Over de geest van de wetten (De l’esprit des lois) was het levenswerk van de Franse staatkundige en rechtsgeleerde Charles Louis de Secondat, baron van La Brède en Montesquieu uit 1748. Hij onderscheidde de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Als de drie machten van elkaar gescheiden waren en de aristocratie haar rol kon spelen, was er politieke vrijheid in een staat. Hij wilde de buitensporigheden van oorlog, verovering, slavernij en godsdienstvervolgingen inperken. Montesquieu was een man van het midden die vanuit een stoïcijnse levenshouding de uitersten wilde vermijden. Hij heeft twintig jaar aan het boek gewerkt; het zou van groot belang worden voor de Verlichting.

Inleiding God had een wereld geschapen die bewoog volgens onveranderlijke en rechtvaardige wetten. De wetten bepaalden de onderlinge verhoudingen tussen al wat er bestond. In de fysieke wereld werden de goddelijke wetten strikt in acht genomen, maar in de intelligente wereld overtraden de mensen ze onophoudelijk. Mensen waren onwetend, zaten vol vooroordelen en dwalingen, kenden zichzelf niet en richtten het grootste kwaad aan. Godsdienst, filosofie en wetten hadden de mensen tot de orde geroepen. Eerst waren er de wetten van de natuur zoals zelfbehoud, voedsel, het andere geslacht en de wil om samen te leven. Niets mocht zich tegen de natuur keren, want dat was de zoetste van alle stemmen. Dan kwamen de wetten van de samenleving.

Staatsvormen Montesquieu beschreef drie typen staatsvormen: de republiek (Engeland destijds), de monarchie (Frankrijk van voor de revolutie) en de despotie (het toenmalige gebied waar thans Turkije onder valt). De republiek werd opgesplitst in democratie en aristocratie. Ondanks dat in het boek tot de conclusie wordt gekomen dat de monarchie de ideale staatsvorm is, was voor Montesquieu toch de republiek de ideale staatsvorm indien je tussen de regels doorleest. Montesquieu was een rechter ten tijde van het ancien regime en kon dus niet in vrijheid schrijven. Hij wilde vooral de geest van de wetten vatten, de menselijke drijfveren ontdekken en de grondbeginselen van de staat formuleren. Elke staat had zijn beginsel dat onaangetast moest blijven om de staat overeind te houden.

Democratie In een democratie lag de macht bij het volk in zijn geheel. Gezagsdragers werden verkozen, rechters moesten zich strikt houden aan de wet. Als de wetten niet meer gerespecteerd werden, was de staat verloren. Democratieën hadden milde wetten en waren geschikt voor een klein grondgebied. Het was belangrijk om de goede zeden te bewaken, want naast misdaden konden ook nalatigheid, gebrek aan vaderlandsliefde en andere misstappen de republiek te gronde richten. Daarom kende Montesquieu een grote rol toe aan de senaat en de censoren.

De geest van de democratie was de deugd. Iedereen maakte er aanspraak op hetzelfde geluk, voordelen, genoegens en verwachtingen. In een gelukkige republiek bevonden de talenten en de lotgevallen van veel burgers zich ergens in het midden. Uit liefde voor de gelijkheid werd er van hen de soberheid verlangd om zich tevreden te stellen met hun echte behoeften. Daarom moesten er regelingen getroffen worden over de gelijke verdeling van bezittingen. De rijken betaalden zwaardere belastingen; wetten beperkten de weelde, want het maakte mensen zo egoïstisch dat het zich tegen de staat zou keren. In een democratie moesten ambitie, bezitsdrang en ijdelheid beperkt worden.https://books.google.be/books?id=1HKVKlpNbVYC&pg=PA188#v=onepage&q&f=false

Aristocratie In een aristocratie lag de macht bij een beperkt aantal adellijke families. Montesquieu wilde weinig mensen van het bestuur uitsluiten. Hoe dichter een aristocratie in de buurt van de democratie kwam, hoe volmaakter. De aristocratie diende zich zo veel mogelijk te identificeren met het gewone volk. De edelen moesten de eenheid bewaren om te ontsnappen aan het gevaar van intriges en partijvorming. De adel bedwong het volk, maar het was moeilijk om zichzelf te bedwingen. Als de wetten in acht genomen werden, was de aristocratie een uitstekend systeem. Als de wetten niet van toepassing waren, kwam de despotie dichterbij.

