Monoklonale antistoffen (Engels: monoclonal antibodies, mAbs) zijn antistoffen die afkomstig zijn van één enkele kloon van plasmacellen of genetisch identieke cellijnen. Omdat alle cellen in de kloon identiek zijn, binden deze antistoffen uitsluitend aan hetzelfde specifieke epitoop op een antigeen.
Dit in tegenstelling tot polyklonale antistoffen, die worden geproduceerd door verschillende B-celklonen en daardoor gericht zijn tegen meerdere epitopen op hetzelfde antigeen.Ge-Bu Monoklonale antilichamen 2008
Voordelen Monoklonale antistoffen bieden significante voordelen ten opzichte van traditionele polyklonale antistoffen uit dierlijk antiserum: Hoge specificiteit: Elke antistof bindt met dezelfde affiniteit aan hetzelfde doelwit-epitoop, wat aspecifieke kruisreactiviteit minimaliseert. Uniforme reproduceerbaarheid: Doordat stabiele celkweeklijnen worden gebruikt, is de moleculaire samenstelling over opeenvolgende productiebatches identiek. Bij dierlijke antisera varieert de samenstelling per proefdier en per bloedafname. Zuiverheid zonder vreemde serumeiwitten: Monoklonale preparaten bestaan uit geïsoleerde, uniforme antistoffen in plaats van een complex mengsel van bloedserumeiwitten. Beperking van proefdiergebruik: Zodra een stabiele cellijn is gegenereerd, kan opschaling plaatsvinden in bioreactoren zonder continue afhankelijkheid van proefdieren.
Verkrijgingsmethode
Een bepaald antigeen wordt bij een muis ingespoten. Zes tot twaalf weken later gebeurt dit nog een keer. Drie dagen later wordt de milt uit de muis gehaald. De milt bevat nu de B-lymfocyten die antistoffen aanmaken tegen het ingespoten antigeen. Doordat één antigeen verschillende epitopen heeft zullen de B-cellen antistoffen aanmaken tegen de verschillende epitopen op hetzelfde antigeen. Dit heet een polyklonaal antiserum.
Hierna wordt de milt in een oplossing fijngemaakt, zodat alle cellen los van elkaar komen te liggen (celsuspensie). Omdat B-cellen een korte levensduur hebben (zoals de meeste gedifferentieerde cellen), bedachten de onderzoekers Georges Köhler en César Milstein dat ze deze cellen konden laten fuseren met tumorcellen. Tumorcellen zijn namelijk wel goed te kweken omdat ze ongeremd delen. Fusie gebeurt door toevoeging van polyethyleenglycol, waardoor nabijgelegen membranen samensmelten.
Na de fusie (hybridisatie) van de B-cellen met de tumorcellen (myelomen) worden de cellen blootgesteld aan een speciaal medium om de niet-gefuseerde myeloomcellen te verwijderen. Deze kunnen enkel de de-novosynthese-pathway gebruiken voor de aanmaak van DNA. Door toevoeging van aminopterine wordt deze weg geblokkeerd, en sterven ze af. De hybridoma's gebruiken, dankzij de B-cellen, een alternatieve pathway en overleven. De niet-gefusioneerde B-cellen sterven na 1 à 2 weken van ouderdom. De groepjes cellen die na drie weken nog leven heten celklonen of hybridoma's.
Na verdunning worden deze cellen verdeeld over een microtiterplaat, zodat er slechts 1 cel per putje aanwezig is, en er wordt groeimedium toegevoegd. Elk microtiter-putje bevat dan cellen die één antistof produceren, aangemaakt tegen één epitoop. Op dat moment heeft men een monoklonaal serum.
De klonen die het gewenste antistof produceren worden geselecteerd; dit zijn de antistoffen die een positieve reactie geven met het van tevoren gekozen antigeen. Alleen deze antistoffen worden verder gekweekt in een laboratorium.
Voorbeelden Adalimumab Aducanumab Besilesomab Bevacizumab Daratumumab Idarucizumab Infliximab Lecanemab Pembrolizumab Pendetide Rituximab Ustekinumab
Categorie:Immunologie Categorie:Immunoglobuline Categorie:Kankerimmunotherapie