thumb|Zegel van hertog Johan III van Straubing-Holland (1433) thumb|Oorkonde uit 1291 met nog twee aanhangende zegels Een zegel is een door middel van een stempelafdruk gemaakte waarborg voor de echtheid van een fysiek document, bijvoorbeeld een oorkonde, of in het geval van bijvoorbeeld een envelop of een deur ook een waarborg dat deze niet ongeautoriseerd geopend en hersloten is (en in het geval van een envelop ook een waarborg dat deze niet is geopend en de inhoud in een nieuwe envelop is gestopt) en dus ook een waarborg dat de inhoud nog de originele is en ook niet ongeautoriseerd gelezen/bekeken is.
Het zegel is een kenteken van de zegeldrager. Deze kan door de afbeelding van het zegel geïdentificeerd worden. Met de term zegel wordt zowel de te stempelen afbeelding, als het van een afdruk voorziene materiaal aangeduid. Het gebruikte materiaal is al eeuwenlang vaak zegellak, maar nog langer geleden werd bijenwas gebruikt.Oorkonden, zegels en plieken Vereniging Oud-Utrecht Vaak wordt in dat geval ten onrechte ook van lakzegel gesproken. Het zegel komt voor in verschillende groottes en vormen en met zeer uiteenlopende afbeeldingen. De hulpwetenschap die zich met zegels bezighoudt heet zegelkunde, sigillografie, sfragistiek of met name in verband van de assyriologie ook glyptiek.
Ontwikkeling thumb|100px|left|Monogram van Karel de Grote met de medeklinkers van Karolus thumb|100px|left|Zegel van Karel de Grote Zegels waarbij met een stempel een afdruk werd gemaakt in een hard wordend materiaal werden al gebruikt in de Oudheid en hadden toen meestal de vorm van een zogeheten rolzegel. Rolzegels en hun afdrukken, gewoonlijk op klei, waren al in de Vroeg-dynastieke periode (ED) van Mesopotamië (vanaf 2900 v.Chr.) gemeengoed en hun studie, de glyptiek, is een belangrijke hulpwetenschap van de archeologie. De stijl van de afbeeldingen op de rolzegels zijn een goede aanwijzing van de periode (ED I, II, IIIa or IIIb) waaruit het zegel stamt. Het snijden van zegelstenen ontwikkelde zich al vroeg tot een ware kunstvorm.
In het Romeinse Rijk werden edelstenen met glyptische insnijdingen vaak als sieraden gedragen. Ze konden als zegelstenen gebruikt worden, maar soms hadden zij ook een magische achtergrond en werden zij als amulet gedragen. De afbeeldingen en teksten verwijzen vaak naar allerlei kwalen zoals jicht of ouderdom.
In de vroege middeleeuwen werden oorkondes doorgaans niet bezegeld, maar ondertekend met een monogram. Soms werden daarnaast ook nog wel zegels gebruikt, bijvoorbeeld door keizer Karel de Grote.
Pas in de 11e en 12e eeuw kwamen zegels meer en meer in gebruik om uiteindelijk het monogram bijna volledig te verdringen en hét waarmerk van de middeleeuwen te worden. De eersten die zegels gebruikten waren de keizer, koningen en de paus, gevolgd door de hoge adel en kerkvorsten. Sinds de 12e eeuw zegelden ook kloosters en steden, in de 13e eeuw gevolgd door lagere adel, wereldlijke organisaties en voorname burgers.
Toen in de loop van de middeleeuwen de bestuurlijke instellingen meer en meer schriftelijke stukken gingen produceren, kwamen vanaf de 13e eeuw voor de verschillende documenten meerdere zegels in gebruik. Tegelijkertijd nam, mede om representatieve redenen, de afmeting van het vorstelijke zegel dermate toe, dat het een grootzegel werd genoemd. Dit grootzegel bleef bedoeld voor de belangrijkste oorkondes. Voor minder belangrijke stukken kwamen er een of meerdere kleinere zegels, tot aan het signet als kleinste zegel voor persoonlijke brieven. Met deze variatie was het zegelwezen tegen het eind van de middeleeuwen op zijn hoogtepunt. thumb|Een lakzegel op een brief In het kader van renaissance en reformatie leerden vanaf de 16e eeuw steeds meer mensen schrijven en kwam naast het zegel de handtekening in gebruik om documenten en brieven te ondertekenen. Geleidelijk aan verloor het zegel terrein. Voor private aangelegenheden werden zegels alleen nog gebruikt om brieven mee te sluiten (verzegelen), maar ook dat gebruik verdween in de 19e eeuw. Deze functie werd korte tijd overgenomen door sluitzegels, die dezelfde vorm hebben als postzegels, maar zonder frankeerwaarde.
