300px|thumb|Een Char léger modèle 1935 H modifié 39 te Latroen in Israël De Hotchkiss H35 ofwel Char léger modèle 1935 H is een lichte Franse tank uit het Interbellum.
Hoewel vanaf 1933 ontwikkeld als een voertuig voor infanterieondersteuning, werd het type eerst door de Infanterie afgewezen wegens zijn slechte rijeigenschappen en voornamelijk gebruikt door de Franse Cavalerie. Vanaf 1938 werd een versie gefabriceerd met een sterkere motor, vanaf 1940 ook voorzien van een krachtiger kanon, die bestemd was om in een aantal van minstens vierduizend de oprichting mogelijk te maken van een groot aantal pantserdivisies van zowel de Cavalerie als de Infanterie. Door de Franse nederlaag in juni 1940 bleef de productie in feite beperkt tot ongeveer 1200. De Duitsers maakten gedurende de rest van de Tweede Wereldoorlog van buitgemaakte voertuigen in uiteenlopende modificaties gebruik.
Ontwikkelingsgeschiedenis thumb|350px|Een vroeg voertuig uit de eerste reeks van vierhonderd, achtergelaten in mei 1940 Uit de Eerste Wereldoorlog had Frankrijk als enige natie een groot aantal lichte infanterietanks overgehouden, van het type Renault FT 17, dat toen als zeer modern werd beschouwd. Door deze grote materieelvoorraad en de niet al te grote internationale politieke spanningen in de jaren twintig, maakte men weinig haast met het zoeken naar vervangende typen. In 1926 stelde het Wapen van de Infanterie een plan op voor de ontwikkeling van een goedkope char d'accompagnement, een lichte tank voor de directe infanterieondersteuning. Dit Plan 1926 leidde op dit punt uiteindelijk tot de productie vanaf 1932 van de Char D1. Op dat moment was het echter al duidelijk geworden dat deze tank bijzonder licht noch goedkoop was en daarbij hard nodig als hoofdgevechtstank — dus ter bestrijding van vijandelijke tanks — omdat er geen ander modern type voorhanden was. De niche voor lichte infanterietank was dus nog steeds onbezet en de FT 17's waren ondertussen door de snelle technische ontwikkeling in die periode volstrekt verouderd geraakt. Toch aarzelde de Infanterie aan een nieuw project te beginnen, ook omdat veel hoofdofficieren vonden dat het beperkte budget voor tankaanschaf beter besteed kon worden aan zware tanks. Door de introductie van grote hoeveelheden lichte antitankkanonnen waren lichte tanks immers veel te kwetsbaar geworden, iets wat de toen gangbare tactiek om de vijandelijke verdediging met een "zwerm" aan lichte tanks te overweldigen — men sprak van het "verzadigen van het slagveld" — onwerkzaam dreigde te maken.
De directie van het bedrijf Hotchkiss, een automobiel- maar ook wapenfabrikant, meende de technische oplossing te hebben voor dit probleem en besloot zelf het initiatief te nemen. Begin 1933 presenteerde men ongevraagd een voorstel — men toonde een gipsen model op ware grootte, een ontwerp van de Britse ingenieur Ainsworth en de Fransman Moglia — voor een tank die weliswaar licht was (naar schatting vijf à zes ton) maar toch onkwetsbaar voor antitankkanonnen van het toen gangbare kaliber door de toepassing van gietstaal. Dit bood verschillende voordelen: het stond toe afgeronde vormen te gebruiken die zowel de te beschermen binnenruimte van de tank zo efficiënt mogelijk konden omvatten als inslaande granaten zouden doen afketsen; daarbij konden ingewikkelde structuren in één keer gegoten worden wat arbeidsuren bespaarde en het aantal kieren beperkte als bescherming tegen het gevreesde gifgas.