De geest van de aristocratie was de gematigdheid. Er was deugd nodig binnen de adelstand; de edelen moesten onderling gelijk zijn door bescheidenheid en eenvoud. Weelde druiste in tegen de geest van gematigdheid.

Monarchie In een monarchie bestuurde één vorst, maar verenigde niet alle macht in zijn persoon. Hij liet zich bijstaan door een aantal bevoorrechte standen zoals adel, geestelijkheid, steden en plaatselijke heren. De vorst gaf hen privileges en een ondergeschikt gezag, opdat ze de monarchie zouden ondersteunen. De positie van de standen was stabiel. Er was ook behoefte aan bestuursorganen, godsdienst en tradities om over de wetten te hoeden en stabiliteit te brengen. De vorst en zijn ministers mochten niet rechtspreken, want dat zou een bron van onrecht en misbruik worden. Een monarchie was geschikt voor een middelgroot grondgebied.

De geest van de monarchie was de eer van elk individu en elke stand. Iedereen wilde zich onderscheiden en boven de anderen verheffen; niemand streefde gelijkheid na. Grote daden en glorie waren het bewijs van een grote geest en een groot persoon maakte alle anderen klein. De krijg was het hoogste beroep. Een monarchie vereiste een strikte scheiding van de verschillende standen op basis van privileges, rangorde, weelde en erfelijkheid. De eer kon tot de mooiste handelingen inspireren ten voordele van het algemeen belang en een vorst mocht nooit een oneervolle daad verlangen. Verder vergde de staat geen deugden van zijn onderdanen.

Despotie In een despotie bestuurde één persoon met een onmetelijke macht. Een despoot kende geen andere regel dan zijn eigen impulsen; er waren weinig wetten. De despoot was dom, lui en genotzuchtig. Terwijl hij zich aan stompzinnige grillen en wilde passies overleverde, verwaarloosde hij de staatszaken. Men was beducht voor zijn wreedheid en wraaklust, want hij beschikte over het leven van zijn onderdanen. Zijn kracht was gelegen in het leger. Er was onrecht en uitbuiting, het persoonlijk bezit was onzeker en de economie viel stil. De despoot benoemde anderen tot despoot over hun ondergeschikten, maar gezagsdragers liepen er altijd gevaar voor hun leven. Iedere tiran was tegelijk slaaf. De despoot was alles en de anderen niets. Alle mensen waren er slaven van wie een uiterste gehoorzaamheid en onderdanigheid verlangd werd. Misschien kon de godsdienst tegenover de wil van de despoot geplaatst worden. Een despotie was geschikt voor een groot grondgebied.

De geest van de despotie was de angst. Met angst wilde de despoot alles rustig houden, het hart verlagen, alle moed wegvagen en ieder sprankje ambitie doven. Deugd en eer waren er onbekend. De despotie was in zichzelf verdorven.

Politieke standpunten De Engelse staatsinrichting Montesquieu werd beroemd door dit ene hoofdstuk (Boek XI, hoofdstuk 6, p219-230). In zijn betoog over de Engelse staatsinrichting onderscheidde Montesquieu de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht en pleitte voor de scheiding der machten. Men kon enkel van politieke vrijheid spreken, als de drie machten van elkaar gescheiden waren. Als de drie machten verenigd waren, lag despotie op de loer. Omdat in de meeste Europese koninkrijken de vorsten toen de wetgevende en uitvoerende macht hadden, moest Montesquieu gas terugnemen en noemde zo’n bestuur toch gematigd. De wetgevende macht werd verdeeld over het parlement en de senaat. Het parlement was de vertegenwoordiging van het gewone volk. Alle burgers hadden stemrecht behalve diegenen die niet over een eigen wil beschikten. De senaat was de vertegenwoordiging van de adel. In een staat waren er altijd mensen die zich onderscheidden door afkomst, voorrechten, rijkdom of verdiensten. Zij moesten meer invloed krijgen. Het parlement en de senaat konden hun veto uitspreken tegen elkaar. De uitvoerende macht lag bij de monarch. Montesquieu zei dat één persoon snel beslissingen kon nemen en dat het een schending van de scheiding der machten zou zijn om wetgevende vertegenwoordigers in de uitvoerende macht te benoemen. De monarch bepaalde wanneer de wetgevende macht bijeenkwam, had vetorecht tegen de wetgevende macht en was onschendbaar in tegenstelling tot zijn ministers die de verantwoordelijkheid droegen voor het beleid. De rechtsprekende macht was in handen van tijdelijke volksjury’s. De procespartijen mochten de rechters kiezen en de rechters moesten zich houden aan de wetten. De adel mocht niet bloot staan aan de afgunst van het gewone volk en werd berecht door zijn gelijken in de senaat.

