Kangxi (4 mei 1654- 20 december 1722) was van 1661 tot 1722 de derde keizer van de Qing-dynastie en de tweede van de dynastie die over China regeerde. Tot aan augustus 1667 was er sprake van een regentschap. Kangxi was de zoon van de vorige keizer Shunzhi en zijn gemalin Xiao Kang Zhang. Zijn vader was overleden aan de pokken. De keus voor Kangxi als zijn opvolger werd in sterke mate bepaald door het feit, dat hij als kind die ziekte al had gekregen en dus hiervoor immuun was geworden.

Kangxi is een van de belangrijkste keizers in de Chinese geschiedenis geweest. In 1644 was de Ming-dynastie (1368-1644) gevallen en hadden de Mantsjoes Peking veroverd. In de decennia daarna werd het gehele land onder controle gebracht. Dit proces werd in het begin van de regeerperiode van Kangxi afgerond. Het tweede deel van zijn periode was gericht op het bevorderen van de economische vooruitgang, verhoging van het welvaartspeil en de patronage van kunst en cultuur.

In zijn regeerperiode werd de opstand van de Drie Leengoederen in het zuiden bedwongen en werd Taiwan een onderdeel van het rijk. Het Verdrag van Nertsjinsk met Rusland van 1689 was het eerste verdrag van China met een Europees land en legde voor een belangrijk deel de formele grenzen tussen beide landen vast. Vanaf 1691 ging ook het gebied van de huidige republiek Mongolië deel uit maken van het rijk; een situatie die tot 1911 zou duren. In 1720 besloot Kangxi militair in Tibet te interveniëren. Een Chinese legermacht verdreef de Dzjoengaren uit het land die dit in 1717 hadden bezet. De legermacht bracht Kälsang Gyatso mee, de zevende dalai lama, die dan geïnstalleerd wordt. Dit was de aanvang van de periode van het Chinese protectoraat over Tibet.

De besluitvorming was tijdens de regeerperiode van Kangxi veel meer dan onder zijn opvolgers een zaak van de keizer zelf. Kangxi was in staat een fenomenale hoeveelheid rapporten dagelijks te lezen en van commentaar te voorzien. Hij was zeer geïnteresseerd in westerse technologie, liet openbare demonstraties van wetenschappelijke vindingen en principes organiseren en was bereid lange lezingen over dit soort onderwerpen bij te wonen.

Kangxi zag het als zijn opdracht om de confuciaanse intelligentsia van het land tot samenwerking te brengen met de Qing, ondanks hun grote reserves tegen het bewind van de Mantsjoes en hun nog aanwezige loyaliteit aan de Ming. Hij deed dat door een beroep te doen op confuciaanse waarden. In 1670 liet hij het Heilig Edict uitkomen. Het was een geschrift waarin hij aangeeft dat de ordening van de samenleving gebaseerd dient te zijn op de essentie van het confucianisme. Het was bedoeld als een poging tot een vorm van sociaal contract met die intelligentsia te komen.

Mede om die reden gaf hij in 1679 de opdracht tot het schrijven en samenstellen van de Geschiedenis van de Ming, het laatste boek van de Vierentwintig Geschiedenissen, de verzameling officiële geschiedenissen van Chinese keizerlijke dynastieën. Het boek was zelf was pas in 1739 gereed.

Periode van het regentschap Na het overlijden van Shunzhi was er sprake van een regentschap van vier mensen; Soni, Suksaha, Ebilun en Oboi. Tijdens de regeerperiode van Shunzhi waren in toenemende mate Han-Chinezen op hoge posten benoemd. De regent voor Shunzhi, Dorgon, was begonnen met het beleid van het creëren van een vorm van diarchie, waarbij vroegere Ming-functionarissen en Mantsjoes gezamenlijk een hoge administratieve functie uitoefenden. Binnen de elite van de Mantsjoes werd met name over het laatste punt heel verschillend geoordeeld. Er waren facties die een acceptatie van Chinese wijzen van besturen radicaal afwezen. thumb|Johann Adam Schall von Bell De eerste maatregel die de regenten namen was het afschaffen van de dertien yamen, instituten die verantwoordelijk waren voor de organisatie van de keizerlijke huishouding en waarin Shunzhi vooral Chinese eunuchs had geplaatst. Die yamen waren georganiseerd op het model van de Ming-dynastie en een doorn in het oog van veel Mantsjoes vanwege het feit dat de eunuchs tijdens de Ming-periode aanzienlijke politieke macht hadden verkregen met soms catastrofale gevolgen. Ze werden vervangen door een Departement voor de Keizerlijke Huishouding dat vooral uit horigen vanuit het vendelsysteem van de Mantsjoes bestond.

Johann Adam Schall von Bell, hoofd van het Astronomisch Bureau in Peking en de leidinggevende van de missie van de jezuïeten in China was een vertrouweling van Shunzhi geweest. Zonder de steun van Shunzhi waren de jezuïeten aan het Bureau echter kwetsbaar voor aanvallen geworden. In 1661 werd door een factie binnen het Bureau een beschuldiging tegen Schall ingebracht dat hij opzettelijk een ongunstige datum en plaats zou hebben gekozen voor de begrafenis van prins Rong, een zoon van de favoriete gemalin van Shunzhi. Na een onderzoek van zeven maanden werden Schall en zeven anderen van het Bureau, waaronder vier Chinese christenen veroordeeld tot de doodstraf. Uiteindelijk kreeg Schall gratie, de anderen werden geëxecuteerd. In mei 1665 kon Schall de gevangenis verlaten. Hij overleed een jaar later mede als gevolg van de omstandigheden van die gevangenschap. Een groot deel van de jezuïeten werd naar Kanton verbannen. Kerken in de provincies werden gesloten en de verdere verbreiding van het christendom verboden.

