Het Stadhuis van Maastricht is het historische raadhuis van de Nederlandse gemeente Maastricht. Het stadhuis staat midden op de Markt in het centrum van Maastricht en heeft een rijke, grotendeels achttiende-eeuwse inrichting. Het geheel met natuursteen beklede, vrijstaande gebouw is een ontwerp van Pieter Post en geldt als een belangrijk voorbeeld van het Hollands classicisme.
Geschiedenis thumb|Spaanse Furie (1576) op de Markt met Gevangenpoort en lakenhal
Voorgeschiedenis Vóór de bouw van het stadhuis op de Markt, vergaderde de raad van Maastricht in een tweetal panden aan de toenmalige Sint-Jorisstraat (tegenwoordig Grote Staat), genaamd De Lanscroon en De Liebaerd. De stedelijke (hoge) rechtspraak vond plaats in het nabijgelegen Dinghuis aan de Kleine Staat. Ook werd incidenteel de op de Markt gelegen lakenhal door het stadbestuur gebruikt.
Vanwege de tweeherigheid van Maastricht was het bestuur en de rechtspraak van de stad al zeker vanaf de dertiende eeuw een aangelegenheid van zowel Brabantse als Luikse raadsleden, burgemeesters, schouten en schepenen. Vanaf de Verovering van Maastricht door Frederik Hendrik in 1632 traden de Staten-Generaal van de Nederlanden in de rechten van Brabant.
Bouw stadhuis De eerste plannen voor een nieuw stadhuis op de Markt dateerden al uit de late zestiende eeuw, maar konden vanwege de oorlogssituatie niet worden gerealiseerd. In 1655 gaf de raad van Maastricht de opdracht tot de bouw van een nieuw stadhuis aan Pieter Post, leerling van Jacob van Campen, een architect die toen al grote bekendheid genoot als ontwerper van paleizen voor de Oranje-Nassaus. De keuze voor de Hollandse bouwmeester Post kan gezien worden als een teken van de toenemende invloed van de Staten-Generaal in Maastricht. In 1659 kwam Post naar Maastricht om de beste plaats voor het nieuwe stadhuis te bepalen. Hij koos voor het midden van de Markt, tegen de wens van de Luikse bestuurders, die een plaatsing in een marktwand prefereerden. Voor het plan van Post moesten enkele huizen op de Markt, alsmede de Lakenhal, het Belfort en een gedeelte van de eerste stadsmuur, met de Leugenpoort en de Gevangenpoort, wijken.De namen van twee op de Markt aansluitende straten (Kleine Gracht en Grote Gracht) verwijzen nog naar het verloop van de eerste ommuring dwars over de Markt. Door de sloop ontstond een min of meer vierkant marktplein, waarop centraal het nieuwe raadhuis gebouwd kon worden. Doordat de Luikse prins-bisschop weigerde mee te werken aan de onteigening van twee huizen, verschoof het stadhuis iets naar de zuidoosthoek, waardoor de ideale verhoudingen die Post nastreefde, niet geheel gerealiseerd konden worden.
De eerste steen werd gelegd in 1659 door de hoogschouten Groulart en De La Montaigne. Zij begroeven bij die gelegenheid een loden bus met munten en een koperen gedenkplaat in de zuidwestelijke hoek van het bouwwerk. Een deel van de stenen voor de fundamenten van het stadhuis waren afkomstig van de afgebroken Gevangenpoort. De uitvoering van de bouw was in handen van de assistent van Pieter Post, de Maastrichtse bouwmeester Cornelis Pesser. Hij wijzigde de gevelopbouw door onder andere de bel-etage met tientallen centimeters in te korten en de bovenliggende etages met ruim een meter te verhogen.Zo werd het hoofdgestel van de eerste etage met 24 cm verhoogd, dat van de tweede etage met 30 cm en dat van de derde etage ('mezzanine') met 7 cm. De pilasters van de tweede etage werden met 15 cm verhoogd; die van de mezzanine met 20 cm (Minis/De Heer, p.54). Ook wijzigde hij de breedte van de pilasters en wisselde de klassieke bouworden van de twee hoofdverdiepingen om.Volgens Koen Ottenheym vonden deze wijzigingen in het bestek van Post plaats onder verantwoordelijkheid van stadsarchitect Cornelis Pesser, maar kan de aanzet hiertoe ook gegeven zijn door de militaire gouverneur van Maastricht, Frederik Magnus van Salm, of de destijds in Maastricht woonachtige Schotse geleerde Sir Robert Moray. Beiden hadden interesse in bouwkunde. (zie: K. Ottenheym, 'Het stadhuis te Maastricht van Pieter Post', in: Minis/De Heer, pp. 35-58).
