Narratologie is een tekstbenadering in de literaire kritiek en in de antropologie, die het vertellen (of de vertelwijze) van verhalen als haar studieobject kiest.

In brede zin omvat de narratologie zowel de verhaaltheorie als de verteltheorie. De verhaaltheorie en de verteltheorie houden zich bezig met verhalen. Een verhaal is een eenheid en samenhang vertonende geschiedenis, die door een verteller (Engels: narrator) gepresenteerd wordt. Een geschiedenis bestaat uit een reeks van met elkaar logisch en chronologisch verbonden gebeurtenissen en handelingen.

De centrale vragen in de narratologie zijn: Wie vertelt wat? en: Op welke wijze wordt er verteld? (2017) N2. The narratological framework

Geschiedenis Structuralisme In de taalkunde was sinds het begin van de twintigste eeuw (Ferdinand de Saussure) het structuralisme een dominante benadering: taal werd gezien als een systeem van structuren. In de jaren vijftig van die eeuw maakte vervolgens Claude Lévi-Strauss opgang met zijn structuralistische benadering in de antropologie (Anthropologie structurale, 1958). Daarbij had hij overigens al voorgangers gehad, die achteraf als voorlopers kunnen worden gezien: met name J.G. Frazer had in zijn monumentale The Golden Bough (1890–1915) een veelomvattend overzicht gepresenteerd van thema's die in de mythologieën en de gebruiken van volkeren over de gehele wereld steeds terugkeerden.

De jaren zestig Frazers werk is van meet af aan van grote invloed geweest op de literatuur. Verwijzingen naar de thematiek die hij had aangewezen, komen in vele 20e-eeuwse werken terug. In de literaire kritiek duurde het langer totdat structuralistische ideeën werkelijk postvatten, maar in de jaren 1960 volgden de ontwikkelingen elkaar in snel tempo op. Lévi-Strauss was van centrale betekenis geworden in de vakliteratuur.

Men herontdekte het werk van de Russische folklorist Vladimir Propp, wiens De morfologie van het toversprookje (Morfologija skazki, 1928) in 1958 in het Engels was vertaald. Hij had Russische volkssprookjes onderzocht, en steeds weerkerende elementen ontwaard, die hij met een zeer structuralistische term "morfemen" noemde. Hij was tot 31 onveranderlijke "functies" gekomen, die aan deze teksten ten grondslag zouden liggen, en die via een systeem van "transformaties" waren op te sporen.Merriam-Webster's Encyclopedia of Literature, Springfield 1995, sv "narratology"

De behoefte ontstond om de literaire kritiek op een meer "wetenschappelijke" basis te funderen, en met "wetenschappelijk" werd gedoeld op het inmiddels dominante structuralisme. Als dit in taalkunde en antropologie successen behaalde, dan moest het ook in de literaire kritiek bruikbaar zijn.

Narratologie: grote structuren In 1969 introduceerde de taalkundige en criticus Tzvetan Todorov het woord narratologie. In eerste instantie doelde hij daarmee op het structuralistische literatuuronderzoek van zichzelf en Franstalige collega's, onder wie Barthes, Greimas en Genette.

De Franse benadering Roland Barthes had in zijn Mythologies (1957) gepoogd dieper door te dringen in cultuurverschijnselen, hun onderliggende "mythologie" bloot te leggen. A.J. Greimas (Sémantique structurale, 1966) ging uit van zes thema's die in de verhaalstructuur mogelijk waren, en die hij actanten noemde. Gérard Genette veronderstelde in zijn Figures III (1972) een verhaalstructuur die uit drie verschillende elementen was opgebouwd: de inhoud, de vertelling en de verteldaad. Todorov zelf publiceerde een Grammaire du Décaméron (1969), waarin hij grammaticale begrippen toepaste op de tekst als literaire uiting.

De raakvlakken met de taalkunde en de antropologie worden in de gebruikte terminologie benadrukt. Mythologie herinnert aan de volkenkunde, semantiek, actanten, grammatica zijn linguïstische begrippen. Benadrukt moet daarbij worden dat het om macrostructuren ging: niet de structuur van een zin, niet de woorden op een bepaalde bladzijde werden onderworpen aan close reading – doelstelling was het onderkennen of opsporen van structuren die aan de tekst als geheel ten grondslag lagen.