Volgens Montesquieu was de Engelse politieke vrijheid extreem en hij hield niet van extremen. Misschien waren de mensen even gelukkig in de monarchieën die ontstonden na de val van het Romeinse Rijk toen de Germaanse volkeren zich over de veroverde gebieden verspreidden. Het bestuur was een mengvorm van monarchie en aristocratie, waar het lagere volk eerst nog in slavernij leefde, maar weldra gingen de vrijheid van het volk, de privileges van adel en geestelijkheid en de macht van de koning harmonieus samen. Het was het best mogelijke staatsbestel dat een mens zich maar kon indenken. In deze monarchieën had de vorst de wetgevende en uitvoerende macht, maar niet de rechtsprekende macht. De vorst stelde de rechters aan en sprak zelf geen recht.

Hoewel de voorgaande alinea verwarring kan zaaien, is het duidelijk dat Montesquieu de Engelse staatsvorm niet alleen beschreef, maar ook verdedigde en bewonderde. Hij noemde Engeland een hoogstaande natie waar politieke vrijheid het doel van het staatsbestel was. Verder in het boek werd hij lyrisch over Engeland (p. 404-413). Het was een onstuimige natie die voer op de koers van haar emoties die niet beteugeld moesten worden en geen schade konden aanrichten. Het volk was overtuigd van de noodzaak om zich te onderwerpen aan de Engelse staatsinrichting. De twee politieke partijen (Tories en Whigs) temperden het ongenoegen van het volk. Als de ene partij te zeer domineerde, stuwden de burgers de andere partij op. De politieke vrijheid leidde naar handel en welvaart. De Engelsen waren eerlijk, oprecht, niet ijdel en waardeerden echte kwaliteiten zoals rijkdom en verdienste.

Oorlog, verovering en slavernij Een staat had het recht om oorlog te voeren om zijn voortbestaan te verzekeren. Het recht op zelfverdediging maakte de aanval soms noodzakelijk om een ander volk de kans niet te geven om de staat te gronde te richten. Glorie, nut en fatsoen konden oorlog niet rechtvaardigen. In een oorlog mocht gedood worden uit noodzaak, maar het was verwerpelijk om krijgsgevangenen om het leven te brengen. Montesquieu laakte dat er in Europa hoge belastingen geheven werden om een grote troepenmacht op de been te houden en bondgenootschappen te financieren.

Een staat had het recht om grondgebied te veroveren om de eigen soort in stand te houden. De verovering moest de bedoeling hebben om het veroverde te vrijwaren en te benutten, niet te vernietigen, om een duurzame politieke gemeenschap te vormen en om de anderen te behandelen zoals wijzelf behandeld willen worden. Als de verovering voltooid was, verloor men het recht om te doden. Slavernij was nooit het doel en enkel gerechtvaardigd als tijdelijke maatregel voor het behoud van de veroverde gebieden. De verovering kon soms voordelen opleveren voor de overwonnen volkeren zoals vrijheid en rechtvaardige wetten. De veroveraar had zelfs de plicht om een deel van het aangerichte kwaad te herstellen. De Spanjaarden echter hadden in Zuid-Amerika een van de grootste wonden toegebracht aan de mensheid. Montesquieu definieerde het veroveringsrecht als een noodzakelijk, wettelijk en ongelukkig recht dat altijd een onmetelijke schuld creëerde jegens de menselijke natuur.