Na enige vertraging kon de gemeenteraad in 1664 haar intrek nemen in het nieuwe stadhuis.
Torenbouw, inrichting en gebruik Het gebouw was bij de ingebruikneming nog niet helemaal af, want voor de toren was geen geld meer. Pas in 1684 kon de Akense bouwmeester Adam Wynandts de stadhuistoren volgens het ontwerp van Post voltooien.
De inrichting was aanvankelijk uiterst sober, maar vanaf 1700 werd er geld vrijgemaakt voor sierstucwerk, wandbekleding en meubilering. Met name de Brabantse burgemeesters Godert van Slijpe en Henrick Pesters zetten zich tussen 1830 en 1850 in voor de verfraaiing van het stadhuisinterieur. In deze periode werd onder andere de sierstucwerker Tomaso Vasalli ingehuurd en werden het goudleerbehang voor de burgemeesterskamer, de verduretapijten voor de raadskamer (tegenwoordig collegekamer) en de Mozestapijten voor de prinsenkamer verworven.
Het stadhuis was vanaf 1664 het centrum van bestuur en rechtspraak in Maastricht. Daarnaast huisvestte het gebouw tot ver in de negentiende eeuw het complete ambtenarenapparaat van de gemeente, de stadsbibliotheek, het stadsarchief, de gevangenis, de waag en de stadstimmerwerf. Op de begane grond en in de kelders van het stadhuis bevonden zich verhoorkamers, gevangeniscellen en cipiersverblijven. Executies vonden plaats op een schavot vóór het stadhuis. Voor minder zware vergrijpen stond links vóór het stadhuis een schandpaal opgesteld (voor mannen) en een draeyhuysken (voor vrouwen).
Aanpassingen, restauraties en bouw stadskantoor Een deel van het interieur werd tijdens het Beleg van Maastricht (1793) zwaar beschadigd als gevolg van Franse bombardementen. In 1839 werden de originele ramen met hardstenen kruiskozijnen uitgebroken en vervangen door Franse ramen. In 1861 werd het dak vernieuwd om een betere afwatering te verkrijgen, waarbij de opvallende schoorstenen op de hoeken werden afgebroken. Ook werd de zinken dakbedekking van de toren vervangen door lood, waarbij acht zinken satyrmasker werden verwijderd.Een van de maskers bleef bewaard en was in 2021 te zien tijdens de tentoonstelling Macht, Wellust en Zink bij Bureau Europa. 'Napoleon was dol op zijn zinken bad, dat arbeiders met gevaar voor eigen leven maakten aan de voet van de Vaalserberg', op limburger.nl, 1 oktober 2021. In 1884 werd de bibliotheek in het stadhuis verbouwd tot raadszaal.
In de loop der jaren kregen vrijwel alle ruimtes een nieuwe functie. De belangrijkste verandering was de opheffing van de tweeherigheid in 1794 (zie Beleg van Maastricht, 1794), waardoor de zo kenmerkende indeling in een Luikse en Brabantse zijde overbodig werd. De kamers aan de Luikse zijde waren in de 19e eeuw in gebruik door de gemeentesecretarissen, de kamers van de commissarissen-deciseurs en de raadkamer werden wethouderskamers en trouw- en vergaderzalen, de Brabantse schepenkamers en audiëntiekamer werden eveneens wethouderskamers en secretariaat. De enige kamer die altijd dezelfde functie heeft behouden is de burgemeesterskamer. De inrichting van de raadzaal weerspiegelt de veranderingen in het openbare bestuur. Waar de raadsleden in 1851 - toen de gemeenteraadsvergaderingen openbaar werden - nog met hun rug naar het publiek zaten, werd dit later omgedraaid.
