miniatuur|Pijporgel uit 1849-1856 van Hippolyte Loret in de Finistèrekerk te Brussel miniatuur|Orgel van de Jacobikerk in Utrecht miniatuur|Concertorgel van de Wiener Musikverein miniatuur|Orgel in de Groote kerk te Kaapstad Het pijporgel is een muziekinstrument dat bestaat uit onder meer een aantal orgelpijpen – meestal ondergebracht in een orgelkas – en een windvoorziening.

Vanouds zijn alle orgels pijporgels en sprak men kortweg van orgels. Het woord pijporgel is ontstaan om verwarring met een elektronisch orgel of harmonium te vermijden.

Algemene kenmerken De bespeling door een organist geschiedt door middel van een of meer klavieren, ook 'manualen' genoemd, en een pedaal (een met de voeten bediend klavier). De pijpen hebben elk een eigen klank, meestal als imitatie van een muziekinstrument, en door het instellen van registers kan de organist kiezen welke orgelpijpen hij gebruikt.

Wanneer de organist een toets indrukt, zorgt een mechaniek ervoor dat er vanuit de windvoorziening lucht in een of meer pijpen stroomt. Afhankelijk van de grootte, de vorm en het materiaal van de pijpen kan een grote verscheidenheid aan klanken voortgebracht worden. Vrijwel ieder pijporgel is verschillend van samenstelling. De kleinste orgels hebben één klavier en één rij pijpen: voor iedere toets van het klavier een pijp. De grootste orgels hebben vijf of zelfs zes klavieren en een pedaal en meer dan tienduizend pijpen, verdeeld over pijpenrijen die met honderden registerknoppen bediend kunnen worden.

Orgels komen veel voor in Europa en in Noord-Amerika en worden vooral aangetroffen als kerkorgel en ook wel als concertorgel of huisorgel. Als krachtig instrument dat door één persoon bespeeld kan worden beschouwen veel christelijke kerken het orgel als een geschikt middel voor de begeleiding en omlijsting van de samenzang tijdens kerkdiensten. Veel componisten, onder wie Johann Sebastian Bach, hebben muziek voor het orgel geschreven, zowel voor kerkelijk als niet-kerkelijk gebruik, zodat er een uitgebreide orgelliteratuur is ontstaan, die bij orgelconcerten ten gehore wordt gebracht.

Een bijzonder soort pijporgel is het theaterorgel, dat met name aan het begin van de 20e eeuw gebouwd werd voor de begeleiding van stomme films.

Het elektronisch orgel is meestal bedoeld als imitatie van het pijporgel. Het wordt vooral gebruikt in huiskamers en kleine zalen. Het wordt steeds meer vervangen door het virtueel pijporgel, ook als aanvulling op het bestaande pijporgel, waardoor een hybride orgel ontstaat.

In het systeem van Sachs-Hornbostel wordt het pijporgel ingedeeld als aerofoon.

Geschiedenis Het pijporgel heeft een lange geschiedenis. Het is een van de weinige 'antieke' instrumenten die nog frequent worden bespeeld. Het heeft (zoals zoveel instrumenten) hoofdzakelijk in Europa een grote bloeiperiode gekend, vooral om religieuze redenen. Ook in de rijkere burgermilieus was een positief als begeleidingsinstrument eeuwenlang geen zeldzaam verschijnsel.

Oudheid De uitvinding van het waterorgel Wanneer het orgel precies is ontstaan is niet bekend. De oudste bronvermelding dateert uit ongeveer 246 v.Chr.. Rond deze datum construeerde de Griek Ktesibios van Alexandrië een muzikaal speelgoed dat mechanisch door pompen wordt bediend. Hij noemde zijn instrument hydraulis (ὕδραυλις, van de Griekse woorden ὕδωρ (hudōr) voor water en αὐλός (aulos) voor pijp). Dit apparaat bezat wel de vaste delen van wat wij nu een orgel noemen, maar de druk werd geregeld door water, zoals de naam aangeeft. Het was een eenvoudig instrument met slepen die met de hand bediend werden.

Een soortgelijk instrument, met één register, wordt in de eerste eeuw na Chr. beschreven door Heron, ook uit Alexandrië. De architect Vitruvius beschrijft, een of twee generaties voor Heron, al een ingewikkelder orgel met twee zuigerpompen en tot acht verschillende registers.

Tot zeker in de 4e eeuw na Christus was de hydraulis nog in gebruik als populair luxe-instrument. In de Hellenistische en Romeinse cultuur speelde het orgel een belangrijke rol bij muziekwedstrijden en (seculiere) plechtigheden.

