Den Treek is een buurtschapIn het lemma Leusden in plaatsengids.nl wordt Den Treek als buurtschap genoemd. Gearchiveerd op 23 maart 2023. en landgoed behorende tot de Nederlandse gemeente Leusden, in de provincie Utrecht. Het landhuis ligt aan de rand van de bossen van de Utrechtse Heuvelrug, 2 kilometer ten zuidwesten van Leusden-Zuid.
De geschiedenis van 'Den Treek' valt in belangrijke mate samen met de geschiedenis van Leusden. De villa Lisiduna, waarvan al in de achtste eeuw sprake was, groeide uit tot Leusden (tegenwoordig: Oud-Leusden). In de negentiende eeuw verplaatste Leusden zich naar het zuidwesten, richting Leusbroek, naar wat nu Leusden-Zuid heet en nog later ontwikkelde het centrum van het tegenwoordige Leusden zich rond Hamersveld.
Vanaf 1807 is de geschiedenis van Den Treek verbonden met die van het geslacht de Beaufort.
Het landgoed Den Treek vormt tegenwoordig een geheel met Henschoten.
Geschiedenis Op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei was de villa Lisiduna in de achtste eeuw een van de eerste nederzettingen; althans een van de eerste die uit geschreven bronnen bekend zijn. In een bekende oorkonde van 777 wordt de villa genoemd.van Iterson vermeldt een (omstreden) vermelding van Leusden van 697 (vanIterson 1932, p. 608)
In 777 schonk Karel de Grote aan de Utrechtse kerk onder andere de in de gouw Flehite gelegen villa Lisiduna, met de toebehoren, die in de schenkingsoorkonde nader gespecificeerd zijn als akkergrond (terra), hoeven (mansus), huizen en gebouwen, onvrijen, bossen, velden, weide- en hooilanden en tot slot waterlopen.Broer 2000, p. 260
In de rechtsbronnen van de Frankisch-Germaanse periode waren villae (het meervoud van villa) domeinen of grote landgoederen die toebehoorden aan één heer. Op de landgoederen werkten horigen, die op boerderijen woonden en die gebruiksrechten (maar geen eigendomsrechten) hadden op onbebouwde grond en op bossen in de omgeving voor het vergaren van brandhout en het weiden van varkens.Behalve deze bossen worden ook nog zogenaamde 'foreesten' genoemd: bossen die dienden voor de jacht. In dezelfde oorkonde uit 777 waarin Leusden werd genoemd, werden ook vier foreesten genoemd: Hengestcoten, Fornhese, Widock en Mokoroth, die aan weerszijden van de Eem lagen: etiam et forestes illas, quarum vocabula sunt Hengistcoto, Fornhese, Mocoroht, Uuidoc, que sunt de ambas partes Hemi (Broer 2000, p. 260).
Oud-Leusden Uit de villa Lisiduna ontwikkelde zich (Oud-)Leusden, dat reeds in 1006 een kerk had.Perks 1984, p. 17 Er vond landbouw plaats, maar ook ijzerwinning.Beijer, Hans - 'Historische wandeling : Van Nimmerdor via Oud-Leusden naar Den Treek'. in: LeusderKrant, 2015-01-21; geraadpleegd 2015-10-05
De Hofstede Oud-Vlooswijk wordt wel gezien als de vroegere pastorie van LeusdenPerks 1984, p. 21
Oorspronkelijk hebben de zandgronden in dit gebied waarschijnlijk een vrijwel aaneengesloten bosbegroeiing gekend. Tussen de zandruggen en in de Gelderse Vallei lagen veengebieden. Naar het noorden lagen ook veengebieden. Het brede mondingsgebied van de Eem was lang, dat wil zeggen tot ver in de twaalfde eeuw, aan de invloed van de zee onderhevig was. Geleidelijk vielen door het ontstaan en de uitbreiding van nederzettingen als die van Leusden de bossen uiteen. Aan de (noordoostelijke) randen van de hoge zandgronden van de Heuvelrug treffen we de oudste middeleeuwse bewoning aan. Deze gronden waren door hun natuurlijke gesteldheid voor bewoning en landbouw het meest geschikt. In de periode van de achtste tot en met de tiende eeuw breidde de bewoning zich geleidelijk uit. Het aantal nederzettingen nam toe, evenals het aantal ontginningen.
