ridders benoemenMaximilian Gritzner noemt het getal 48..

De aantallen van 9, 12 en 36 leden in iedere klasse zijn niet toevallig. Iedere hertog mocht een derde van de posities benoemen. Voor vreemdelingen golden geen beperkingen maar zij moesten steeds door ten minste twee van de hertogen benoemd worden.

De in 1890 toegevoegde Vijfde Klasse of Ridder der Eerste Klasse De hertogen mochten onbeperkt kruisen in deze klasse uitreiken. Door de toevoeging van een tweede ridderkruis werd het gebruikelijk om ook van "Ridder der Eerste Klasse" te spreken.

De versierselen right|200px|Keerzijde met het wapen.

Het kleinood Het aan een lint op de heup, op de borst of om de hals gedragen ordeteken noemt men in de faleristiek wel kleinood, juweel, kruis of insigne. Men kan ook van Groot- commandeurs- of ridderkruis spreken.

Het kleinood van de Saksisch-Ernestijnse Huisorde is een achtpuntig verguld zilveren kruis van Malta met wit geëmailleerde armen en gouden ballen op de punten. In het midden is een rond gouden medaillon met een blauwe ring en het portret van Ernst de Vrome gelegd. Op de ring staat in gouden letters het Latijnse motto van de orde "Fideliter et constanter" dat met "Weest standhaftig en trouw" kan worden vertaald. In de armen van het kruis zijn vier gaande gouden leeuwen gemonteerd.

Rond de ring van het medaillon van de Saksische ridders is een groen geëmailleerde gouden eikenkrans met gouden nerven en takken gelegd. Bij de vreemdelingen ontbreekt deze krans.

Op de keerzijde staat in het gouden medaillon het Saksische wapen met de Wijnruitkroon en de datum "25 december 1833". Rond de ring van het medaillon van de Saksische ridders is ook op de keerzijde een groen geëmailleerde gouden eikenkrans met gouden nerven en takken gelegd. Bij de vreemdelingen ontbreekt deze krans.

Tot 1864 stond op de bovenste arm van het kruis een "F" voor Altenburgische, een "E" voor Gothaïsche en een "B" voor Saksen-Meiningensche benoemingen.

Als verhoging dient een opvallend grote, niet gevoerde, gouden beugelkroon met vijf gestileerde wijnruitbladeren als fleurons.

In 1850 werd de mogelijkheid om de orde ook "met de zwaarden" te verlenen vastgelegd in de statuten. Dat betekende dat er kruisen met zwaarden moesten worden vervaardigd. Men onderscheidt kruisen met de zwaarden en met "zwaarden aan de ring". Deze zwaarden aan de ring komen bij alle graden, ook bij de ridder der Tweede Klasse, voor. Er zijn grootkruisen met zwaarden en briljantenCatalogus van Nimmergut, nummer 2465.. Merkwaardig genoeg zijn er geen civiele grootkruisen met briljanten bekend.

Een opvallend detail bij de militaire kruisen is de bepaling dat de eikenkrans door een lauwerkrans werd vervangen. Vreemde militairen kregen uiteraard kruisen zonder deze krans zoals vreemdelingen ook kruisen, en sterren, zonder eikenkrans droegen. Mem lijkt zich niet steeds aan deze regel te hebben gehouden. Nimmergut meldt dat er kruisen met zwaarden en eikenkrans bekend zijnNimmertgut, Deutsche Orden, 1981 Blz. 291.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden jaartallen op de bovenste arm van het grootkruis geplaatst. Zo kent men grootkruisen met het jaartal "1917", "1916", "1917" en "1918" in gouden letters. Op de commandeurskruisen komen ook wel twee jaartallen, bijvoorbeeld "1914" en "1917" op de bovenste en onderste arm van het kruis voor. Deze jaartallen worden niet samen met de zwaarden op een hetzelfde groot- of commandeurskruis gevonden. Ridderkruisen met deze combinatie bestaan daarentegen welCatalogus van Nimmergut, nummer 2475..

In 1935 heeft de (titulair) hertog van Saksen-Coburg-Gotha gepoogd om de orde nieuw leven in te blazen. Dat had tot gevolg dat er ten minste één commandeurskruis met de zwaarden aan de ring werd vervaardigdCatalogus van Nimmergut, nummer 2472.. right|200px|Ster van de orde right|200px|Commandeursster van vóór 1864 right|200px|Plaque van na 1864 De sterren

De ster van de grootkruisen in deze orde is van zilver en heeft acht punten en afwisselend zilveren en verguld-zilveren stralen. Het medaillon is gelijk aan dat van de kruisen maar in plaats van een portret staat een kleine wijnruitkroon centraal.

De twee laatste hertogen van Saksen-Coburg-Gotha waren, als zoon en kleinzoon van koningin Victoria en prins Albert ridders in de Orde van de Kousenband. Zij hebben sterren laten maken waarop de kousenband rond de ster, met de zwaarden, is gelegd. Uit Saksen-Coburg-Gotha zijn ook sterren met briljanten, briljanten en robijnen, briljanten en opalen, briljanten met zwaarden, briljanten en robijnen met zwaarden en briljanten met zwaarden en opalen bekend. Behalve bij de in de statuten beschreven grootkruisen met briljanten moet men hierbij niet aan evenzovele graden denken. Het gaat om particuliere verfraaiingen van ordetekens.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden jaartallen op de bovenste arm van het grootkruis geplaatst. Hierbij ging het initiatief uit van de hertogen, het is geen particuliere versiering van een verleend ereteken. Zo kent men ook sterren met het jaartal "1917", "1916", "1917" en "1918" op de bovenste arm van het op de ster gelegde kruis. De bekende jachtvlieger Manfred von Richthofen was een van de dragers van het kruis.