Andere onderzoekers De structuralistische benadering bleef niet beperkt tot het Franse taalgebied. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld was Northrop Frye ondertussen bezig met zijn archetypenkritiek of mythenkritiek: hij streefde er in zijn Anatomy of Criticism (1957) naar, alle teksttypen te categoriseren, en kwam zo tot een indeling naar symbolen, mythen en archetypen. Hier is het minder de taalkunde dan de antropologie die als model fungeert.Northrop Frye: Anatomy of Criticism. Four essays, Princeton 1973

In Nederland werd Mieke Bal met haar Franstalige proefschrift Narratologie (1977) de grote exponent van de discipline.

Accentverschillen Er ontstonden inmiddels verschillende benaderingswijzen in de narratologie en de ermee verwante mythenkritiek. Anders beschouwd: die verschillende benaderingswijzen kwamen erin bijeen. Voor de ene onderzoeker was de taal een element in de literatuur, voor de andere stond taalonderzoek model voor structureel tekstonderzoek, weer anderen baseerden zich meer op de structuralistische antropologie.Roger Fowler and David Herman: "Language of Prose Fiction", in: International Encyclopedia of Linguistics, ed. William J. Frawley, Oxford 20032 sv "Linguistics and Literature"

Verhaaltheorie en verteltheorie 320pxDe driehoek van Petersen. verhaal verteller epiek + + drama + — lyriek — — De verhalende producten in de literatuur noemt men epiek. Epiek is een bericht (afgeronde hoeveelheid informatie) over handelingen en gebeurtenissen in de vorm van een monoloog: een meer of vaak ook minder herkenbare verteller vertelt een geschiedenis of een verhaal. Daarbij wordt in de literaire kritiek en in de antropologie vooral gekeken naar de wijze waarop die verhalen zijn verteld.

De gebruikte methoden bij de tekstgerichte benadering van verhalende teksten zijn de verhaalanalyse of structuuranalyse, waarbij de structuur van de elementen en hun samenhang worden geanalyseerd, en de vertelanalyse (discoursanalyse, narratologie in engere zin), waarbij de vertellersstandpunten en focalisaties worden onderzocht.

Verhaaltheorie en tekstanalyse Verhaaltheorie (tekstanalyse, story narratology) is de theorie van de structuur van verhalen. Om een structuur te onderzoeken, of om een structurele beschrijving te presenteren, worden de verschijnselen van verhaal ontleed in hun samenstellende delen en wordt dan geprobeerd functies en de aard van hun relaties te bepalen. In verhalen wordt zo een rol gespeeld door gebeurtenissen en de omstandigheden zoals de locaties, perioden, tijdverlopen en de tijdstippen.

De verhaaltheorie houdt zich bezig met de opbouw van geschiedenissen of verhalen, die worden beschouwd als uit vaste structuren, die weer bestaan uit samenhangende elementen. Een 'geschiedenis' of een 'verhaal' bestaat uit reeksen van gebeurtenissen die betrekking hebben op personages en hun handelingen. Gebeurtenissen zijn zowel natuurlijke als niet-natuurlijke gebeurtenissen (zoals overstromingen, respectievelijk auto-ongelukken). Personages raken betrokken bij gebeurtenissen, doordat ze deze waarnemen, ze veroorzaken, of ze juist ondergaan, en er nadeel of voordeel van hebben. Handelingen of acties zijn de door personages veroorzaakte en gewilde gebeurtenissen. Er zijn in de ruimte en tijd dus personages te onderkennen, met een verloop van gebeurtenissen en handelingen met hun motieven.

Verhaalstructuurpersonages↓↓ gebeurtenissen ↓ natuurlijk niet-natuurlijk getuige + + 'slachtoffer' + + veroorzaker - ongewilde acties,gewilde acties De punten van aandacht bij het onderzoek aan de structuur van verhalen zijn de onderlinge relaties tussen de personages, de handelingen, menselijke acties, de motieven en thema's, gebeurtenissen en omstandigheden de locaties en ruimte waarin het verhaal speelt, de tijd waarin het verhaal speelt en/of waarin het verhaal wordt verteld, de tijdstippen, de tijdsverlopen en perioden

Verteltheorie De verteltheorie (discourse narratology, discoursanalyse) is een tekstbenadering, die het vertellen van verhalen als haar studieobject kiest. De aandacht is gericht op de wijze van het vertellen (de verteller en of deze een personage is in het verhaal), focaliseren (de visie van waaruit de relatie tussen de gepresenteerde elementen wordt gepresenteerd), de weergave van gedachten en dialogen, en van de stijl.

