Petrus Laurentius Regout, ook wel Petrus Dominicus Laurentius Regout, Petrus (I), Pieter, Pierre of Pie Regout, bijgenaamd "meneer Pie", "d'n awwe Rigo", ook wel "de pottekeuning" (Maastricht, 23 maart 1801 – Meerssen, 18 februari 1878), was een Nederlands industrieel en politicus. Hij geldt als de pater familias van de Maastrichtse ondernemersfamilie Regout en was de grondlegger van de kristal-, glas- en aardewerkfabriek P. Regout & Co. / De Sphinx (1834-2009).Ubachs/Evers (2005), p. 438: 'Regout, Petrus Laurentius'.

Levensloop Petrus Regout stamde uit een Maastrichtse koopmansfamilie, die sinds het einde van de 17e eeuw actief was in de glas- en aardewerkhandel. Zijn vader Petrus Leonard Regout (1765-1814) had een handel in huishoudelijke artikelen van glas, aardewerk en porselein in de Muntstraat, later in de Nieuwstraat in Maastricht. De jonge Pie Regout volgde te Maastricht voortgezet onderwijs aan het Collège Maastricht, maar ging begin maart 1815 van school af, twee weken voor zijn 14e verjaardag. Voortaan werkte hij mee in het bedrijf dat door zijn moeder Maria Gertrudis Nijsten (1766-1835) was voortgezet. Vanaf zijn achttiende dreef zijn moeder als vanouds de winkel en oriënteerde Petrus Regout zich vooral op de groothandel. Hij liep stage in Wallonië, en betrok later producten uit het nabij gelegen Luik en omgeving. Regout voegde aan de winkel in 1825 een kleine kristalslijperij toe, aanvankelijk gevestigd in de Jodenstraat. De grondstoffen daarvoor betrok hij van de dicht bij Luik gelegen glasfabriek Val-Saint-Lambert.

thumb|left|160px|Aldegonda Hoeberechts, door Théodore Schaepkens, ca. 1830 In 1825 huwde Petrus Regout de enkele jaren oudere Maria Aldegonda ("Gonneke") Hoeberechts (1798-1878). Het echtpaar zou tien kinderen krijgen, zes zonen, van wie er een als peuter overleed, en vier dochters (zie hieronder: 'Nakomelingschap'). Aldegonda kwam uit een welgestelde familie van hoedenmakers en bracht een aanzienlijke bruidsschat mee, die in het bedrijf werd geïnvesteerd. Een jaar later verhuisde het jonge gezin naar een groot pand in de Boschstraat, recht tegenover de in hetzelfde jaar gereed gekomen binnenhaven Bassin, het eindpunt van de Zuid-Willemsvaart. Deze locatie bewees zich door de gunstige ligging voor de binnenscheepvaart als ideaal voor de beginnende onderneming.

Onder de druk van het economische isolement waarin de stad gedurende de ruim drie jaar durende Blokkade van Maastricht na de Belgische Revolutie van eind augustus 1830 verkeerde, wist Regout in korte tijd de basis te leggen voor een industrieel imperium. Aangezien de Nederlandse regering een importverbod op Belgische producten had ingesteld, begon Regout noodgedwongen het benodigde glas voor zijn kristalslijperij zelf te vervaardigen. In 1834 kocht hij een stoommachine en wierf hij slijpers aan uit Wallonië en Frankrijk. Aldus begon hij aan de Boschstraat een 'stoom-glasfabriek'. Nog in datzelfde jaar richtte hij samen met zijn broer en zwager de nog altijd bestaande spijker- en draadnagelfabriek Thomas Regout op.

In 1835 stierf Maria Nijsten en liet aan elk van haar drie zonen 35.000 gulden na, een voor die tijd aanzienlijk bedrag, dat Petrus in staat stelde verdere investeringen te doen.Maenen (1959), pp. 84, 89. Een ander deel van Regouts fortuin stamde eveneens uit het begin van zijn carrière als ondernemer. Omstreeks 1847 deed zich namelijk een landelijke recessie voor. In plaats van zijn productie te verminderen, nam Regout – die de recessie van korte duur achtte – een risico en liet zijn fabrieken door produceren. Hij bouwde aldus een grote voorraad op en kon die later vanwege de ontstane schaarste tegen een hogere prijs verkopen. Deze vooruitziende blik zou een van de pijlers vormen van zijn fortuin. Ook had hij de durf om op gezette tijden grote - ook persoonlijke - financiële risico's te nemen, speculaties die vaak een positief resultaat hadden.Maenen (1959); Van Iterson (1992).

