Het Kasteel van Beauregard (Frans: Château de Beauregard) is een kasteel bij Cellettes in het departement Loir-et-Cher, in de Loire-streek in het midden in Frankrijk tien kilometer ten zuiden van Blois. Het is een van de kastelen van de Loire.

Opmerkelijk is La galerie des portraits, een zaal waarvan de vier muren behangen zijn met 327 portretten van historische figuren (Frans en internationaal) die hebben bijgedragen tot de geschiedenis van Frankrijk tussen 1328 en 1643.

Geschiedenis Het kasteel is gelegen aan de rand van het woud van Russy. In het park kan men er nog steeds de ruïnes bezoeken van een meer dan 500 jaar oude kapel. De in steen gegraveerde schelp, die symbool staat voor de pelgrims van Santiago de Compostella, en de strijdkreet van de kruisvaarders “ Dieu le Volt”- “God wil het “- zijn er nog steeds te bezichtigen.

Het oorspronkelijke landhuis werd gebouwd op het einde van de 15e eeuw door de familie Doulcet. Jean Doulcet was bewaarder van de schatkist van hertog Karel van Orléans. In 1495 verhief Louis van Orléans (later Lodewijk XII) de grond van Beauregard tot de heerlijkheid en werd bij edict de bouw van een duiventil mogelijk gemaakt.

De zoon van Jean Doulcet, François, was bewaarder van de schatkist van Lodewijk XII. Deze functie werd hem ontnomen nadat hij geld had afgetroggeld van de gemeente Couronne tijdens de veldtochten in Italië. Hij nam gedurende die periode ook Beauregard in beslag en integreerde het in het koninklijk domein.

Frans I schonk het kasteel in 1521 aan zijn oom René de Savoie. Hij had het tot dan enkel gebruikt als ontmoetingsplaats voor de jacht. De Savoie zelf stierf in 1525 bij de slag bij Pavia. Hij liet het domein na aan zijn weduwe.

In 1545 werd het Kasteel van Beauregard voor 2000 kronen opgekocht door Jean du Thier. Du Thier was staatssecretaris van Financiën onder Hendrik II en eveneens een groot humanist en beschermer van de dichters Joachim du Bellay en Pierre de Ronsard.

Jean du Thier was eigenlijk de echte bouwmeester van het kasteel. Hij nam het oude huis op in het nieuwe gebouw en zorgde voor de aanleg van de centrale zuilengang, die de twee bewoonde hoofdgebouwen met elkaar verbond. Wie de architect was, is tot op heden onbekend gebleven. Voor de versiering van het interieur deed Jean du Thier vanaf 1553 een beroep op een aantal buitenlandse kunstenaars die toen in dienst waren van koning Hendrik II. De schilder Niccolò dell'Abbate bracht fresco’s aan in de noordvleugel van het kasteel, die eerder (in de 16e eeuw) door een brand was verwoest.

De koninklijke houtsnijkunstenaar Francisque Scibec de Carpi beeldhouwde de lambrisering van de werkkamer, ‘le Cabinet des Grelots’. Aan de voet van de ramen van de zuidelijke vleugel legde Jean du Thier, strikt volgens de regels, een typische renaissancetuin aan. Hij zorgde eveneens voor een collectie zeldzame planten die voldeed aan de smaak van de eigenaar.

Het kasteel werd beschreven en getekend in het werk van Androuet du Cerceau, « Des plus excellents bâtiments de France Second Volume (1579) ».

In 1566 nam Florimond Robertet het Kasteel van Beauregard over. Na de dood van Jean du Thier in 1559 had Catharina de' Medici hem tot staatssecretaris van Financiën benoemd. Florimond Robertet veranderde niets aan het Kasteel van Beauregard omdat hij de handen vol had met de bouw van zijn eigen kasteel, het kasteel van Bury.

In 1617 verkochten de erfgenamen van Florimond Robertet het Kasteel van Beauregard aan Paul Ardier. Na 55 jaar dienst aan het hof van Hendrik III, Hendrik IV en Lodewijk XIII, besloot de nieuwe eigenaar afstand te doen van zijn functie aan het hof.