De oudste orgelresten, uit 228 na Christus, zijn gevonden in Aquincum en gerestaureerd.Jean Perrot, The Organ. From its invention in the Hellenistic period to the end of the thirteenth century, vertaald uit het Frans door Norma Deane, Oxford University Press, 1971.

De opkomst van het orgel met balgen De eerste grote verandering bestond erin om de luchtdruk te stabiliseren in een blaasbalg, vermeld door Julius Pollux (2e eeuw na Christus). Dit apparaat werd organum pneumaticum genoemd (Grieks: πνευματικὸν ὄργανον, pneumatikon organon, letterlijk ademwerktuig); zie Athenaeus van Naucratis (Ath. 4174C).

Na de ondergang van het West-Romeinse rijk verdween het orgel uit West-Europa. Het bleef bestaan in het Oost-Romeinse Rijk. Ook in de Arabische wereld stonden orgels. Deze instrumenten vormden vooral een symbool van macht en rijkdom.

Middeleeuwen miniatuur|Positief dat bespeeld wordt en een calcante die twee handblaasbalgen bedient miniatuur|Een portatief in het orgelmuseum te Borgentreich

In 757 kwam het orgel terug in West-Europa als een cadeau uit Byzantium. De Byzantijnse keizer Constantijn schonk toen een orgel aan koning Pepijn de Korte, vader van Karel de Grote. Geleidelijk aan zou het orgel geïntroduceerd worden in talloze kerken.

Thomas van Aquino (1225-1274) omschreef het orgel als een instrument dat 'de ziel verheft'.

In de middeleeuwen werden kleinere orgels ontwikkeld: het portatief en het positief. Het portatief (van het Latijnse portare, dragen) werd vooral in wereldlijke muziek gebruikt, al kon het ook dienstdoen als draagbaar processieorgel. Het positief (van positus, neergezet'positus' op Wiktionary) was groter dan het portatief, kon ook verplaatst worden, maar had een assistent nodig om de balgen te bedienen. Het werd vaak voor de koorzang gebruikt.

In de 14e en 15e eeuw ontwikkelden zich naast deze kleine verplaatsbare instrumenten eveneens grote vaste opgestelde instrumenten. Het oudste bespeelbare orgel ter wereld bevindt zich in een kerk te Sion in Zwitserland. Het dateert van 1388 of 1435. Het is een zogenaamd "zwaluwnestorgel", met andere woorden, het hangt aan de muur. Dit middeleeuwse orgel is nog in zeer goede staat en origineel wat de intonatie betreft. Verder vinden we nog enkele zeer oude instrumenten in Kiedrich, Ostönnen en Rysum in Duitsland en in Bologna (1471-1475) in Italië. In de Koorkerk in Middelburg bevindt zich de kas van het Peter Gerritsz-orgel uit 1477–1479, dat afkomstig is uit de Nicolaïkerk in Utrecht. De Sint-Germanuskerk in Tienen bevat een oude orgelkast uit 1493.

De middeleeuwse orgels hadden een zeer eigen karakter. Zij hadden slechts één familie van registers (de prestanten) en nog geen registratiemogelijkheden. Dat wil zeggen dat er meerdere pijpen per toets zijn die steeds meeklinken, het zogenaamde blokwerk of mixtuurorgel. Men kon alleen maar het volle werk bespelen. Het trekken van de registers is voornamelijk ontwikkeld vanaf de Renaissance.

Met de uitvinding van het 'wellenbord' werd ook het mechaniek verbeterd; de tractuur werd een ware doolhof van latjes en kleppen, waardoor een meerstemmig spel mogelijk werd en de melodie sierlijker kon worden uitgevoerd.

In de laatste decennia van de middeleeuwen werd het pedaal in Italië ingevoerd. Langzaam verspreidde dit extra klavier voor de voeten zich naar de rest van Europa en op het einde van de 14e eeuw kwam er hier en daar een pedaal voor van 12 noten met een zelfstandige registratuur.

Renaissance De eeuwwisseling 1500-1600 bracht zowel op technisch als op muzikaal gebied vernieuwingen. Het blokwerk, dat niet de mogelijkheid had om begeleid solowerk uit te voeren, kreeg een vervangend systeem, namelijk de springlade en sleeplade. Deze springlade of sleeplade gaf de organist de mogelijkheid de aparte registers te gebruiken. Dit bracht met zich mee dat kort na 1500 het orgel meer kleur en effecten kreeg. Elk land ontwikkelde zijn eigen typische smaken, met de daaraan vasthangende nieuwe registers, zoals de "flûtes", de "quintadena" en de "rohrflöte". Ook het regaal, dat oorspronkelijk een apart instrument was, deed zijn intrede. Aanvankelijk wendde men vooral de springlade aan. Uiteindelijk zou dit ladetype in de tweede helft van de 17e eeuw plaatsmaken voor de sleeplade.

