thumb|Maurits als prins van Oranje miniatuur|Musketier De Tien jaren was de periode van 1588 tot 1598 in de Tachtigjarige Oorlog. In deze periode van tien jaar wist Maurits van Nassau, de zoon van Willem van Oranje en later ook prins van Oranje, samen met zijn neef Willem Lodewijk, de stadhouder van Friesland, het tij van de oorlog te keren. Zij behaalden vele overwinningen op de Spaanse troepen, waardoor grote gebieden in het noorden en oosten van de Spaanse Nederlanden aan de Republiek werden toegevoegd. Zo werd het door het 'Verraad van Rennenberg' verloren gebied heroverd. Voor Maurits waren de succesvolste jaren 1591 en 1597, waarin hij veldtochten ondernam. Tijdens de 'Tien jaren' veroverde hij enkele vestingen die onneembaar werden geacht. Hij verwierf met zijn vernieuwende krijgstechnieken faam onder buitenlandse vorsten.
De term Tien jaren
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd de term Tien jaren niet gebruikt, hij werd, evenals de Negen jaren, bedacht door Robert Fruin die in 1857 of 1858 het boek Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, 1588–1598 publiceerde. In het werk, dat Fruin schreef voor zijn leerlingen van het Stedelijk Gymnasium Leiden, wilde hij laten zien hoe de situatie in de Nederlanden totaal veranderde tussen 1588 (toen 'de zaak van den Nederlandschen opstand zoo goed als verloren [scheen]') en 1598 (toen 'de noordelijke gewesten, de roemrijke Zeven, voor goed bevrijd, voorspoedig te land en ter zee' waren, maar 'Spanje daarentegen, dat zich reeds meester had gewaand van de muitende gewesten, [was] moe gestreden en uitgeput'). In deze jaren maakten Maurits' militaire successen en de politieke conflicten en diplomatieke missies van de jonge Republiek het Nederland mogelijk om zijn beslissende stap naar onafhankelijkheid te zetten, terwijl Holland en Zeeland een leidende rol in de wereldhandel grepen. Terwijl hij de ondernemersgeest en onafhankelijkheid van de kleine nieuwe staat prees, benadrukte Fruin ook dat deze doorbraak onmogelijk zou zijn geweest zonder dat het leeuwendeel van het Spaanse leger onder Alexander Farnese (de hertog van Parma) vast zat in Frankrijk. Het boek werd een groot succes, 'een ven de klassiekers van de 19e-eeuwse geschiedschrijving', en werd nog vijf keer herdrukt tijdens Fruins leven.
De Britse historicus van de Nederlandse geschiedenis Jonathan Israel (1989) was het in essentie eens met Fruins economische conclusies. Hij schreef dat de opkomst van de Nederlandse dominantie in de wereldhandel geen geleidelijk proces was, maar eerder een vrij plotselinge opbloei tussen 1590 en 1609, terwijl de Nederlandse (Hollandse) handel in de jaren 1580 nog stagneerde. Oscar Gelderblom (2000) beaamde dat de Hollandse kooplieden pas in de jaren 1590 toegang kregen tot Rusland, het Middellandse Zeegebied en buiten Europa, maar wees erop dat economische ontwikkelingen in de eerste helft van de 16e eeuw al een belangrijke basis legden voor het latere succes (wat zowel Fruin en Israel het met hem eens waren) en bekritiseerde hun visie door te betogen dat in de tienjarige periode na de Alteratie (1578–1588) de stad Amsterdam al begon te bloeien, ten dele door de vluchtelingenstroom van handelaars en ambachtslieden uit de Zuidelijke Nederlanden, vooral na de Val van Antwerpen in 1585 (een punt dat andere historici onderschrijven). Anton van der Lem (2019) gaf Fruin wel gelijk dat de Tien jaren in militair opzicht 'cruciaal' waren, hoewel dat meer te maken had met de afwezigheid van Parma dan met hoe de Republiek oorlogvoerde of handel dreef.
