thumb|Roze driehoek thumb|Regenboogvlag Homo-emancipatie in Nederland is het proces waarin Nederlandse homoseksuelen en lesbische vrouwen en later ook biseksuelen en transgenders strijden tegen wettelijke achterstelling en discriminatie en voor gelijke rechten en de mogelijkheid om zich als gelijkwaardige burgers te kunnen ontplooien.

In Nederland begon de homo-emancipatie eind 19e eeuw en er werd uiteindelijk onder meer bereikt dat er sinds 1971 voor homoseksuele contacten geen hogere minimumleeftijd meer geldt dan voor heteroseksuele, en dat sinds 2001 het burgerlijk huwelijk is opengesteld voor paren van gelijk geslacht. Tevens is een kleine, maar veelkleurige homocultuur ontstaan. Symbolen van de homo-emancipatie zijn de roze driehoek en de regenboogvlag.

Inleiding Onder de aanduiding sodomie waren homoseksuele handelingen sinds de 13e eeuw in Europa een strafbaar feit, waar de doodstraf op stond. Als gevolg van de Verlichting in de 18e eeuw werd deze strafbaarheid door de Franse Revolutie in 1791 afgeschaft. Dit werd bevestigd in het nieuwe Franse wetboek van strafrecht, de Code Pénal van 1810, die in 1811 ook in de Noordelijke Nederlanden werd ingevoerd.

Deze Franse wetgeving werd overgenomen in landen als Nederland, België, Luxemburg, Beieren, Italië, Spanje en Portugal. Hiermee bevond het protestantse Nederland zich in gezelschap van louter katholieke landen waar homoseksuele handelingen tussen volwassen mannen voortaan toegestaan waren. In de andere protestantse landen, met name Pruisen en Engeland, bleef de strafbaarheid namelijk bestaan, al werd wel de doodstraf vervangen door een gevangenisstraf. Hierdoor ontstond in Noordwest-Europese landen een impuls om eveneens voor de afschaffing van strafbaarheid te strijden.

De emancipatie van homoseksuelen in Nederland kan worden onderverdeeld in enkele fases:

De eerste fase was de strijd tegen wettelijke discriminatie en strafbaarstelling van homoseksualiteit. Deze fase begon eind 19e eeuw en eindigde in Nederland in 1971 met de afschaffing van art. 248bis. De tweede fase was de strijd om het verkrijgen van gelijke rechten, waarbij homo's en lesbische vrouwen een eigen plaats voor zichzelf opeisten. Deze fase begon eind jaren zestig en eindigde in Nederland in 2001 met de openstelling van burgerlijk huwelijk voor paren van gelijk geslacht, het homohuwelijk. De derde fase gaat om het realiseren van sociale acceptatie van homoseksuele mannen en vrouwen. Deze fase begon kort na het jaar 2000.

Eerste fase: Legalisering De eerste fase begon eind 19e eeuw en bestond uit de strijd tegen de wettelijke discriminatie en strafbaarstelling van homoseksualiteit. Deze eerste fase van de emancipatie profiteerde onder meer van nieuwe wetenschappelijke inzichten, waardoor homoseksualiteit niet meer als een religieuze zonde, maar als een lichamelijke ziekte of als een psychische afwijking gezien ging worden. Dit betekende dat homoseksuelen weinig aan hun gerichtheid konden doen en dat een maatschappelijke veroordeling en strafbaarstelling ervan dus onterecht was.

NWHK en COC thumb|left|De eerste door het NWHK uitgegeven brochure, 1912 Een van de eerste voorvechters hierbij was de Duitse seksuoloog Magnus Hirschfeld (1868-1935), die in 1897 in Berlijn de wereldwijd eerste homo-emancipatie-organisatie oprichtte, het Wissenschaftlich-humanitäre Komitee (WhK). Daar was ook de Nederlander jhr. Jacob Schorer (1866-1957) bij betrokken, die vervolgens ook in zijn eigen land een begin zou maken met de homo-emancipatie. De sinds 1811 in Nederland bestaande straffeloosheid van homoseksualiteit werd weer ingeperkt toen in 1911 homoseksuele contacten tussen volwassenen en minderjarigen onder de 21 jaar strafbaar gesteld werden met het nieuwe art. 248bis van het Wetboek van Strafrecht. Als reactie daarop richtte Schorer in 1912 het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK) op, een organisatie die tegen de discriminerende antihomoseksuele wetten protesteerde en die zich inzette om de mensen over homoseksualiteit te informeren.