Voor officiële stukken zijn zegels tot op de dag van vandaag in gebruik gebleven, alleen dan meestal in de vorm van rubberstempels waarmee een inktafdruk op het document wordt gestempeld. Net als bij zegels wordt ook daarbij gesproken van een stempel voor zowel het gereedschap als de afdruk die daarmee gemaakt wordt. Alleen in monarchieën worden de meest plechtige oorkondes nog bezegeld met een grootzegel van was.
Functies Zegels kunnen op diverse manieren worden ingedeeld. De belangrijkste indeling is die naar grootte, hetgeen nauw verband houdt met de functie van het betreffende zegel:
Grootzegel
thumb|Het Duitse herenigingsverdrag uit 1990 met de grootzegels (in rode lak) van beide Duitslanden Zoals de naam al aangeeft is een grootzegel een zegel van groot formaat. De diameter bedroeg soms wel 13 of 14 centimeter. Het grootzegel werd gebruikt voor de bekrachtiging van belangrijkste en meest plechtige oorkondes. Ook tegenwoordig hebben de meeste staten nog een grootzegel, dat voornamelijk gebruikt wordt voor de bekrachtiging van documenten zoals internationale verdragen of belangrijke benoemingen. In monarchieën wordt het grootzegel bovendien gebruikt voor de akte van abdicatie van de vorst en voor adelsdiploma's. Het stempel voor het vervaardigen van een grootzegel werd vroeger bewaard door een kanselier of een grootzegelbewaarder en tegenwoordig vaak door een minister van justitie.
Contrazegel Het contra- of tegenzegel is een wat kleiner zegel dat als extra waarborg op de achterkant van een grootzegel werd gedrukt. Om die reden had dit contrazegel vaak een wat gecompliceerdere tekening en werd het stempel ook wel door een andere persoon bewaard dan degene die het grootzegelstempel in bewaring had. Een zegel met aan de achterzijde een contrazegel dat even groot is als het grootzegel aan de voorzijde, heet een muntzegel.
Kleinzegel Het klein- of geheimzegel was een nog weer kleiner zegel dat werd gebruikt om minder belangrijke documenten en brieven mee te bezegelen. De term geheim betekent niet dat het geheim was in de huidige betekenis van dat woord, maar dat het een meer persoonlijke aangelegenheid betrof. Het geheimzegel werd daarom door de vorst zelf of door zijn persoonlijk secretaris bewaard en gebruikt, terwijl het grootzegel en het contrazegel meestal in handen van een kanselier of grootzegelbewaarder was.
thumb|150px|left|Een signetstempeltje van zilver met een monogram
Signet Een signet is de kleinste vorm van een zegel en wordt vervaardigd door middel van een klein stempeltje of een zegelring, ook wel ringzegel. Een signet kan gebruikt worden om de echtheid van een brief mee te bevestigen, maar werd meestal gebruikt om een brief zodanig mee te sluiten (te verzegelen) dat deze niet geopend kon worden, zonder het zegel te verbreken. Op deze manier konden ook allerlei andere voorwerpen, zoals pakketten, dozen en kisten verzegeld worden. In de late middeleeuwen werd een signet in bijenwas afgedrukt, maar na de ontdekking van zegellak in de tweede helft van de 16e eeuw, werden zulke zegels in zegellak afgedrukt. De zegelring die wordt gebruikt voor het vervaardigen van het signet van de paus heet de Vissersring.
Uitvoering Materiaal In de middeleeuwen werden bijna alle zegels vervaardigd van bijenwas, aanvankelijk kleurloos, maar later in diverse kleuren, waarbij rood en groen het meest voorkwamen. Voor extra bescherming werden de waszegels ook wel in houten en soms in metalen capsules geplaatst. thumb|200px|right|Het zegel van Karel IV onder de Gouden Bul van 1356, vervaardigd door Hans von Reutingen In uitzonderlijke gevallen werden zegels zelf ook wel in metaal uitgevoerd. Voor oorkondes van de paus is dit zelfs tot op de dag van vandaag de regel. In plaats van een grootzegel in was, zoals gebruikelijk bij andere vorsten, worden pauselijke bullen voorzien van een klein loden zegel, waaraan deze documenten ook hun naam ontlenen: de bulla was een metalen amulet gedragen door Romeinse jongens.