In de achtste en de negende eeuw, betekende dat op of aan de randen van de hoger gelegen zandgronden voornamelijk het rooien van bos om bouwland aan te leggen (en om brandstof te krijgen, onder andere voor de ijzerwinning). Toen in de 12e en 13 eeuw paarden en runderen een belangrijkere plaats in het boerenbedrijf gingen innemen groeide de behoefte aan weidegrond en hooiland. Die werd gevonden op de lager gelegen gronden.Broer 2000, p. 260; zie ook Perks 1984, p. 22
Waarschijnlijk zijn de boeren van Leusden al snel wei- en hooilanden gaan ontginnen in het gebied langs de Lunterse Beek en het Heetveld. Later werd ook het Leusbroek ontgonnen.Overigens was toen het gebied van Hamersveld reeds ontgonnen (Perks 1984, p. 22)
In de achttiende eeuw raakte Oud-Leusden ontvolkt. Er stonden in 1799 nog slechts 7 huizen bij de kerk. De kerk werd in 1827 afgebroken. Een nieuwe kerk werd in Leusbroek gebouwd.Perks 1984, p. 14 - 16
De oudste vermelding van 'Den Treek' In een regest van de bisschop van Utrecht uit het jaar 1334 is sprake van 'de Treke aan de Beke': bisschop Jan van Diest verklaarde 'dat zijn hofluden van Loesden aan Arnoud van IJsselstein, ridder, gegeven hebben de hoeve Wilslande gelegen tussen Badenvorde en de Treke aan de Beke.' De bisschop staat alle rechten af. De hoeve Wilslande heette later 'Wiltschoir' of 'Veltschoren' en lag langs de Lunterse Beek tussen Ooievaarshorst en Den Treek. Badenvorde is natuurlijk Bavoort. Overigens werd 'Bachevorde' reeds in 1006 genoemd als een der goederen, die door bisschop Ansfried aan het klooster Hohorst werd geschonken.Perks 1984, p. 23
De marke van de Leusderberg De hoeve Den Treek was een van de 26 hoeven die - waarschijnlijk vanaf de dertiende eeuw - samen de marke van de Leusderberg vormden. Deze marke van de Leusderberg kwam waarschijnlijk tot stand in de 13 eeuw. Een marke was een groep personen die gezamenlijk zekere rechten hadden. Bij de marke van de Leusderberg ging het om 26 hoeven (boerderijen), die gezamenlijk gebruiksrechten hadden op de Leusderberg, het heidegebied op de Utrechtse Heuvelrug onder Leusden. Die rechten waren: het recht om vee te weiden, plaggen te steken, hout te oogsten en bijen te houden. Het weiden van schapen werd wel aangeduid met “schaapsdrift”. Het gemeenschappelijk markebezit werd aangeduid als de 'almende'. Ook de naam “meent” werd gebruikt.Perks 1984, p. 20/21; van Iterson 1932, p.608 f spreekt van “de mark van Leusden”. Zie ook van Iterson 1932, p. 636/7 waarin ook de benaming “brink” ter sprake komt als aanduiding van de gemene grond en “Leusder eng” als aanduiding van land grenzend aan de meent.
Aanvankelijk bestond de marke uit 26 hoeven, later uit 31 hoeven, die in vier groepen kunnen worden verdeeld (de later toegetreden hoeven staan vermeld tussen haakjes)Perks 1984, p. 17; in deze opsomming ontbreekt de Ooievaarshorst, die wel op kaart 2, p. 52 wordt genoemd. van Iterson is duidelijker over de aantallen: aanvankelijk 26, uiteindelijk 31 (van Iterson 1932, p. 645): op de Leusderberg nabij Amersfoort: de Groote Hoek, Grootveld, Velddorp en Vlooswijk; op het Heetveld: Den Treek, Groot Loevezijn, Klein Loevezijn, (Loef,) Ravensbeek en Groot Ravenhorst (van ouds Ravensloot); in Leusderbroek: Vrijhoef, Burgwal, 't Pothsland, Heuvel, Drift, Middenbroek, Groot SantbrinkNiet te verwarren met Groot-Zandbrink, oostelijk van Hamersveld; de naam Santbrink voor de hoeve(n) in Leusbroek schijnt eerst laat in gebruik te zijn genomen (Perks 1984, p. 23), 't Hek, 't Oude Huis, Klein Santbrink, Groote Pol, Kleine Pol en 't End; langs de Lunterse Beek: Oude Bieshaar, (Nieuwe Bieshaar,) Bruine Haar, Bavoort, (Ruitenbeek,) Grift (en Heiligenbergzicht).