Het NWHK werd tijdens de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 opgeheven, maar haar werk werd na de oorlog voortgezet door een nieuwe, in 1946 opgerichte homo-emancipatievereniging. Deze begon onder de schuilnaam "Shakespeare Club", later omgedoopt tot "Cultuur en Ontspannings Centrum", afgekort C.O.C., en ging aanvankelijk heel behoedzaam te werk. Het bood een schuilplaats waar homoseksuele mannen en, in mindere mate, vrouwen terechtkonden voor ontmoeting en ontspanning. Om de overheid niet tegen zich te krijgen, presenteerde het bestuur de vereniging en haar leden als heel beschaafd, louter strevend naar platonische vriendschappen.

Vanuit die insteek introduceerde het C.O.C. (specifiek Nico Engelschman en Jaap van Leeuwen) in 1949 ook de term homofiel, als een fatsoenlijk alternatief voor het destijds beladen woord homoseksualiteit. Tegelijkertijd bleek uit het in 1948 verschenen rapport van de Amerikaanse seksuoloog Alfred Kinsey (1894-1956) dat 10% van de mensen homoseksueel zouden zijn, veel meer dan tot dan toe gedacht werd, wat voor het C.O.C. een extra stimulans voor haar emancipatiestreven was. Zowel de term homofiel als het (te hoge) getal van 10% bleven in brede kringen langdurig in gebruik.

Openheid naar de buitenwereld In de jaren zestig trad het C.O.C. geleidelijk meer naar buiten, ook nadat de nieuwe voorzitter Benno Premsela (hij volgde in 1962 Engelschman op, die tot erevoorzitter werd benoemd) op 30 december 1964 als een van de eerste homoseksuele mannen op de Nederlandse televisie verscheen zonder onherkenbaar te zijn gemaakt. Op 11 december 1963 was Gerard Reve de eerste bekende Nederlander die in een Nederlands televisieprogramma (namelijk in de serie "Literaire Ontmoetingen" met H.A. Gomperts, dat door de AVRO werd uitgezonden) openlijk over zijn homoseksualiteit sprak, enkele dagen voor de veertigste verjaardag van Reve. De brievenbundel Op weg naar het einde, die in 1963 gepubliceerd werd, bevatte een aantal passages waarin Reve zijn homoseksualiteit voor het eerst publiekelijk uitte en waarin hij ook zijn persoonlijke houding jegens de toenmalige (vaak vijandelijke en/of afkeurende) algemene maatschappelijke omgang met homoseksualiteit beschreef: "...dat ik mij, als homoseksueel, zeker nooit door iemand zal laten verbieden homoseksualiteit tot onderwerp van mijn werk te kiezen." en: "Al lang heb ik de overtuiging gekoesterd, dat de tijd van het bedelen om begrip voorbij, en de tijd van het gebruik van vuisten, tanden en voeten aangebroken is." en: "De ergste menselijke zonde is de bereidheid zich in een hoek te laten trappen. Ik wil niet in een hoek of verborgen kelder leven."

De sterk toegenomen bekendheid van Reve en diens regelmatige publieke uitingen in de jaren '60 over zijn homoseksualiteit zorgde er onder andere voor dat de schrijver daarna vrijwel dagelijks brieven ontving van Nederlandse en Vlaamse (jonge) mannen en tieners, waarin ze hem om raad, steun en advies vroegen aangaande hun eigen homoseksuele gevoelens en hoe zij hiermee het beste om konden gaan binnen hun (vaak conservatieve) sociale omgeving of binnen hun familie- en vriendenkring, en Reve heeft vele van deze aan hem gerichte brieven van Nederlandse en Vlaamse homoseksuelen beantwoord met persoonlijke (en vaak vaderlijke) adviezen.

In 1969 kwam ook televisiepersoonlijkheid Albert Mol er tijdens het programma Een groot uur U tegenover presentator Koos Postema openlijk voor uit homoseksueel te zijn.

thumb|Demonstratie van homostudenten tegen art. 248bis op 21 januari 1969 op het Binnenhof in Den Haag. Het C.O.C. ging de dialoog aan met de buitenwereld, maar dit bleef vooral gericht op constructieve emancipatie. Men hanteerde daarvoor het zogeheten 'sleutelfigurenmodel', wat inhield dat het C.O.C. in eerste instantie invloedrijke kopstukken uit de verschillende maatschappelijke zuilen probeerde te overtuigen van de redelijkheid van haar streven tot integratie van homoseksuelen in de samenleving.