Paul Ardier was controleur-generaal van Oorlog en de grootbewaarder van de Schatkist. Ardier was reeds 72 jaar oud toen hij zich wijdde aan de verfraaiing van zijn nieuwe domein. Hij brak het oude woongedeelte af en liet rond de centrale galerij twee moderne, symmetrische vleugels optrekken. Ook gaf hij de bijgebouwen hun huidige vorm. De belangrijkste realisatie van Paul Ardier was echter de decoratie van de Galerie des Portraits, waaraan ook de twee volgende generaties zich hebben gewijd. Zijn zoon, eveneens Paul Ardier genaamd en de echtgenoot van zijn kleindochter, Gaspard de Fieubet volgden zijn werk op. Zoon Ardier was voorzitter van het Rekenhof en Gaspard kanselier van de koningin-moeder Anna Van Oostenrijk. Het land van Beauregard werd opgericht in burggraafschap door Lodewijk XIV.

In 1816 behoorde het domein van Beauregard niet langer tot het erfgoed van Ardier, omdat het verkocht werd aan de burggraaf van Préval.

De gravin van Sainte Aldegonde werd geboren als Adélaide-Joséphine de Bourlon de Chavagne. Als weduwe van de graaf van Castiglione volgde ze hem op in het kasteel.

Haar dochter, Marie-Valentine Joséphine (1820-1891), trouwde in het kasteel met Alexandre-Edmond de Talleyrand-Périgord op 8 oktober 1839. De man was de graaf van Dino en zoon van de graaf van Talleyrand. In 1840 werd Marie-Valentine Joséphine bij hertogelijk besluit minnares van de schatrijke Rus Anatole Demidoff, « prins van San Donato ». Anatole Demidoff was kortstondig de echtgenoot van Mathilde-Laetizia Bonaparte, dochter van prins Jérôme en nicht van Napoleon III. In 1837 had Virginie de Sainte Aldegonde, hertogin van Mortemart, het kasteel van Meillant (Cher) geërfd van Henriette de Tourzel, hertogin van Charost. Vanaf 1842 liet zij dit kasteel restaureren.

In 1850 werd Jules, graaf van Cholet, de nieuwe eigenaar van het kasteel. Hij vertrouwde de verdere restauratie ervan toe aan Jules de la Morandière en in 1864 werd het als Historisch Monument gerangschikt door Prosper Mérimée. Het kasteel bleef in het bezit van zijn familie gedurende tweeënzestig jaar.

In 1912 begon Louis Thillier een groot project van modernisering en restauratie. Sinds 1925 behoort het domein toe aan de familie de Gosselin waaruit de gravin van Cheyron du Pavillon afkomstig is. Vandaag de dag zet zij de restauratie van het kasteel en van de portrettengalerij verder.

Beschrijving Het centrale gebouw bestaat uit twee galerijverdiepingen: op de gelijkvloerse verdieping bevindt zich een overdekte zuilengang, die uit 7 booggewelven bestaat en op de eerste verdieping bevindt zich nog een overdekte gang. In de 16e eeuw werden de galerijen gebouwd om de twee woongebouwen te verbinden. In de zuidelijke hoek van het kasteel bevindt zich een vleugel die bestaat uit twee verdiepingen waarvan op het dak Italiaanse hoge en rechte schoorstenen lopen, die versierd zijn met leisteen. Je moet je aan de andere kant van het plein een andere vleugel voorstellen. Dat was waarschijnlijk het oorspronkelijke woongedeelte uit de 15e eeuw dat er door Jean du Thier aan toegevoegd werd tijdens de bouw van het kasteel. Deze vleugel, die zichtbaar is op de plannen van Androuet du Cerceau, werd vernield in de 17e eeuw om plaats te maken voor een moderner gebouw dat definitief verdween in de 19e eeuw. De achtergevel die uitgeeft op het park werd aangepast in de 19e eeuw: de kaatsbaan moest verdwijnen om het hoofdgebouw te kunnen uitbreiden. Hierdoor vormen de woonvleugels niet langer een bijbouw en is de achtergevel duidelijk veel groter.

De “galerie des illustres” Paul Ardier, die de eigenaar werd van Beauregard in 1617, verwezenlijkte zijn grote droom als historicus in de belangrijkste galerij van het kasteel. Hij vertelt aan de hand van 315 portretten de geschiedenis van Frankrijk.

Al zestig jaar en drie generaties lang wordt het kasteel in de familie doorgegeven om dit uitzonderlijke plekje te voltooien.

Voorstelling De gang op de bel-etage is 26 meter lang en 6 meter breed. De verzameling, die uitgestald staat over de gehele kamer, bevat 327 portretten die afgebeeld zijn op twaalf panelen en op drie verschillende hoogtes hangen.