Partijen Het Staatse leger De omvang van het Staatse leger, het veldleger van de Republiek, veranderde gedurende de Tien jaren continu - de grootte van het leger hing mede van de geplande militaire activiteit af. Het veldleger, dat bestond uit voornamelijk buitenlandse huurlingen, werd betaald door de Staten-Generaal, die voor hun inkomsten afhankelijk waren van de verschillende provincies. Deze provincies moesten ieder jaar een voorstel van de Raad van State goedkeuren, waarin vastgelegd werd hoeveel zij zouden meebetalen aan de begroting. (2005): Staat van oorlog: wapenbedrijf en militaire hervorming in de Republiek der Verenigde Nederlanden, 1585-1621, Uitgeverij Verloren. Dit leidde er wel toe dat provincies die het niet eens waren met de oorlogsplannen, de grootste uitgavenpost van de Republiek, hun aandeel van de belastingen probeerden over te hevelen naar de provincies die voorstander van de plannen waren. Andere belastingen die moesten zorgen voor de inkomsten van de Republiek, zoals de importbelastingen, werden soms in het geheel niet geheven, waardoor de provincies die voorstander van de plannen waren, nog meer moesten betalen.
De militaire strategie van het Staatse leger werd niet alleen bepaald door Maurits. Hij moest steeds overleggen met de Staten-Generaal en de Raad van State. Daarom waren er vaak afgevaardigden van beide bestuursorganen aanwezig bij de belegeringen die uitgevoerd werden. Zodoende was het mogelijk snel beslissingen te nemen. Naast het veldleger bestonden er vele garnizoenen die gelegerd waren in de diverse vestingsteden.
Voordat Maurits in 1588 legeraanvoerder werd, was het Staatse veldleger slecht georganiseerd en niet getraind. De Staten-Generaal hadden in dat jaar besloten om het veldleger grootschalig te reorganiseren. In plaats van een groot onderbetaald leger werd een klein maar goed betaald leger opgezet. (2004): Oorlog, mijn arme schapen Uitgeverij van Wijnen. Dit was mede nodig, doordat het door Robert Dudley ingevoerde systeem wegens de slechte controle op de plaatselijke garnizoenen, niet werkte. Bij dat systeem konden de plaatselijke commandanten frauderen, waardoor zij gelden ontvingen voor soldaten die zij niet in dienst hadden. Met het veldleger dat in dienst was van de Republiek, liet Maurits als een van de eerste legeraanvoerders zijn troepen exerceren, waardoor de beweeglijkheid en slagvaardigheid van zijn troepen toenam.
De kanonnen van het Staatse leger werden in deze periode steeds vaker in de Nederlanden zelf gegoten. Na het vertrek van Robert Dudley in 1587 naar Engeland werd een eigen gieterij opgezet, waar kanonnen werden gefabriceerd die kogels van 48 pond konden afschieten. Deze kogels konden grote schade toebrengen aan stadsmuren, in die periode naast de stadsgrachten de belangrijkste verdedigingswerken van de vestingsteden. Dat de kanonnen indruk maakten op het garnizoen en de plaatselijke bevolking bleek uit het feit dat sommige steden zich al overgaven na inspectie van het geschut. Desondanks waren de kanonnen vaak niet de voornaamste wapens. Veelgebruikte vuurwapens in het leger waren de musket en het roer, beide handwapens. Ook hadden de soldaten een rapier (type zwaard) bij zich. Een ander veelgebruikt wapen was de piek.
Rivieren waren belangrijk voor de aanvoer van voorraden. Vervoer van goederen ging sneller over water dan over land. De vele moerassen die Nederland rijk was beperkten vaak de doortocht. Altijd bestond de kans dat zwaarbeladen wagens en geschut erin wegzakten. Maurits beschikte over een aantal grote arsenalen waar militaire goederen in opgeslagen waren, zoals in Dordrecht en Leeuwarden. Later werden Nijmegen en Utrecht belangrijker voor het opslaan van goederen omdat deze steden dichter bij het front lagen.
Het leger van Vlaanderen Het Spaanse leger stond onder aanvoering van de landvoogd van de Spaanse Nederlanden. In 1588 was dat de hertog van Parma, Alexander Farnese, die ook beslissingsbevoegdheid had over de militaire strategie. Zijn vaste standplaats was Brussel, maar hij trok geregeld met een leger naar de Noordelijke Nederlanden, vaak om te pogen een belegerde stad te ontzetten tijdens zijn 'Negen jaren'. Tijdens de Tien jaren zou de post van landvoogd een aantal malen van persoon wisselen. De bestuurder werd aangewezen door de koning, Filips II. Deze had het laatste woord over de grootschalige militaire strategie. Hij bepaalde waar de landvoogd met zijn leger actief was. Zo gebeurde het dat Farnese een aantal malen met een leger naar het Koninkrijk Frankrijk werd gestuurd om te vechten tegen de troepen van Hendrik IV van Frankrijk.
