Eugeen Zetternam (Antwerpen, 4 april 1826 - aldaar, 10 oktober 1855), pseudoniem van Judocus Josephus Diricksens, was een Vlaams volksschrijver.
Biografie Judocus Josephus Diricksens werd geboren in Antwerpen op 4 april 1826, als tweede en jongste zoon van de ambtenaar Joos Diricksens en Anna Maria Albrechts. Door het overlijden van vader Joos, nog vóór de geboorte van zijn zoon, kreeg het gezin het financieel moeilijker en moesten ze verhuizen van de welgestelde Ossenmarkt naar een achterhuisje in de Klappeistraat.
Omdat Judocus reeds op jonge leeftijd aanleg toonde voor tekenkunst, liet zijn moeder hem in de leer gaan bij een meubelschilder. Daarnaast volgde hij als tiener tekenlessen aan de academie. Judocus zou zijn leven lang, naast zijn andere activiteiten, schilderwerken blijven uitvoeren.
Dankzij Franse lessen van zijn moeder, ontwikkelde hij al snel interesse voor de literatuur. Hoewel hij zich aanvankelijk enkel voor Franse romans interesseerde en op de Vlaamse letterkunde neerkeek, deed het vlugschrift Aen de Belgen van Jan Frans Willems hem al gauw van kamp veranderen. Op 18-jarige leeftijd sloot hij zich aan bij het Vlaamsgezinde leesgezelschap De Ongeachten, waarvan zijn broer secretaris was en ook August Snieders lid werd.
In 1845 verscheen zijn eerste werk Rowna, waarbij hij het pseudoniem Eugeen Zetternam aannam. Ondanks de beperkte oplage wist dit werkje de aandacht te trekken van Jan Van Beers en Hendrik Conscience. De twee nodigden hem uit in de stedelijke bibliotheek en Conscience voorspelde dat hij een van de grootste prozaschrijvers van het land kon worden.
Het volgende jaar trok Zetternam naar Gent, om daar werk als schilder te vinden. Dankzij zijn oude kennis J.F.J. Heremans, die intussen professor aan de universiteit was, kwam hij in contact met de grote namen uit het Gentse schrijversmilieu: Karel Ledeganck, Prudens Van Duyse, Ferdinard Snellaert… In Gent schreef Zetternam verschillende werken, waaronder de historische roman Bernhard de laat.
In januari 1847 werd hij opgeroepen tot dienstplicht, waarbij hij ingelijfd werd in een regiment in zijn geboortestad Antwerpen. De zwakgebouwde Zetternam leed zwaar onder het soldatenleven. Verschillende pogingen van Conscience en Van Beers om hem vrij te krijgen, draaiden op niets uit. Bovendien werd hij getroffen door de oogziekte trachoom, die destijds een epidemie vormde onder de soldaten en waar Conscience twee jaar later in zijn novelle De loteling over schrijft. Deze ziekte bleek een geluk bij een ongeluk: het gaf Zetternam de tijd om Bernhard de laat af te werken en te beginnen aan zijn succesvolste roman Mijnheer Luchtervelde. Met dit laatste werk wint hij een wedstrijd die werd uitgeschreven door de vereniging De Taal is gansch het Volk.
Pas op 7 mei 1849 werd hij van zijn dienstplicht verlost, toevallig op dezelfde dag dat zijn vriend Theodoor Van Ryswyck overleed. In augustus trouwde hij met zijn jeugdliefde Anna Joanna De Ridder, met wie hij drie dochters zou krijgen. Naast zijn gezinsleven en schilderswerken begon hij nu ook weer meer boeken te schrijven, waaronder de grote historische roman Philips de Goede te Antwerpen. Dit werk werd door Van Beers en Julius De Geyter uitgeroepen tot zijn meesterstuk en Conscience las er stukken uit voor op een bijeenkomst. Nadat Zetternam eind 1851 het manuscript opstuurde naar een Gentse uitgever, verdween het spoorloos.
Ondanks zijn drukke leven ging Zetternam zich in de laatste jaren van zijn leven ook nog bezighouden met de politiek, waar hij steevast opkwam voor de Vlaamse zaak. In januari 1855 werd hij redacteur bij het nieuwe tijdschrift De Vlaamse School van het Antwerpse Sint-Lucasgilde. In februari en maart trok hij door het land om dit blad te promoten.
In juli van hetzelfde jaar kreeg Zetternam plots een koortsaanval. Na een ziektebed van enkelen maanden overleed hij op 29-jarige leeftijd op 10 oktober 1855, in het bijzijn van zijn familie en zijn vrienden Conscience en De Geyter. Na de begrafenis verschenen er gedichten ter nagedachtenis aan Zetternam; niet enkel door zijn Vlaamse vrienden Van Duyse en De Geyter maar ook door de Waalse dichter Antoine Clesse. Later dat jaar werden er door verschillende verenigingen geldophalingen georganiseerd, om het gezin van Zetternam financieel te ondersteunen.
In 1876 publiceerde F. Jos Van den Branden de volledige werken van Zetternam, inclusief een uitgebreide biografie.
Werken Rowna. Eene fantastische legende (1845) De zwanen (1846) Margaretha van Constantinopelen (1846) Bernhart De Laet (1847) Hoe Pietje Triste fortuin deed (1847) Schets uit het werkmansleven (1847) Voor twee centen minder (1847) Brokken uit het gedenkschrift van eenen koperen knop (1848) De tooverdoos (1848) Eene liefde (1848) Mijnheer Luchtervelde (1848) Tantje Mortelmans (1848) Een kopje te veel (1849) Iets over de Vlaamsche beschaving (1849) Het bestuur en de natie (1850) Simon Cokkermoes. Historisch tafereel (1850) Egmont's einde (1850) Burgerrecht (1851) Eene zonderlinge bedelares (1851) Arnold de Droomer (1852) De wonderbare avonturen eener oude schilderij (1853) Een middeltje om ryk te worden (1853) Kimrische diluvie (1853) Hel en duivel (1854) Tooneelen uit het leven eens kunstschilders (1854) Bedenkingen op de Nederlandsche schilderschool (1855) Hoe men schilder is (1855) De vrouw van Egmont (1859) Volledige werken (1876)
Literatuur F. Jos VAN DEN BRANDEN, Volledige werken van Eugeen Zetternam met levensschets van den schrijver, Antwerpen, Louis Legros. Bart D'HONDT, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat. Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent, Gent, Liberaal Archief / Snoeck, 2014, pp. 69-70
Externe links
Volledige tekst van Mijnheer Luchtervelde
Categorie:Vlaams schrijver Categorie:Belgisch persoon in de 19e eeuw