thumb|150px|Gebaar voor "Goed zo!" Een gebaar is een beweging van handen, hoofd en/of andere lichaamsdelen vanuit de intentie om te communiceren of om de gesproken communicatie te ondersteunen. Gebaren zijn bij met name doven een onderdeel van een uitgebreide gebarentaal. Gebaren zijn dikwijls cultureel bepaald. Ze worden ook in vele godsdiensten gebruikt.

Soorten gebaren David McNeill onderscheidt in zijn boek Hand and mind: what gestures reveal about thought (1992) vijf soorten gebaren op basis van de aanwezigheid van gesproken taal en hoe conventioneel de gebaren zijn. Die soorten gebaren plaatst hij op een as genaamd Kendons continuüm. Links op de as staan de meest spontane gebaren die de gesproken taal begeleiden, rechts bevinden zich de meest conventionele gebaren die zonder gesproken taal gebruikt worden. De soorten gebaren op Kendons continuüm zijn: gesticulatie, taalachtige gebaren, pantomimes, emblemen en gebarentalen. De tabel hieronder biedt een schematisch overzicht. +GesticulatieTaalachtige gebarenPantomimesEmblemenGebarentalenGesproken taalJaJaNeeJa/NeeNeeConventioneelNeeNeeNeeJaJa

alt=Voorbeeld van gesticulatie tijdens het spreken.|miniatuur|252x252px|Voorbeeld van gesticulatie tijdens het spreken.Gesticulatie (Engels: “co-speech gestures”): Dit is de verzamelnaam voor spontane gebaren die een spreker maakt tijdens het spreken (zie afbeelding). Hieronder verstaan we onder andere het meetellen op de vingers tijdens een opsomming of met de handen "enerzijds" en "anderzijds" weergeven.

Taalachtige gebaren (Engels: “language-like gestures”): Dat zijn gebaren die net als gesticulatie de gesproken taal begeleiden, maar in tegenstelling tot gesticulatie wel geïntegreerd zijn in de gesproken zin. Een voorbeeld van een taalachtig gebaar is de uitspraak “Ik voel me [duim omhoog]”, waar het gebaar “duim omhoog” het woord “goed” vervangt.

alt=Voorbeeld van pantomimegebaar.|miniatuur|Voorbeeld van een pantomimegebaar. De man beeldt met zijn vingers de vorm van een kader uit.|210x210px

Pantomimes: Dit zijn gebaren die zonder gesproken woorden een object of actie uitbeelden. Pantomimes zijn vaak iconisch, wat betekent dat de vorm van pantomimegebaren lijkt op wat ze uitbeelden. Een voorbeeld van een iconisch pantomimegebaar is een kader uitbeelden door de vingers in een rechthoekige vorm te plaatsen (zie afbeelding).

Emblemen: Dit zijn conventionele en cultuurgebonden gebaren. Ze kunnen zowel met als zonder gesproken taal gebruikt worden. Voorbeelden van zulke gebaren zijn de duim omhoog of de opgestoken middelvinger. Dat emblemen conventioneel zijn, betekent dat ze strikte regels rond hun vorm en betekenis hebben. Om bijvoorbeeld te tonen dat iets goed is, mag de duim niet naar beneden, want anders verandert de betekenis naar “slecht”. De culturele gebondenheid houdt in dat elke cultuur een verzameling van emblemen met een vaste vorm en betekenis heeft. Emblemen kunnen bijgevolg buiten een cultuur een andere betekenis hebben of niet bestaan. Enkele voorbeelden van emblemen met een verschillende betekenis over culturen heen zijn te vinden in dit artikel onder Gebaren en cultuur.

Gebarentalen: Gebarentalen zijn volwaardige talen op basis van conventionele gebaren met een eigen woordenschat (“gebarenschat”), grammatica en regels rond de handvorm en -beweging. Gebarentalen worden voornamelijk gebruikt door doven. Ze worden in tegenstelling tot gesticulatie en emblemen per definitie zonder gesproken taal gebruikt.