Inkomsten die de oorlogshandelingen van het Spaanse leger moesten bekostigen, werden op verschillende manieren opgebracht. De Spaansgezinde steden in de Nederlanden betaalden een belasting, ondanks de hoogte ervan, over het algemeen erg trouw. Voor andere inkomsten van de Spaanse schatkist zorgde de overzeese handel en het delven van edelmetalen in overzeese gebiedsdelen. Ten slotte betaalden geregeld legeraanvoerders het leger waar zij bevel over voerden uit hun eigen vermogen, ook de koning.
Tien jaren Voorgeschiedenis miniatuur|200px|Alexander Farnese, hertog van Parma Sinds de Slag bij Gembloers in 1578 had de Staatse partij de ene na de andere nederlaag tegen Spanje geleden en was steeds meer gebied kwijtgeraakt. In 1579 haakten de zuidelijke gewesten Artesië, Henegouwen en Rijsels-Vlaanderen, te midden van de toenemende verwarring met ondermijning van het katholieke geloof en schending der privilegiën, af van de noordelijk geworden Staten-Generaal met de Unie van Atrecht, en hadden Holland en Zeeland de grootste moeite om de overige gewesten te verenigen. De Spaanse generaal en landvoogd van de Spaanse Nederlanden, Alexander Farnese, begon intussen een offensief tegen de nog overgebleven opstandige gewesten (Parma's negen jaren). Na de Val van Antwerpen in 1585 waren de Zuidelijke Nederlanden opnieuw in Spaanse handen en rukte Farnese op naar het noorden. Na het fiasco met de broer van de Franse koning, Frans van Anjou die van de Staten-Generaal de soevereiniteit had aangeboden gekregen, werd gezocht naar een andere vorst om in de plaats van Filips de soevereiniteit over de Nederlanden aan te bieden, in ruil voor steun. Uiteindelijk was de Engelse koningin Elizabeth I daartoe bereid, in ruil voor zeggenschap. Zo stuurde zij haar vertrouweling Robert Dudley naar de Nederlanden die als gouverneur-generaal de leider van het land werd tezamen met 5000 soldaten. Zijn plannen om in Utrecht een centrale macht op te bouwen hadden weinig succes. Door zijn persoonlijk falen lukte het Johan van Oldenbarnevelt om Dudleys macht steeds meer uit te hollen. Op het laatst was zijn positie onhoudbaar geworden en vertrok hij weer naar Engeland, waarmee de Republiek helemaal zelfstandig werd.
De opstand leek ten onder te gaan, want het Spaanse leger had al bijna de gehele Nederlanden weer heroverd. In het jaar 1588 zou de Spaanse Armada echter verpletterend vernietigd worden in de Slag bij Grevelingen, waardoor het Spaanse leger sterk verzwakt werd, zodat de Republiek der Verenigde Nederlanden een nieuwe kans kreeg. Het doel van Spanje met deze tocht was om een inval te plegen in Engeland. Bij het plan dienden vele troepen die in de Nederlanden gelegerd waren, overgezet te worden naar Engeland. Het voornaamste aandeel van de Republiek bij deze slag was het blokkeren van de haven van Duinkerke, waardoor de Spaanse schepen deze haven niet konden bereiken.
In Frankrijk was het in 1588 zeer onrustig, doordat protestanten steeds meer invloed opeisten. Door de moord op Hendrik I van Guise ontstond er een oorlog in Frankrijk, waarbij Spaanse troepen en troepen van de paus, de katholieken te hulp schoten. Filips zond een bericht naar Farnese dat hij geen grote ondernemingen in de Nederlanden moest gaan uitvoeren en zich beschikbaar moest houden voor een tocht naar Frankrijk.
De Nederlanden waren van groot belang voor de Spanjaarden. Zij streefden namelijk wereldheerschappij na en met het in bezit hebben van de Nederlanden konden ze invloed uitoefenen op de landen in Noordwest-Europa. Daarnaast had de ligging invloed op de heerschappij van Spanje rond het Middellandse Zeegebied. Frankrijk kon zo weerhouden worden om een inval te wagen in Italië, omdat Spanje met de Nederlanden een gebied in handen had, waar vanuit zij snel een aanslag konden plegen op Parijs.