Als discipline begon narratologie vorm te krijgen in 1966, het jaar waarin het Franse tijdschrift Communications een speciale uitgave uitbracht getiteld "De structurele analyse van verhalen". De term narratologie zelf werd drie jaar later bedacht door Tzvetan Todorov, een van de medewerkers aan die speciale uitgave.

Vanuit de moderne stromingen, zoals de postmoderne literatuur, zijn er reacties en kritiek gekomen op de toepasbaarheid van de narratologie.

Narratieve communicatie

Taalfuncties

Het communicatiemodel is een model uit de taalkunde waarin de relaties tussen zender, bericht en ontvanger schematisch worden voorgesteld.

Roman Jakobson (1896 - 1982) was een van de grondleggers van de moderne taalkunde. Hij heeft een voorname rol gespeeld in het Russisch formalisme. Volgens Jakobson moet er aan drie voorwaarden worden voldaan opdat een uitgezonden bericht (boodschap) doeltreffend zal zijn: het bericht moet context hebben waarnaar verwezen kan worden en die begrijpelijk is voor de ontvanger; het bericht moet een code gebruiken die volledig of gedeeltelijk gemeenschappelijk is bij de zender en de ontvanger; er moet een contactkanaal te beschikbaar zijn dat zender en ontvanger in staat stelt om in communicatie te treden.

In het communicatiemodel naar Jakobson, aangepast voor literaire narratieve communicatie, worden de volgende taalfuncties onderscheiden: Onderscheiden taalfuncties in het communicatiemodel naar Jakobson, aangepast voor literaire narratieve communicatieTaalfunctie: Gericht op: Toelichting: Voorbeelden:1De referentiële of informatieve functiede contextHet overdragen van informatie over de wereld om ons heen. Welke band is er met de realiteit? Is de tekst zeer waarheidsgetrouw of is het een fantasie, sprookje, epos. "De aarde is rond." een verslag in een krant.2De fatische functiehet tot stand brengen, onderhouden of beëindigen van de communicatieHet controleren van het spraakkanaal zelf. Hoe wordt het contact tot stand gebracht?"Hoort u mij?" "Ik kan u slecht verstaan!" "Mooi weertje, zeg!"3De metalinguale functiehet wederzijds begrip van de (gemeenschappelijke) codeHet spreken over de code (taal) zelf. Wat is de taal, het dialect, de code die gebruikt wordt? "Wat bedoel je met 'krill'?"4De emotieve of expressieve functiede verteller, de zenderHet uitdrukken van de gevoelens van de spreker zoals in de tussenwerpsels. Hoe staat de zender tegenover de boodschap. Staat hij objectief of zeer subjectief?"Ba!" "Ooh!" "Jakkie!"5De conatieve, appelatieve of directieve functiede ontvanger (adressee)Het overtuigen van of veroorzaken van handelingen bij de luisteraar. Hoe wil de zender dat de ontvanger tegenover de boodschap staat.een bevel; een apostrof; "Kom 's hier!"6De poëtische functiede communicatie zelf ('the message for its own sake')Het uitdrukken van meer dan de inhoud van de boodschap, zoals de schoonheid van de taal zelf.een sonnet; een sprookje; "Smurf!"

Model voor narratieve communicatie Narratieve communicatie betreft het samenspel van verschillende communicatieniveaus. Deze kunnen in een concentrisch model worden weergegeven met aan de linkerkant de bron of zender en rechts de ontvanger van het bericht. Het model is een aanpassing van het communicatiemodel. Van buiten naar binnen bestaat het communicatiemodel uit de volgende lagen: Niveau van de reële, niet-fictieve communicatie: de werkelijkheid met de context, de auteur en de lezers. Lezers kunnen eventueel contact hebben met schrijvers (als ze in dezelfde tijd leven).