Daarnaast definieert Desmond Morris in zijn boek Body Talk: a world guide to gestures (1994) technische gebaren. Dat zijn gebaren die aangeleerd moeten worden en die enkel door een beperkte groep mensen gebruikt worden. Als voorbeeld geeft hij de gebarentaal voor brandweerlui. Ook de vlaggentaal die gebruikt wordt op luchthavens en schepen valt onder deze categorie.

Gebaren en cultuur Gebaren (vooral emblemen) zijn dikwijls cultureel bepaald, tenzij het gebaar zo universeel is dat het door iedereen op dezelfde manier begrepen worden. Wanneer dit niet het geval is kan een gebaar verkeerd of zelfs als een belediging worden opgevat. Ook de gepastheid van gebaren verschilt per cultuur en per situatie. In sommige landen is het gebruikelijk uitgebreide gebaren te maken bij het praten. In andere landen wordt dat niet gewaardeerd. Ook in zakenkringen, vergaderingen en bij zakelijke toespraken is het niet gebruikelijk veel gebaren te maken, hoewel deze soms een spreker kunnen helpen de aandacht vast te houden. Een Nederlander die een cirkel van zijn duim en wijsvinger maakt, duidt daarmee goedkeuring aan. In Frankrijk is dit het gebaar voor nul. In Japan betekent dit 'geld'. In Arabische landen symboliseert het het boze oog en in Iran is dit een uitgesproken seksueel gebaar. Met de opgestoken duim geven Nederlanders aan dat iets goed is. Duikers geven er juist mee aan dat ze omhoog willen omdat het juist niet goed gaat. In landen rond de middellandse zee is het een obsceen gebaar. Grieken en Bulgaren maken knikkende hoofdbewegingen als ze 'nee' bedoelen en kantelen hun hoofd lichtjes bij 'ja'. Bovendien is het Griekse woord voor 'ja' 'nè', wat nou net weer lijkt op de neewoorden in de verschillende Europese talen ('nee', 'no', 'nein', 'njet', 'non'). Wijzen is over het algemeen toegestaan wanneer men naar een object wijst. Direct naar een persoon wijzen wordt in veel landen als aanvallend of denigrerend gezien. Wenken in de betekenis van 'kom eens hier' wordt in Nederland gedaan met de handpalm omhoog. In Arabische en Afrikaanse landen wenkt men met de handpalm naar beneden (wat in Nederland juist: ' ga weg!' betekent. Dit geeft soms verwarring. Het wenkgebaar met alleen de vinger wordt in veel situaties niet gewaardeerd. Ouders en leraren maken het gebaar immers naar hun (stoute) kinderen en prostituees naar mogelijke klanten, en niemand wil als ondeugend kind of hoerenloper worden aangemerkt.

Gebaren en cultuur doorheen de eeuwen Doorheen de geschiedenis hebben denkers over taal zich over de vraag gebogen of gebaren verstaanbaar zijn voor mensen uit alle culturen of eerder cultureel gebonden zijn. Hier volgt een historisch overzicht van hun antwoorden.

In de oudheid en middeleeuwen was er geen aandacht voor dit vraagstuk, doordat gebaren vooral in functie van de retoriek of welsprekendheid werden bestudeerd. In de vroegmoderne periode en de achttiende eeuw heerste de overtuiging dat gebaren een universele taal konden vormen. In de negentiende eeuw was men nog altijd overtuigd van de universaliteit van gebaren en gebarentalen, maar erkende men ook het bestaan van cultureel specifieke gebaren. De twintigste-eeuwse en eenentwintigste-eeuwse studies tonen met experimentele methoden aan dat gebaren zowel een universeel als cultureel specifiek karakter hebben.