thumb|Glas- en kristalcatalogus, 19e eeuw In 1836 richtte Regout de later zo bekend geworden aardewerkfabriek op en in 1838 opende hij een glasblazerij. Ook was hij medeoprichter van een geweerfabriek (1846), een gasfabriek (1847), in 1850 de papierfabriek van Lhoëst (de latere Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken KNP) en de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (1845-1847). Al deze ondernemingen kwamen tot stand in samenwerking met een of meer compagnons. Zo werd Regout de eerste grootindustrieel van Nederland, en Maastricht de eerste Nederlandse stad waar zich een industriële omwenteling voltrok.

Internationale markt Regout is echter groot geworden door het leveren van gebruiksaardewerk op de internationale markt. Vanaf het eerste moment dat hij begon te produceren, bewoog hij zich 'over de grens'. Enerzijds trok hij gespecialiseerde aardewerkers aan uit Wallonië en Engeland, anderzijds exporteerde hij zijn goederen. Aanvankelijk bleef hij nog dicht bij huis. Afzet in België was te verwachten; tenslotte had hij daar al eerder contacten, mede door de stages die hij er had gelopen. Uiteindelijk handelde hij echter op de wereldmarkt. Reclame maken was daarbij een voorwaarde. Hij nam vanaf 1834 en 1841 deel aan lokale en nationale tentoonstellingen van nijverheid en kunst, en in 1851 hoorde hij bij de weinige Nederlanders die exposeerden tijdens de wereldtentoonstelling, in het Cristal Palace te Londen. Na deze eerste wereldtentoonstelling zouden er nog vele volgen, waarbij de inzending niet tot uitsluitend gebruiksaardewerk beperkt bleef.

Serviesgoed van Regout belandde in heel Europa, in de Nederlandse koloniën, Ceylon, India, Taiwan, het vasteland van China en de eilanden van Japan. Sommige producten werden in opdracht gemaakt. Zo bestelde een Javaanse vorst een bord met daarop het fotoportret van zijn overleden echtgenote. Toen zij naar Javaans gebruik honderd dagen na de crematie feestelijk werd herdacht, kregen de honderden genodigden een exemplaar van dit bord met portret en opdracht ten geschenke. Voor de Amerikaanse markt verscheen onder meer een servies met afbeeldingen uit het leven van de winnaar van de Amerikaanse Burgeroorlog, Abraham Lincoln, waaronder een tekening van de blokhut waarin hij was geboren en een portret als 16e president van de Verenigde Staten.

In 1853 werkten er bij de firma Regout meer dan duizend arbeiders. Tien jaar later, in 1863, was dat aantal verdubbeld tot meer dan tweeduizend. In datzelfde jaar kocht Regout van de gemeente het aanpalende terrein van het voormalige Penitentenklooster, waardoor hij zijn bedrijf binnen het keurslijf van de vestingstad verder kon uitbreiden. Inmiddels waren zijn vijf zonen in de leiding opgenomen, maar Petrus Regout bleef tot 1870 aan het hoofd van zijn zelfgeschapen glas- en aardewerkimperium staan. Hij legde zich daarbij meer en meer toe op het verkennen van nieuwe markten.

Overdracht aan de zonen In september 1870 werd het bedrijf omgezet in een v.o.f., waarbij de vier zonen die nog actief bij de zaak betrokken waren (Pierre, Edouard, Louis en Eugène), naast hun salaris een aandeel in de winst kregen. Volgens de statuten bezat de vader drie stemmen, de zonen elk één stem. Bij afwezigheid van Petrus sr. konden de handtekeningen van twee zonen die van de vader vervangen.Maenen (1959). Zie ook: 'Geschiedenis van de firma Petrus Regout en haar opvolgers', posting #10 op forum.mestreechonline.nl (gearchiveerd).

Regout trok zich in 1870 vanwege zijn verslechterende gezondheid uit het bedrijf terug en vestigde zich definitief op het landgoed Vaeshartelt. In 1875 werd zijn echtgenote Aldegonda Hoeberechts zijn gevolmachtigde. Hij overleed in februari 1878 op 76-jarige leeftijd op Vaeshartelt. Aldegonda en hun tweede zoon, Edouard, volgden hem nog datzelfde jaar. Hun stoffelijk overschot werd bijgezet in het familiemausoleum aan de Markt van Meerssen, gelegen naast de basiliek van Meerssen.Regout e.a. (1959), pp. 82-83.