De term bulzegel wordt bovendien gebruikt voor zegels in zilver of goud van de Oost-Romeinse en Rooms-Duitse keizers en de gouden zegels van Europese koningen. Naar het eraan hangende gouden zegel worden sommige van deze oorkondes zelf ook gouden bul genoemd, met als meest bekende de Gouden Bul van de Rooms-Duitse keizer Karel IV uit 1356, waarin enkele belangrijke staatsrechtelijke bepalingen voor het Heilige Roomse Rijk zijn vastgelegd. Dit zegel werd vervaardigd door de beroemde Akense edelsmid Hans von Reutingen.
Deze gouden en zilveren zegels zijn niet massief, maar vormen een dunne capsule van goud of zilver waarin de afbeelding van het zegel wordt aangebracht. Vervolgens wordt door deze capsule het koord getrokken waarmee het zegel aan de oorkonde hangt en ten slotte wordt dan de holle binnenkant opgevuld met vloeibaar gemaakte was.
In de late middeleeuwen werden kleinere waszegels ook wel bedekt met een stukje papier, waar het stempel dan doorheen werd gedrukt. Dit gaf extra stevigheid aan het zegel. Dezelfde methode werd ook toegepast met deeg in plaats van was. Dit zijn ouwel- of oblatenzegels.
Naast de zegels van deeg kwamen heel soms ook zegels van brood voor. Deze werden, als er geen bijenwas, lood of hars aanwezig was en toch dringend een zegel vervaardigd moest worden, gemaakt van brood en lijm. Deze zegels zijn wat dikker en robuuster, maar ook heel erg kwetsbaar wanneer ze in aanraking komen met vocht. Eveneens zeldzaam zijn papieren zegels, gemaakt van papierpap. Deze werden gemaakt door telkens een laagje papierpap aan te brengen, te laten drogen, weer een laagje aan te brengen en dan uiteindelijk het zegel erop te drukken.
left|thumb|Groot lakzegel op een document van keizer Karel VI uit 1722 Na de ontdekking van zegellak in de tweede helft van de 16e eeuw, werden ringzegels bijna altijd in zegellak afgedrukt. Zulke zegels worden ook wel lakzegels genoemd. Zegellak is echter zeer breekbaar en daarom eigenlijk alleen geschikt voor kleinere zegels. Voor grote zegels is het taaiere bijenwas beter geschikt, maar desondanks worden ook grote zegels soms met zegellak vervaardigd.
Vanaf de 19e eeuw worden zegels steeds vaker direct in het papier van het betreffende document gedrukt met een speciale reliëf- of blinddruktang, de droogstempelzegel. Ook komt het voor dat zo'n reliëfzegel in een klein stukje papier wordt gedrukt, dat dan op een document wordt geplakt. Dit stukje papier is dan meestal rood en voorzien van een gekartelde rand, zodat het enigszins op een lakzegel lijkt. Dit soort zegels wordt vaak gebruikt op notariële akten, maar ook wel voor de grootzegel] op internationale verdragen.
Kleuren Traditioneel waren er sinds de middeleeuwen diverse kleuren was en later ook wel lak in gebruik, afhankelijk van wie de zegelaar was: Rode was voor het vervaardigen van zegels was aanvankelijk voorbehouden aan de keizer van het Heilige Roomse Rijk, die het recht om met rode was te zegelen ook aan zijn hoogste leenmannen, zoals rijksvorsten, prinsen en hertogen verleende. Groene was werd gebruikt voor de grootzegels van de Engelse en Franse koning en in het Heilige Roomse Rijk voor de zegels van bisdommen, kloosters, burgers en door edelen die niet het recht hadden om met rode was te zegelen. Blauwe was wordt in Engeland gebruikt voor oorkondes aangaande koninklijke familie. Witte was werd gebruikt voor de zegels van de rijkssteden in het Heilige Roomse Rijk en door de Franse Orde van de Heilige Geest. Zwarte was werd gebruikt door de patriarch van Jeruzalem en de grootmeesters van geestelijke ridderorden. Later werden zwarte lakzegels wel gebruikt voor rouwbrieven.
thumb|170px|Spitsovaal zegel van de bisschop van Passau (1375)
Vormen