Elk portret dat op doek geschilderd is meet gemiddeld 55 cm bij 45 cm. Met uitzondering van Hendrik IV van Frankrijk en Lodewijk XIII van Frankrijk zijn alle figuren afgebeeld vanaf hun middel. Het grote ruiterportret van Hendrik IV staat op de schoorsteen, die uit de 16e eeuw dateert.

De portretten van de 14 figuren die hem omringen zijn duidelijk kleiner dan de volledige verzameling.

Het praalportret van Lodewijk XIII behelst de drie hoogtes van de portretten.

Het aantal portretten hangt af van de functie van de koning waarmee ze verbonden zijn. Het bewind van Filips IV bijvoorbeeld telt zes portretten, dat van Karel VII 21 portretten en dat van Lodewijk XIII 40 portretten.

De data van hun regeerperiode, hun embleem en de lijfspreuken van de koningen zijn op het houtwerk geschilderd tussen de vloer en de portretten.

Italiaans geïnspireerde portrettengalerijen De eerste verzamelingen van historische portretten doken voor het eerst op in Italië in de 17e eeuw. Het humanisme zorgde voor een heropleving van de klassieke interesse in mannen die in de loop van de geschiedenis een dominante rol gespeeld hadden. Men was gefascineerd door het leven, de daden maar ook door de karaktertrekken van deze beroemde mensen, die men dan ook zo getrouw mogelijk probeerde weer te geven.

De beroemdste onder deze Italiaanse verzamelingen was die van Paulo Giovio, bisschop van Nocera, in zijn villa aan het Comomeer. Meer dan 240 portretten van politieke en artistieke persoonlijkheden had hij verzameld, wat een enorme weerklank kreeg in Europa. Op vraag van de Medici is een kopie van deze verzameling vandaag te bezichtigen in het Palazzo degli Uffizi in Firenze.

Op het einde van de 16e eeuw kreeg Frankrijk de smaak te pakken voor portrettengalerijen. Die verzamelingen zijn niet meer in het bezit van Frankrijk, ze zijn verkocht of definitief verloren gegaan zoals de galerijen die Hendrik IV uit het Louvre bestelde of degene die Richelieu bestelde voor zijn Palais-Cardinal (het Palais-Royal). Die twee verzamelingen waren een geheel van portretten van politici en waren een voorbode voor het thema dat gekozen werd voor de Galerie des Illustres van het kasteel Beauregard.

De galerij van Beauregard is zeker geen alleenstaand initiatief, ze moet worden opgevat als een onderdeel van een trend.

Deze verzameling heeft zich echter van de andere verzamelingen van die tijd onderscheiden sinds de 17e eeuw. In haar memoires spreekt La Grande Mademoiselle, Anna van Montpensier, vol lof over haar bezoek aan het kasteel in 1655. De grote omvang van het project en de zorg die besteed is aan de uitvoering ervan hebben de galerij beroemd gemaakt van het begin. Ze vormt vandaag nog altijd de belangrijkste verzameling van portretten van historische figuren in heel Europa.

Er is nog een andere portrettengalerij te bezichtigen in Frankrijk met een heel ander thema en een heel andere omvang; ze is gedurende de 17e eeuw verzameld in het Château de Bussy-Rabutin in de Bourgogne. In de 19e eeuw hebben de markiezen van Biencourt een andere verzameling samengesteld in hun Kasteel van Azay-Le Rideau (in het departement Indre-et-Loire), waarvan een deel verkocht werd tijdens een veiling aan een afstammelinge en deze laatste schonk ze aan het museum Condé in Chantilly (in het departement Oise).

Ontstaan van de portretten Tussen 1620 en 1638 bestelde Paul Ardier 327 portretten bij een Parijse schilderschool. Sommige groepen portretten vertonen een eenheid van stijl die doet vermoeden dat ze het werk zijn van dezelfde artiest, maar geen enkel schilderij draagt een handtekening of een teken waaraan je de schilder of de schilderschool kan herkennen die instond voor de bestelling. Volgens de traditie van portretverzamelingen van de Italiaanse renaissance, werd het portret voorgesteld als een waar historisch document. Het onderzoek naar de meest betrouwbare iconografische bronnen was een essentieel aspect in het werk van Paul Ardier en zijn schilders.