Er zijn sterren met zwaarden bekend. Deze zeer lage zwaarden bedekken de gehele diagonale stralen van de ster. Wanneer het grootkruis "met zwaarden aan de ring" was verleend werden kleine gekruiste zwaarden boven het medaillon op de stralen van de ster gelegd. Men kent ook sterren met zwaarden en briljanten.

De ster van de commandeurs der Eerste Klasse was tot 1864 een op de borst gedragen kruis, gelijk aan het kleinood van de Grootkruisen. De armen waren niet geëmailleerd maar met briljantgeslepen facetten bedekt en kroon en leeuwen in de armen van het kruis ontbreken. Er zijn kruisen met zwaarden bekend. In 1864 werd het kruis vervangen door een zilveren "plaque" in de vorm van een rombus met daarop het medaillonDe Duitse Wiki spreekt van een "opgelegd kruis", Gritzner tekende in 1893 alleen een opgelegd medaillon..

Er zijn ook plaques bekend die een perfecte ruitvorm hebben gekregenCatalogus van Nimmergut, nummer 2468 en 2470..

Na 1850 werd, wanneer dat wenselijk was, een militair versiersel aan de kruisen toegevoegd. Men verleende de orde met "zwaarden bij het kruis", Duits: "Schwerter zum Kreuz" wat inhield dat in de armen van het kruis of onder het medaillon van plaque of ster kleine gekruiste gouden zwaarden werden gemonteerd. De zwaarden lagen op de kleine gouden leeuwenIn de tekening van Gritzner.

Zoals in Duitsland gebruikelijk kreeg een drager van een dergelijk kruis bij een bevordering in vredestijd zwaarden aan de ring, Duits: "Schwerter am Ring", toegekend. Bij de sterren werden deze zwaarden aangeduid door twee kleine zwaarden boven het medaillon. In 1850 werd ook bepaald dat militairen in het vervolg versierselen met een lauwer- in plaats van een eikenkrans zouden dragen. Er werd in dat jaar ook een Grootkruis met briljanten aan de orde toegevoegd.

Het gewaterde zijden lint van de orde was purper- of karmijnrood met twee brede groene strepen.

De drie soevereinen van de orde droegen een verguld zilveren keten. Deze keten kon ook aan "ebenbürtigen Fürstlichkeiten", waarmee keizers, koningen, regerende hertogen en prinsen uit regerende vorstenhuizen werden bedoeld, worden verleend. De bepaling sloot presidenten van republieken uit.

De ordeketen bestond uit zes schakels in de vorm van gevoerde beugelkronen, veertien gekroonde gaande leeuwen, zevenmaal een ornament in de vorm van twee op een Latijns kruis gebonden vuurslagen en een goudgerande cartouche in rococo-stijl met het Saksische wapen. Het ordeteken hing aan het wapenschild. Er zijn geen ketens bekend waarin zwaarden zijn verwerktCatalogusnummer 2457 bij Jörg Nimmergut.. Maar grootkruisen met de zwaarden werden soms wel aan de keten gedragen.

Het Prinsessenkruis van de Saksisch-Ernestijnse Huisorde right|250px|Prinsessenkruis Het Prinsessenkruis, Prinzessinenkreuz des Sachsen-Ernestinischer Hausordens, was een op een donkergroen geëmailleerdvolgens Nimmergut, op de Hamburgse veiling van Carsten Zeige werd in 2007 een beschadigd kruis met een blauw lint, "uit de nalatenschap van een Beierse prinses", voor €3000,- geveild. verguld zilveren lint met de ordespreuk "Fideliter et Constans" gelegd kruis van de Saksisch-Ernestinische Huisorde. Het motto stond op de buitenste lint van de onderscheiding en werd op de ring niet herhaald. De ring was donkerblauw en bevatte geen tekst. Het gouden medaillon was dat van de achterzijde van het kleinood en stelde dus het wapen van de Saksische hertogen voor. Boven dit kruis was een kleine gouden beugelkroon met daarboven een kunstig geplooid gouden lint bevestigd waarmee het Prinsessenkruis aan het tot een strik gevormde lint werd vastgemaakt.

In de statuten van de orde was niet in een dergelijk kruis voorzien, men nam geen dames in deze orde op. Omdat de drie hertogdommen geen eigen Damesorde kenden werd dit kruis desondanks uitgereikt. Nimmergut merkt opDeutsche Orden. dat het Prinsessenkruis niet tot de orden gerekend mag worden. Men droeg het Prinsessenkruis op de linkerschouder.

Er zijn Prinsessenkruisen met smaragden bekend. Nimmergut noemt het jaar 1878 als het jaar van ontstaan. De Prinsessenkruisen zijn zeldzaam, op een veiling bracht een dergelijk kruis meer dan 4000 euro opOpgave van Nimmergut, catalogus Nummer 2481..

Het Kruis van Verdienste