Studentenwerkgroepen Eind jaren zestig werden in bijna alle universiteitssteden studentenwerkgroepen homoseksualiteit opgericht, die zich in 1968 verenigden in de Federatie Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit (FSWH). Vanuit deze studentengroepen werd onder het motto "integratie door confrontatie" gestreefd voor maatschappelijke veranderingen om zo homoseksualiteit aanvaard te krijgen. Deze aanpak werd al snel door het COC overgenomen, waardoor deze organisatie een meer linkse koers kreeg en de rol van de studentenverenigingen grotendeels overnam. Deze laatste werden dan ook spoedig weer opgeheven of gingen op in het COC.

In samenwerking met de stichting Ruimte organiseerde de FSWH op 21 januari 1969 op het Binnenhof in Den Haag een demonstratie tegen artikel 248-bis waar ca. 100 jonge homoseksuele mannen en vrouwen aan deelnamen. Het was de eerste openbare homodemonstratie in Nederland en waarschijnlijk ook in heel Europa.

Het einde van de eerste fase van de strijd werd bereikt in 1971, toen artikel 248bis werd afgeschaft. Sindsdien geldt voor homoseksuele handelingen geen hogere minimumleeftijd meer dan voor heteroseksuele. Het C.O.C. wijzigde in datzelfde jaar haar naam in het openlijke "Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC" en kreeg in 1973 rechtspersoonlijkheid en erkenning door de overheid. Vanaf dat jaar werden ook homo's en lesbische vrouwen toegelaten tot het leger. Tot dan toe werden zij middels de classificatie S5 (psychisch instabiel) steevast ongeschikt verklaard voor de militaire dienst.

Tweede fase: Gelijke rechten De tweede fase van de homo-emancipatie begon eind jaren zestig van de 20e eeuw en ging om het verkrijgen van gelijke rechten en van een eigen plaats voor homo's en lesbische vrouwen in de samenleving. Deze strijd liep grotendeels parallel aan die van de Tweede feministische golf. Het COC had zich tot dan toe vooral gericht op de aanpassing van homoseksuelen aan een heteroseksuele omgeving, maar er gingen steeds meer stemmen op die voor homoseksuelen een eigen plaats opeisten in de samenleving, naast de heteroseksuelen en met behoud van de eigen identiteit. Door de seksuele revolutie ontstond bovendien een levendige sekscultuur onder homo's.

Integratiefeesten en uitgaansleven Vanuit de eerdergenoemde studenten- en jongerenwerkgroepen ontstonden ook de zogeheten integratiefeesten. Dat waren de eerste door homoseksuelen georganiseerde feesten die, anders dan de destijds nog verborgen en voor buitenstaanders gesloten homocafés, openlijk aangekondigd werden en voor iedereen toegankelijk waren. Een voorbeeld hiervan zijn de nog altijd bestaande feesten van de stichting PANN. Gedurende de jaren zeventig vervulden deze feesten een belangrijke rol als plaats waar geëmancipeerde homo's en ruimdenkende hetero's elkaar konden ontmoeten., Homoseksualiteit in Nederland: Studie van een Emancipatiebeweging, Meppel 1982, p. 217

Vanaf begin jaren tachtig werd dit ook mogelijk in de eerste openlijke en trendy homo-uitgaansgelegenheden als lunchroom Downtown en café April en wat later Danscafé Havana in de Amsterdamse Reguliersdwarsstraat. Dit vond zijn hoogtepunt in de discotheken RoXY en iT, met extravagante feesten waar in de jaren negentig homo's en hetero's uit binnen- en buitenland op af kwamen. Naast hetero's voegden zich tezelfdertijd ook homo's van Surinaamse en Antilliaanse en wat later ook van Turkse en Marokkaanse afkomst bij de gevestigde gayscene in de Reguliersdwarsstraat. Een andere uiting van de stille emancipatie van allochtone homo's was de opening van het eerste Arabische homocafé Habibi Ana in de Lange Leidsedwarsstraat, dat in 2001 ook meevoer in de Canal Parade van de Amsterdam Gay Pride.

Gay Pride en Flikkers