Het voorstel werd zeer gunstig ontvangen, ook omdat Hotchkiss al aan een weekijzeren prototype bezig was. Het was een tankette, dus zonder toren, bewapend met een machinegeweer aan de rechterkant van de brede afgeronde opbouw; achteraan bevond zich een hoog en smal motorcompartiment met aan alle vier de kanten enorme gepantserde in- en uitlaatkokers. Op 30 juni 1933 werd het goedgekeurd door de Conseil Consultatif de l'Armement, de adviesraad voor de wapenproductie. Op 2 augustus 1933 maakte de Infanterie de specificaties bekend: een gewicht van maximaal zes ton en een pantserdikte rondom van minimaal dertig millimeter. Al op 30 juni was voor het eerste prototype van Hotchkiss betaald en twee verdere besteld. Hoewel dit veelbelovend was voor het bedrijf, deed zich ook een ontwikkeling voor die erg ongunstig was: door de lobby van de rest van de Franse industrie, die een enorme invloed had op de besluitvorming bij de wapenaanschaf, werd die uitgenodigd met concurrerende voorstellen te komen. Veel bedrijven waren in moeilijkheden gekomen door de Grote Depressie en hoopten op staatsinvesteringen: niet minder dan veertien deden een offerte. Naast Hotchkiss zelf waren dat: Atelier de Construction de Puteaux (APX), Compagnie générale de Construction de locomotives (Batignolles-Châtillon), Berliet, Citroën, Delaunay-Belleville, Forges et Chantiers de la Méditerranée (FCM), Laffly, Lorraine Dietrich, Renault, Saint Nazaire-Penhoët, SERAM, Société d'outillage mécanique et d'usinage d'artillerie (Somua) en Willème.
Allen kregen een opdracht voor een prototype. Vijf presenteerden daadwerkelijk een voertuig: behalve dat van Hotchkiss zelf, de Char Batignolles-Châtillon, de APX 35 van het staatsbedrijf APX, de FCM 36 en van Frankrijks belangrijkste tankproducent: de Renault R35. Renault deed zijn uiterste best Hotchkiss voor te zijn en had als eerste zijn prototype klaar op 20 december 1934. Die haast bleek ook nadelig: zijn voertuig was te ver in ontwikkeling om nog aangepast te worden aan de vernieuwde specificaties van 21 juni 1934 die voorzagen in een verhoogd gewicht van negen ton en een pantserdikte van veertig millimeter.
Dat probleem plaagde echter ook Hotchkiss. Hun oorspronkelijke prototype werd iets later, op 18 januari 1935 gepresenteerd aan de Commission d'Expérience du Matériel Automobile (CEMA) te Vincennes. Het werd getest tot 4 maart 1935 door kapitein Le Gouest, waarna het werd vervangen door een in vorm identiek tweede voertuig van gietstaal, gegoten door Forges de Paris, dat beproefd werd tot 6 mei. Op 27 juni 1935 werd het type in principe goedgekeurd, op voorwaarde dat alsnog voldaan werd aan de nieuwe specificaties; wel had men kritiek op het slechte zicht en de te nauwe zitplaats voor de commandant/schutter. Op 19 augustus werd het derde prototype afgeleverd; dat was zwaarder gepantserd en voorzien van een gegoten toren van APX; de opbouw was geheel veranderd. Het werd getest tot 20 september en na afloop geaccepteerd voor massaproductie als Char léger modèle 1935 H. Op 6 november kwam de eerste bestelling van tweehonderd voertuigen. Het eerste exemplaar van de productieserie — in vele details weer verschillend van het prototype: zo waren de wielonderstellen van een ander type en de loopwielen groter — werd geleverd op 12 september 1936; dat jaar waren er al twee aanvullende orders geweest voor respectievelijk 92 en 108 voertuigen voor een totaal van vierhonderd. Op 1 januari 1937 waren er 132 voertuigen geproduceerd.