De eerste schriftelijke bron over de 'gemeen geërfden van de 26 houven gelegen onder Leusden' dateert van 27 november 1561. De eigenaren van de 26 hoeven maakten een verordening over de gronden waarop zij collectieve en individuele gebruiksrechten uitoefenden. De Prins van Oranje legde zijn goedkeuring daarover vast in een ordonnantie. Doel van de verordening was het verstuiven van het zand op de gemene grond tegen te gaan. Volgens deze verordening hadden de hoeve-eigenaren het recht 'schapen te drijven, plaggen te slaan, hout te houwen, turf te graven, heet (heide) en plaggen te maaien en verder alles wat zij vroeger gedaan hebben.'Perks 1984, p. 24 . Van Iterson noemt “den (ghemenen) bueren van Loesden” al in eerdere acten; bijv. uit de periode 1466-1469. (van Iterson 1932, p. 614). Zie ook: van Iterson 1932, p. 628, waar de naam van de in 1561 genoemde zandverstuivingen wordt genoemd: “die Graeuwe Duynen”.
Bij een grensgeschil in 1594 tussen Amersfoort, Soest, Leusden en Zeist liet Amersfoort het terrein in kaart brengen.Perks 1984, p. 28; bedoeld is de kaart door C. van Montfoort
In 1604 stelden de geërfden een reglement op, dat in 1605 door de Staten van Utrecht werd goedgekeurd. In dit reglement is vastgelegd dat 5 gecommitteerden de geërfden naar buiten zouden vertegenwoordigen; deze gecommitteerden kozen uit hun midden een meentgraaf. Tweemaal per jaar zou de controle van de almende plaatshebben: op 6 mei en daags na Bartholomeusdag (24 augustus).Perks 1984, p. 26/27
Van de hoeven naar de gemene gronden liepen schaapsdriften of schaapstreken. Uit een zeventiende-eeuwse lijst blijkt bijvoorbeeld dat de hoeve Ooievaarshorst “twee streeck” had.van Iterson 1932, p. 646
De oppervlakte van de meent nam af door “aangravingen”: bewoners van de 26 hoeven vergrootten hun bouwland ten koste van de gemeenschappelijke gronden. Maar er werden ook stukken van de meent verkocht.van Iterson 1932, p. 633, p. 635
Nadat aanvankelijk de gemene gronden werkelijk gemeenschappelijk eigendom waren, werden al in de zeventiende eeuw aandelen in de gemeenschappelijke grond aangeduid: bij verkoop van een hoeve werd ook een “waardeel” verkocht: het recht om naar evenredigheid van de grootte van de hoeve rechten uit te oefenen op de Leusdermeent, die uiteindelijk nog eigendom van “de heer” was; eerst de bisschop, en later de Domeinen 's Lands van Utrecht. In de achttiende eeuw werd bepaald dat iedereen die schapen op de Leusderberg liet weiden daarvoor een bepaald bedrag moest betalen.van Iterson 1932, p. 657/8 In de loop van de achttiende eeuw verdween “het grondheerlijk karakter van de Leusderberg met zijn hoeven” geheel.van Iterson 1932, p. 660f In 1838 gaan er voor het eerst stemmen op om de Leusderberg te verdelen. Grote delen worden uiteindelijk verkocht, onder andere aan de Minister van Oorlog voor de aanleg van een oefenterrein. Uiteindelijk werd ook de resterende grond verdeeld en kwam op tweede kerstdag van het jaar 1889 een einde aan het bestaan “van dit merkwaardige lichaam van zeer hooge ouderdom”.van Iterson 1932, p. 667
Huize Den Treek De activiteiten rond de Leusderberg hadden aanvankelijk een zuiver agrarisch karakter. Het ging om 26 / 31 boerderijen, die de gemene gronden benutten in hun bedrijfsvoering. De hoeven waren zelf voor een deel weer eigendom van rijke families of van kerkelijke instellingen. De boeren die op de hoeven woonden en werkten betaalden pacht. Zo was Den Treek in 1700 eigendom van “Johan van den Treeck, Med. Doctor”, de kleinzoon van Leendert Jansz. van den Treeck. Hij had de hoeve verpacht. In 1712 wordt Everard van Weede, Heer van Dijkveld de eigenaar van Den Treek. De pachter is dan Jacob Cornelisz Blankestyn. De hoeve wordt verkocht voor fl. 4700. In 1734 wordt de hoeve opnieuw verkocht, voor fl. 3300 aan Nicolaas Treeker, kanunnik van Sint Jan Baptist te Wijk bij Duurstede. Het bezit wordt omschreven als “een Heerenhuisinge, Stallingen en koetshuis met zijn Tuyn, Allees, Plantagien en groote Vijverkom en Watervallen, beneffens boerenwoninge genoemt de vijfviertelhoeve off den Treek met den paardecamp.”Perks 1984, p. 39/40