Barok (17de en 18de eeuw) Frankrijk miniatuur|Orgel van de Abdij van WeingartenGravure: François Bédos de Celles, L'art du Facteur d'Orgues, 1766

In de 17e eeuw beleefde Frankrijk zijn gouden eeuw. De macht van de koning was op dat moment bijna even groot als die van de Paus in Rome. Lodewijk XIV liet zich een groot lustslot bouwen te Versailles en uiteraard was er een kapel met een orgel van de belangrijke orgelbouwer Clicquot. Daarnaast werd er ook een orgel gebouwd voor de dauphin met als doel 'niet-religieuze' muziek. Het Franse klassieke orgel kende een waar hoogtepunt in het midden van de 17e eeuw. Een zeer verfijnde registratie kwam tot stand. Deze Franse school heeft heel de Europese orgelbouw beïnvloed. Ook de orgelliteratuur in Frankrijk is zeer karakteristiek. De belangrijkste componisten staan in dienst van de Zonnekoning.

Het orgel kan ingedeeld worden in het 'Grand Orgue', 'Positif' en het 'Récit'. Er zijn nog een paar Franse orgels die overblijven zoals het Grand Orgue gebouwd door Dom François Bédos de Celles (1709 – 1779) te Bordeaux.

Duitsland Gottfried Silbermann was een van die orgelbouwers, die in Parijs vol bewondering de Franse school proefden. Later, terug in Duitsland, zou hij onder invloed van het Parijse orgel de Duitse orgelbouw laten uitgroeien. Naast Silberman moet men de componist en organist Johann Sebastian Bach vermelden, daar zijn werken furore maakten op de orgels van Silbermann. Dit wordt wel algemeen aangenomen maar het is waarschijnlijk niet het geval, Bach moest niets hebben van de 1/5 kommastemming van Silbermann en had meer waardering voor het werk van Hildebrand.

De invloed van Frankrijk op Duitsland was niet zo verregaand dat de Duitse orgelbouw een imitatie van de Franse zou zijn. Bach had grondige kritiek op de Franse orgelbouw: de cimbels en de mixturen waren volgens hem niet scherp en hoog genoeg. Vandaar dat het Duitse orgel een zeer scherpe en doordringende klank kreeg. Het bijzondere van een Duits orgel, en meer bepaald van een Silbermannorgel, lag in de eenheid van het instrument, zonder dat het afbreuk deed aan de polyfone schrijfwijze van Bachs composities.

Voortbouwend op de traditie van Compenius en Scherer wist de Noord-Duitse orgelbouw rond 1700 een hoogtepunt te bereiken in de figuur van Arp Schnitger. Zijn invloed was groot in Noord-Nederland (Groningen, Zwolle), waar prachtige instrumenten gebouwd werden tussen 1700 en 1750.

Zuidelijke Nederlanden Er ontstonden typische 'orgellandschappen', waarbij men binnen bepaalde gebieden van 'scholen' spreekt. Zo wordt de barokke orgelbouw in het huidige West-Vlaanderen gekenmerkt door een zeer behoudsgezinde aan de 17de-eeuwse 'kuststreek'-stijl. Tot ver in de 19de eeuw zal men in het 'Kust-Vlaamse' orgel het romantische conflict het liefst zo ver mogelijk uit de weg gaan. De 'Ieperse School' werd reeds ingezet met de orgelbouwersfamilie Langhedul die met het Zuid-Vlaamse orgeltype de basis legde voor het klassieke Franse orgel. Er is eerder sprake van een beïnvloeding vanuit Vlaanderen op Noord-Frankrijk dan omgekeerd. Deze stijl werd verder verspreid door de Ieperlingen Jan en Guilielmus Van Belle en de Bruggelingen Nicolaas Helewout en Boudewijn Ledou. Jan en Guilielmus Van Belle en Jacob Van Eynde kan men beschouwen als de afsluiter van de Langhedul-traditie en deze laatste meteen ook als de belangrijkste orgelbouwer in het graafschap tot het begin van de 18de eeuw. Na Van Eynde en zijn leerlingen zal de orgelbouwersfamilie Berger uit Brugge het typisch West-Vlaamse concept in ere houden.