Afwijzing door de Infanterie en adoptie door de Cavalerie Het eerste serievoertuig werd opnieuw uitgebreid beproefd tot 4 december 1936. Hierbij kwamen grote mechanische problemen aan het licht. De transmissie, de remmen en de stuurinrichting waren te zwak. Dat leidde niet alleen tot verhoogde slijtage en uitval, maar de tank bleek daardoor zelfs moeilijk te besturen. Op een vlakke weg met een constante snelheid vooruitrijden ging nog wel, maar in het terrein moest de chauffeur een ware worsteling aangaan met zijn voertuig om het te dwingen de gewenste koers te volgen; binnen acht à tien minuten was de man volkomen uitgeput. Vooral hellingafwaarts, waar bij een rupsvoertuig door middel van de rem voorkomen moet worden dat een niet-aangedreven rupsband juist sneller naar beneden zakt — het omgekeerde van het normale stuursignaal — bleek het resultaat volkomen onvoorspelbaar, met vaak plotse blokkeringen van de remmen, zodat de H 35, zoals men het voertuig kortheidshalve vaak noemde, een groot gevaar opleverde voor de infanterie die hij moest begeleiden. In het terrein was het ook moeilijk snel terug te schakelen, zodat de tank geneigd was bij obstakels vast te lopen. Ook was de motor erg lawaaiig en was de gewichtsverdeling oneven. Dat jaar werd door de Infanterie besloten alleen honderd voertuigen af te nemen voor twee tankbataljons: de 13e en 38e Bataillon de Chars de Combat en verdere aanschaf te beëindigen, ten gunste van de reeds bestelde R 35; ook de FCM 36 zou voor de Infanterie in productie genomen worden. De bespaarde kredieten werden overgeheveld naar de aanschaf van de Char B1.François Vauvillier, 2011, "Gamelin impose le Hotchkiss à la Cavalerie", Histoire de Guerre, Blindés & Matériel, 98: 6–17
Het normale gevolg van die beslissing zou het stilleggen van de productie geweest zijn, maar dat was om politieke redenen ondenkbaar. De overige driehonderd voertuigen werden daarom opgedrongen aan de Cavalerie, die juist haar oorspronkelijke wens om haar pantserdivisies helemaal met de middelzware SOMUA S35 uit te rusten, had zien afgewezen. De beslissing werd gerechtvaardigd door te wijzen op de iets hogere maximumsnelheid van de H 35 vergeleken met de R 35, hoewel door de slechte versnellingsbak in de praktijk de gemiddelde snelheid juist lager lag. De cavalerie had overigens dringend behoefte aan tanks en daarom zouden de eerste driehonderd geproduceerde voertuigen aan dit Wapen geleverd worden; daarna kwam de Infanterie pas aan de beurt.
Beschrijving thumb|300px|De achterkant; het gaat hier om een later productievoertuig met rechts dwars lopende ventilatiespleten De Hotchkiss H35 lijkt erg op zijn concurrent, de Renault R35. In bijschriften van historische foto's worden de voertuigen vaak verwisseld, ook doordat ze dezelfde standaardtoren gebruikten. De rompen zijn in detail echter volledig verschillend. Opvallende identificatiekenmerken zijn het meer naar achteren hellen van de voorkant van het Renaultvoertuig en het hogere aantal loopwielen bij de H 35.
De Hotchkiss H35 is een klein voertuig, 4,22 meter lang, 1,95 meter breed en, inclusief toren, 2,15 meter hoog. Het weegt 11.370 kilogram onbeladen. De romp is opgebouwd uit zes modules van gegoten staal, met bouten verbonden. Bovenop zijn dat er twee: helemaal achteraan het motordek, vooraan de gecombineerde bestuurdersruimte en de gevechtsruimte. De onderkant wordt gevormd door vier delen: twee bodemstukken die links en rechts in de lengterichting naast elkaar liggen; de neus en de achterkant. De boven- en onderkant zijn weer met zwaardere bouten aan elkaar gezet. De pantsermodules zijn fraai afgerond om te voorkomen dat pantsergranaten loodrecht konden inslaan. De specificatie had voorzien in het gebruik van pantser van veertig millimeter dikte. Dat wordt alleen gehaald als je het meet langs het horizontale vlak en dan alleen nog aan de voorkant en zijkanten van de opbouw; in feite is het 34 millimeter dik — de R 35 haalt 43 millimeter aan de voorkant — en aan de loodrechte zijkanten van het onderstel is dat de volle bescherming. Een nog ernstiger probleem was dat de gewenste brinellhardheid eerst niet gehaald werd: om problemen met het gietproces te voorkomen werd het staal door de gieterijen te zacht gehouden. In latere productiepartijen zou harder staal gebruikt worden maar dat was dan weer te bros, met vele luchtbelletjes die evenzovele zwakke plekken vormen.