thumb|De koninklijke escorte te paard paradeert voor de koninklijke tribune tijdens de parade van troepen, Place des Palais op 21 juli 1989 te Brussel. De Rijkswacht (Frans: Gendarmerie) was tot 1 april 2001 een landelijke (of later: federale), op militaire leest gestoelde, politiedienst van het Koninkrijk België. Op die datum zijn de centrale diensten van de Rijkswacht samengegaan met de gerechtelijke politie bij de parketten op federaal niveau. Op lokaal niveau zijn de territoriale brigades van de Rijkswacht samengegaan met de korpsen van de gemeentepolitie.
Kort overzicht De Rijkswacht is ontstaan uit de 1796 opgerichte Franse Gendarmerie Nationale, toen het huidige België deel uitmaakte van Frankrijk.
Van oorsprong was de Rijkswacht een militair korps. Vanwege zijn speciale status viel hij lange tijd onder de ministeries van Landsverdediging, Justitie en Binnenlandse Zaken. Op 1 januari 1992 werd de Rijkswacht gedemilitariseerd en onder het politieke gezag van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie gesteld.
De mening over de Rijkswacht in de bevolking was zeer verdeeld. Sommigen loofden de discipline, kwaliteit van de opleiding en neutraliteit van het korps. Voor anderen had de Rijkswacht een slechte naam door de corruptie van een klein deel van het personeel (waarbij ook het hogere kader), door sympathieën voor rechts-extremisme bij enkele (oud-) rijkswachters en door de (soms) neerbuigende houding tegenover niet-rijkswachters.
De Rijkswacht heeft belangrijke imagoschade opgelopen door de haar gedeeltelijk toegewezen verantwoordelijkheid voor het aanvankelijk gerechtelijk falen in de zaak-Dutroux.
Met het Octopusakkoord van 1998 werd besloten het Belgische politielandschap grondig te hervormen, en de Rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie te fuseren tot een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (lokale en federale politie). Deze geïntegreerde politiedienst ging op 1 april 2001 van start.
Aan het eind van het bestaan werkten er 16.000 à 17.000 mensen en was de Rijkswacht verdeeld in 31 districten met in totaal 427 brigades.
Geschiedenis Ontstaan tijdens het Franse tijdperk (1795-1815)
Toen in 1795 de gebieden die nu België vormen bij Frankrijk werden ingelijfd, kreeg brigadegeneraal Wirion, toen commandant van de Gendarmerie Nationale bij het leger van Samber en Maas, vanuit Parijs de opdracht de Gendarmerie met nieuwe divisies voor het Belgische grondgebied uit te breiden.
De Gendarmerie Nationale was door de Franse wet van 16 februari 1791 opgericht. Ze volgde de Maréchaussée op, een soort militaire politie, toegevoegd aan de verschillende legereenheden, die ook burgerlijke en gerechtelijke opdrachten had. De voornaamste kenmerken van de Gendarmerie waren de eenvormige, centrale en militaire structuur van het korps, de afhankelijkheid van de centrale overheid de verspreiding over het hele grondgebied als een netwerk van territoriale eenheden de opdrachten van burgerlijk-administratieve en juridische aard naast de opdrachten van militaire politie.
De door generaal Wirion uitgewerkte organisatie werd op 10 juli 1796 per decreet goedgekeurd. Hiermee kreeg het Belgische gebied voor het eerst een centrale, verenigde en gecoördineerde politie.
Tijdens het ancien régime was de dienst van de Marechaussee geregeld door verschillende wetten en besluiten. Op 17 april 1798 kondigde de Franse overheid een nieuwe wet op de Gendarmerie Nationale af, die alle dan bestaande wet- en regelgeving tot een geheel verwerkte en de opdrachten, functies, organisatie, de inwendige orde en de tucht regelde. De basisprincipes van deze wet zullen gedurende bijna 160 jaar, over de verschillende regimes heen, van toepassing blijven, en hebben zo het karakter van de Belgische Rijkswacht bepaald.
Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1814-1830) Na de definitieve nederlaag van Frankrijk onder Napoleon werd de Europese kaart hertekend. De Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden werden herenigd. Op 26 december 1814 keurde Willem I der Nederlanden, vorst van de Nederlanden, een nieuw ontwerp op de organisatie van de Marechaussee goed. De benaming Gendarmerie verdween, maar de fundamenten van de Franse organisatie bleven behouden. Ook het “Reglement op de politie, de discipline en de dienst der Marechaussee” van 30 januari 1815, dat tot 1957 van toepassing zal blijven op de Belgische Rijkswacht, nam de Franse wet van 1798 grotendeels over.
Ontstaan van de Belgische Gendarmerie Nationale Onmiddellijk na de Belgische Revolutie van augustus en september 1830 begon het nieuwe regime (26 september 1830) met de organisatie van de Belgische staat. Op 26 december 1830 werd er een wet aangenomen die de organisatie en werking van nationale politiedienst regelde. Passend in de algemene anti-Nederlandse en pro-Franse sfeer werd de dienst weer tot "Gendarmerie Nationale" omgedoopt. Wel werd bepaald dat de bestaande wetgeving van toepassing bleef: de gendarmen voerden hun opdrachten uit volgens de vroegere voorschriften.
De periode tot 1914
thumb|upright| Een Adjudant onderscheiden voor zijn staat van dienst en zijn deelname aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de volgende decennia onderging de Rijkswacht verschillende kleine evoluties en aanpassingen. Haar fundamenteel karakter bleef echter behouden. Zo werd er in 1863 een “Depot d'instruction” opgericht waar de rekruten een gecentraliseerde opleiding kregen. Later zou dit "onderrichtsdepot" uitgroeien tot de Koninklijke Rijkswachtschool. In 1913 werden er mobiele groepen gevormd. Deze moesten een nationale reserve vormen die in geval van noodzaak snel ingezet kon worden. Zij moest de inzet van de marspelotons (die gevormd werden door het wegtrekken van gendarmes uit hun eigen eenheid om ze op een andere plaats in te zetten) verminderen, en zo de normale werking van de territoriale eenheden in stand houden.
Wereldoorlog I Als deel van de militaire organisatie leverde de Gendarmerie een belangrijke bijdrage bij de voorbereiding van de aankomende oorlog. Het verzamelen van inlichtingen, het verdelen van marsbevelen ter oproeping van de gemobiliseerde dienstplichtigen, het medewerken aan opeisingen behoorden tot de 'normale' taken tijdens de mobilisatie.
thumb|Groep rijkswachters onder leiding van kapitein Camiel Fremault, die een belangrijke rol speelden in de Slag van de Edemolen op 7 oktober 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog
Tijdens de oorlog zelf voerden de rijkswachters belangrijke taken uit: zij verzorgden het geleide van de koning, de militaire opperbevelhebber, de bewaking van het Groot Hoofdkwartier, en ze namen deel aan de verdediging van vestingen. Vele rijkswachters sneuvelden tijdens militaire acties.
Het interbellum Na de wapenstilstand van 1918 hervatte de Gendarmerie haar dienst in het gehele land. Er volgde een periode van relatieve rust, die zou duren tot aan de grote socio-economische crisis van de jaren dertig.
De sociale spanningen en de economische ineenstorting zorgden voor woelige tijden. Net als andere landen werd België geconfronteerd met stakingen, betogingen en andere vormen van sociale onrust. De opdracht van de Gendarmerie, het handhaven van de openbare orde en het doen naleven van de wetten, plaatste de rijkswachters vaak direct tegenover grote delen van de bevolking, die in de Gendarmerie soms de verpersoonlijking zagen van datgene wat ze op sociaal gebied bevochten. Nadat midden de jaren dertig de rust terugkeerde, werd de Rijkswacht gereorganiseerd. In het bijzonder werden de mobiele eenheden versterkt om sneller en flexibeler op grote openbare manifestaties te kunnen reageren.