In de jaren 1945-1961 werden de achttiende-eeuwse wandtapijten van het stadhuis onder leiding van mej. dr. G.T. van Ysselsteyn gerestaureerd en schoongemaakt in de Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel in Haarlem. De twee series verduretapijten en de Mozestapijten werden daarna vrij hangend opgehangen, dus niet meer ingelijst zoals daarvoor.
thumb|left|250px|B&W in de Collegekamer (1990) In 1961 werd een modern stadskantoor naast de oprit van de Wilhelminabrug gebouwd om de druk op het monumentale stadhuis te verlichten. In 2000 werd dit gebouw alweer gesloopt en begon de bouw van een ambitieus nieuw bestuurscentrum annex winkelcentrum tussen Markt en Maas. In 2007 kwam de nieuwe raadzaal in het complex Mosae Forum gereed en sedertdien vergadert de Maastrichtse gemeenteraad aldaar. Ook de meeste baliefuncties bevinden zich thans in de nieuwbouw, die met een ondergrondse gang verbonden is met het oude stadhuis. Het college van burgemeester en wethouders zetelt nog altijd in het historische stadhuis, waar ook de meeste officiële ontvangsten plaatsvinden.
In 2014 werd berekend dat de renovatie van het oude stadhuis, inclusief het kunsthistorisch zeer waardevolle interieur, rond de 20 miljoen euro zou gaan kosten. Vanwege de hoge kosten besloot de gemeente de restauratie over een aantal jaren uit te smeren.Zie artikel 'Renovatie stadhuis kost Maastricht 20 miljoen' in Dagblad De Limburger, 27 juni 2014, p.B1 (online tekst). Vanaf 2014 namen B&W tijdelijk hun intrek in een pand aan de Batterijstraat. In het stadhuis werden onder andere op diverse locaties vochtproblemen aangepakt, werden constructiebalken die door houtworm waren aangetast vervangen en werd de complete bekabeling vervangen. Het gebouw kreeg dubbele beglazing (deels uv-werend, vanwege de kwetsbare kunstwerken) en werd aangesloten op de restwarmtecentrale van papierfabrikant SAPPI. Ook kwam er een broodnodig luchtbehandelingssysteem om de werkomstandigheden te verbeteren, waarbij het van belang was dat het historische stucwerk, het goudleerbehang en de schilderstukken niet werden aangetast. Die laatste, alsmede de gewelfschilderingen in de hal, werden gerestaureerd door de Stichting Restauratie Atelier Limburg. In mei 2017 was de restauratie afgerond en werd het stadhuis opnieuw in gebruik genomen.'Stadhuis op de Markt in Maastricht na opknapbeurt weer open' op l1.nl, 1 mei 2017.
Beschrijving exterieur Het stadhuis van Maastricht is gebouwd op een vierkant grondplan van 100 x 100 Rijnlandse voet (31,4 x 31,4 meter), met een hoogte van 75 voet (tot daknok) of 150 voet (tot torenhelm).
Toren Het vijf verdiepingen tellende stadhuis (inclusief kelder- en kapverdieping) is gedekt met een schuin oplopend leiendak, waarboven een bijna 25 meter hoge toren rijst. De onderbouw van de toren is vierkant en van baksteen en gaat daarna over in een achtkantige klokkentoren met een open lantaarn en een koepel. De achtkantige klokkentoren bestaat uit vier, naar boven toe steeds slanker wordende etages: de eerste heeft acht boogramen; de tweede etage heeft vier wijzerplaten met in de tussenliggende gevelvlakken cirkelvormige lichtopeningen; de derde verdieping heeft een balustrade met aan elke zijde vier balusters, met daartussen vierkante steunberen; de bovenste etage bestaat uit de lantaarn, waarin een klokkenspel hangt. De lantaarn is gedekt door een in een punt uitlopend koepeldak bekleed met zink, waarop een bol is geplaatst, met daarboven een windvaan.
Een bijna exacte kopie van de toren van het Maastrichtse stadhuis is de bovenbouw van de zogenaamde Eendentoren van het klooster Troitse-Sergieva Lavra, in de buurt van Moskou.L. Minis, p. 10.
Carillon