Arbeidershuisvesting en politieke tegenwerking

De Belgische Opstand (1830-1839) leidde in Maastricht een periode van stilstand en recessie in. De aanvankelijke bloei na de Franse Tijd (1794-1814) kreeg een knauw met de uitstroom van intellectuelen en leidende figuren naar het nieuwe Koninkrijk België. In de enigszins vastgelopen en kleinsteedse vestingstad Maastricht was Regout een van de weinigen met visie en energie. Veel van zijn ideeën zouden later echter strandden door kortzichtigheid, of onderlinge politieke strijd.Ubachs/Evers (2006), pp. 202-203

Regout had al in de jaren 1850 plannen om binnen de vestingmuren, maar buiten zijn fabrieksterrein, woningbouw voor arbeiders te realiseren, onder meer op het terrein van de verlaten kazerne bij de Lindenkruispoort. Er is niets van gekomen. Veel van dergelijke gronden waren rijks- of gemeentelijk bezit en het gemeentebestuur wees zijn aanvragen consequent af. Als Regout woningen voor zijn arbeiders wilde bouwen, moest hij dat maar doen op het eigen fabrieksterrein. Daar verrees dan ook aan de Maagdendries, in de tuin van de voormalige Andrieskapel, een aantal arbeidershuisjes.

Voor de in 1864 door hem gebouwde Cité Ouvrière, in de volksmond De Groete Bouw (het grote huis) genoemd, kreeg Regout aanvankelijk lof toegezwaaid. De Cité Ouvrière was een complex van 40 tweekamerwoningen voor arbeiders, elk circa 60 vierkante meter groot, en enkele eenkamerwoningen voor ongehuwden. Het gebouw was gelegen in de Sint Antoniusstraat, die op de Boschstraat uitkwam ter hoogte van de monumentale fabriekspoort. Regout had het idee opgedaan door bezoek aan soortgelijke huisvesting in Waals België.Ubachs/Evers (2005), pp. 123-124. Door het gebrek aan ruimte binnen de muren van de vestingstad Maastricht was hij in tegenstelling tot de ruimtelijke opzet in het buitenland genoodzaakt in de hoogte te bouwen. Mede daardoor zou het comfort achterblijven bij wat in België mogelijk was. De Cité Ouvrière was de eerste vorm van gerichte arbeidershuisvesting in Maastricht en een van de eerste in zijn soort in Nederland. Omstreeks 1900, bijna een kwart eeuw na Regouts overlijden, was het gebouw overbevolkt. De oorspronkelijk tweekamerwoningen waren opgedeeld in 70 eenkamerwoningen en er woonden ruim 350 personen in het gebouw, dat daar nooit op berekend was.Van Vugt (2005)

Het liberale gemeentebestuur onder leiding van de ondernemer (zeepzieder) Willem Hubert Pijls (of Pyls) (1819-1903), van 1851-1900 raadslid, wethouder en langjarig burgemeester, en de brouwer-wethouder Michaël Marres (1826-1898), werkte de conservatieve Petrus Regout jarenlang consequent tegen.Ubachs/Evers (2005), p. 427: 'Pyls, Willem Hubert'; p. 438: 'Regout, Petrus Laurentius'. Ook van Regouts aanbod om via leidingen gas en water aan de stad te leveren (1848/1850), wilde zijn tegenstrever, de liberale burgemeester Pijls, niets horen. Tien jaar later realiseerde deze een eigen gasfabriek voor de stad (1858), ten koste van Regout.Ubachs/Evers (2005), p. 184: 'gaskwestie'; Evers/Ubachs (1996), p. 404. Een eerste aanleg van gemeentelijke waterleiding kwam eerst in 1885-1887 tot stand.Ubachs/Evers (2005), 'Waterleiding Exploitatie Maatschappij'. De animositeit was wederzijds; de strijd werd in de jaren 1860-1870 uitgevochten in de lokale pers: de liberale krant Le Courrier de la Meuse (de spreekbuis van Pijls en consorten) met haar 'scheldblad', het Weekblad voor Limburg, en de door Regout gefinancierde tegenhanger, de in Maastricht uitgegeven l'Ami du Limbourg.

Betekenis als ondernemer