Wereldoorlog II Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voerde de gendarmerie weer de taken uit die haar in deze situatie opgelegd waren: meewerken aan de mobilisatie en bijdragen tot de binnenlandse verdediging van het grondgebied. Zo'n 2400 rijkswachters werden uit de brigades gelicht en gebruikt om twee zogenaamde Lichte Regimenten op te richten. Deze beide eenheden zullen actief zijn bij de rest van het leger tijdens de Achttiendaagse Veldtocht. De tekorten in de brigades werden opgevuld door gedeeltelijke mobilisatie van de Aanvullende Rijkswacht.
De vijandelijkheden waren snel voorbij, België capituleerde, en de Rijkswacht werd verplicht om met de bezetter samen te werken. De bezetter ontdoet de Rijkswacht van haar militaire karakter. In juni 1940 instrueerde de commandant van de Rijkswacht zijn organisatie dat de Rijkswacht zich onder de bezetter uitsluitend zal bezighouden met de uitvoering van burgerlijke en gerechtelijke taken. Bijzondere aandacht moest besteed worden aan het herstel van het wegverkeer.
De betrekkingen met de bezetter waren gebaseerd op de strikte en exclusieve toepassing van de Belgische wetgeving. Derhalve werkten de rijkswachters niet mee aan de opsporing en arrestatie van joodse burgers, de opvordering voor de verplichte arbeidsdienst en het aanhouden van dienstweigeraars of het aanhouden van communisten. Integendeel, vele rijkswachters boden hulp aan de verzetsstrijders of namen actief deel aan het verzet.
Deze attitude ging niet ongemerkt aan de Duitse autoriteiten voorbij, en in 1942 greep de bezetter in. Het commando van de Rijkswacht werd uiteindelijk verplicht “die elementen te verwijderen die in plaats voor de openbare orde voor wanorde, ongehoorzaamheid en onveiligheid zorgen.” Een groot aantal gendarmes werd uit hun functie ontslagen, maar de geest van verzet bleef in het korps leven.
1945-1991 thumb|Een rijkswachter in 1947 De naoorlogse jaren brachten de Rijkswacht een aantal kleinere reorganisaties. In die jaren speelde het korps ook een belangrijke rol in de repressie, gaande van het opsporen en arresteren van collaborateurs over het meewerken aan de gerechtelijke onderzoeken en de processen, tot het uitvoeren van de doodstraffen door het leveren van executiepelotons.
Op 2 december 1957 werd de door de grondwet voorziene wet op de Rijkswacht gepubliceerd. Deze wet verving de tot dan bestaande, deels bijna 160 jaar oude wetgeving uit de Franse en Nederlandse periodes. De wet bevestigde het militaire karakter van de Rijkswacht, maar creëerde een autonomie los van de Landmacht, waarvan het korps tot dan toe deel uitmaakte. De Rijkswacht werd toen een afzonderlijke krijgsmacht, afhankelijk van de uitvoerende macht, onder de voogdij van de ministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken en Justitie. De bevoegdheden strekten zich uit over het hele rijk en de Rijkswacht kreeg de verplichting om uit eigen initiatief op te treden wanneer misdaden de openbare rust, personen of eigendommen in gevaar brachten. De mogelijkheid om scholen op te richten werd in de wet voorzien.
In de jaren zestig werd de Rijkswacht geconfronteerd met belangrijke evoluties op maatschappelijk en technologisch vlak. Deze tijd werd gekenmerkt door een opmerkelijke toename van de zware, vaak georganiseerde criminaliteit: hold-ups, drugshandel, mensenhandel en terrorisme. Naast een toename van het personeelsbestand werd de Rijkswacht ook beter georganiseerd en uitgerust. Het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) en de Bewakings- en Opsporingsbrigades (BOB) werden opgericht, het korps kreeg een dekkend radionet, de eerste computers deden hun intrede. Er werden speur- en drugshonden in gebruik genomen.