Klassieke oudheid In de klassieke oudheid hielden de auteurs van de overgeleverde teksten zich niet bezig met de vraag of gebaren over culturen heen dezelfde betekenis dragen. Men dacht wel na over gebaren, maar enkel binnen de context van de retoriek of welsprekendheid. Zo hebben de Romeinse auteurs Marcus Tullius Cicero (106 v. Chr. – 43 v. Chr.) in De Oratore (55 v. Chr.) en Marcus Fabius Quintilianus (ca. 35 – ca. 100) in Institutio Oratoria (ca. 95) beiden over het belang van gesticulatie tijdens een toespraak geschreven. De Grieken en Romeinen waren zich bewust van culturele verschillen in non-verbaal gedrag: zo vonden ze de manier van lopen of gesticuleren van andere volkeren “verwijfd”. Toch zijn er uit de klassieke oudheid geen studies over de invloed van cultuur op gebaren overgebleven.

Middeleeuwen Hoewel de middeleeuwen bekend staan als een gebarencultuur waarin een belangrijke rol was weggelegd voor gebaren in bijvoorbeeld de christelijke iconografie en tijdens formele gelegenheden zoals priesterwijdingen, werd er een lange tijd nauwelijks nagedacht over gebaren. Tijdens de Karolingische renaissance nam de belangstelling voor gebaren terug toe, dankzij de herontdekking van de retorische werken van Cicero en Quintilianus, maar net zoals in de oudheid focusten studies van gebaren niet op de universaliteit van gebaren over culturen heen, maar op het uitstippelen van een norm voor de gesticulatie en ander non-verbaal gedrag van christelijke geestelijken.

Vroegmoderne periode (renaissance tot 17e eeuw) Het is pas vanaf de vroegmoderne periode dat denkers over taal gebaren los van de retorische context bestudeerden en gebaren in een cross-cultureel perspectief plaatsten. Men dacht na over hoe gebaren(talen) op zich een internationaal communicatiemiddel konden vormen zonder gesproken taal. Dat is een groot verschil met het klassieke perspectief van de retoriek, waar gebaren volledig in dienst stonden van de gesproken taal.

In de vroegmoderne periode waren enkele prominente geleerden overtuigd van de universaliteit van gebaren, zoals Francis Bacon (1561–1626) en John Bulwer (1606–1656). De Engelse filosoof Francis Bacon introduceerde de universalistische idee in zijn De augmentis scientiarum (1623), waarin hij de taal problematiseerde. Volgens hem konden niet alleen gesproken taal, maar ook gebaren een vorm van communicatie zijn. Het feit dat handelaars die verschillende talen spreken en dat dove familieleden succesvol kunnen communiceren met gebaren wees erop dat gebaren over culturen heen dezelfde betekenis dragen.

John Bulwer (1606-1656), een Engelse arts en retorisch theoreticus, nam Bacons argumenten over in zijn Chirologia (1644). Hij voegde hieraan toe dat gebaren een natuurlijke taal vormen die alle mensen begrijpen, zonder dat ze die gebaren moeten aanleren, in tegenstelling tot de gesproken talen. Bulwers idee van de natuurlijkheid en universaliteit van gebaren kwam voort uit zijn medische achtergrond. Hij was geschoold volgens de klassieke medische semiotiek of betekenisleer van Galenus. De medische semiotiek beschouwt elke lichamelijke uiting als een symptoom dat iets vertelt over de innerlijke gezondheidstoestand van een patiënt. De link tussen symptoom en gezondheidstoestand is een directe, natuurlijke relatie. Bulwer paste dat model van de medische semiotiek toe op gebaren. Net zoals buikpijn een symptoom is van een probleem in het spijsverteringsstelsel, zijn gebaren voor Bulwer een directe en natuurlijke uiting van de innerlijke emoties en gedachten van een mens. Taal vond Bulwer daarentegen een artificiële uiting van emoties en gedachten.alt=Voorbeeld van het logografische schrift van John Wilkins.|miniatuur|Voorbeeld van het logografische schrift van John Wilkins.