De regenten pretendeerden terug te keren tot een geïdealiseerde, militaristische, pure Mantsjoe-staat die in die vorm nooit had bestaan. Het beleid van Shunzhi om de autonomie van de afzonderlijke vendels binnen het vendelsysteem te beperken werd door de regenten wel voortgezet. Zowel het zuiden als noorden van Mantsjoerije werden afzonderlijke provincies onder militaire gouverneurs.

De regenten traden echter niet of nauwelijks op tegen de steeds verdergaande autonomie in drie gebieden in het zuiden die gecontroleerd werden door legeraanvoerders die in de laatste fase van de Ming-dynastie overgelopen waren naar de Mantsjoes, voor hen een groot deel van de rest van China hadden veroverd en als beloning een aantal leengoederen hadden ontvangen. Dit zou onder het persoonlijk bewind van Kangxi leiden tot de opstand van de Drie Leengoederen.

De gezondheid van Sonin begon te verslechteren en Oboi begon de dominante factor van de vier regenten te worden. In 1667 trachtte de al ernstig zieke Sonin die dominantie te keren door de toen 14-jarige Kangxi te verzoeken zijn persoonlijk bewind aan te vangen. Een maand na het overlijden van Sonin in juli 1667 werd Kangxi geïnstalleerd. De drie resterende regenten kregen formeel een rol als adviseur, maar Oboi bleef de bepalende factor in de uitoefening van de macht. Hij dwong Kangxi om Suksaha en zijn familie te laten executeren en had de controle over Ebilun. In 1669 greep Kangxi zelf de macht en liet Oboi arresteren. Het oorspronkelijke vonnis was de doodstraf maar werd omgezet in een gevangenisstraf. Oboi overleed na enkele maanden in die gevangenis.

De opstand van de Drie Leengoederen en de verovering van Taiwan thumb|300px|Het gebied van de opstandige provincies thumb|300px|Shang Kexi, een van de drie opstandige gouverneurs, getekend door Joan Nieuhof in 1655 Vanaf 1669 trachtte Kangxi de macht van de drie gouverneurs in de zuidelijke provincies te beperken. Een belangrijke reden waren de enorme subsidies aan de in die provincies aanwezige legers terwijl Kangxi niet zeker was van hun loyaliteit. In 1673 boden de drie gouverneurs hun ontslag aan en verklaarden verder te willen leven in Mantsjoerije. Dat ontslag werd geaccepteerd onder de voorwaarde dat hun zoons hen niet zouden opvolgen. Kangxi wilde onder geen beding de mogelijkheid scheppen dat er zich in deze drie gebieden nieuwe erfelijke dynastieën zouden ontwikkelen. Het militair bestuur onder een gouverneur in Guandong werd opgeheven en Kangxi beval de gouverneur zijn legers in Guandong te ontmantelen. De belangrijkste van de drie gouverneurs, Wu Sangui, vatte dit op als een oorlogsverklaring aan de zuidelijke provincies. In december 1673 riep hij de onafhankelijkheid uit van Yunnan en voerde een aantal offensieven uit in Guizhou en Hunan. Tegelijkertijd kwamen ook Shang Zhixin en Geng Jinzhong in hun provincies in opstand. Geng Jinzhong verklaarde zich in 1674 onafhankelijk en voerde offensieven richting het noorden uit tot in Zhejiang. Shang Zhixin verklaarde zich ook onafhankelijk, consolideerde zijn machtsbasis in Lanton en viel met zijn legers Jiangxi in. Wu Sangui proclameerde de nieuwe Zhou-dynastie met zichzelf als keizer.

De opstand viel samen met de strijd van de Qing om het bezit van Taiwan. In 1662 had Koxinga de VOC verdreven uit Nederlands-Formosa en daar een eigen koninkrijk Tungning gesticht. Koxinga overleed in hetzelfde jaar van de verovering en werd opgevolgd door zijn zoon Zheng Jing. Deze leverde goederen aan de opstandelingen op het vasteland en voerde zelf in 1676 een invasie uit in Fujian waar hij een aantal steden aan de kust bezette. Die werden in 1677 door de Mantsjoes veroverd. In 1678 voerde Zheng Jing een tweede invasie van Fujian uit en bezette met een troepenmacht van 30.000 man steden als Xiamen en eilandengroepen als Quemoy. In 1680 werd hij gedwongen die weer te ontruimen. Zheng Jing overleed in 1681 waarna zijn zoon Zheng Keshuang zich overgaf aan de Mantsjoes. Taiwan werd daarmee een deel van het rijk van de Qing-dynastie.

De revolte van de drie opstandige gebieden was in 1681 voorbij. In 1674 had Wu Sangui met de inval in Hunan het initiatief genomen en de mogelijkheid gehad om verder met zijn troepen op te rukken. Die mogelijkheid had hij onbenut gelaten. Er werd door de drie gouverneurs van de opstandige provincies ook niet of nauwelijks effectief samengewerkt. Geng Jinzhong en Shang Zhixin gaven zich in 1676 en 1677 over. Een derde reden was het overlijden van Wu Sangui in 1678, de motor achter de opstand. Hij werd als keizer van de Zhou-dynastie opgevolgd door een kleinzoon, Wu Shifan, die achtervolgd door troepen van de Mantsjoes in Kunming in 1681 zelfmoord pleegde. Hiermee was de opstand geheel voorbij.

In 1684 vaardigde Kangxi een nieuw edict uit waarin hij het verbod op scheepvaart uit en met het buitenland ophief en opriep tot handel. Het gevolg was een enorme opleving van de intra-Aziatische handel die met name via de grote Chinese kolonies in Zuidoost-Azië in bijvoorbeeld Manilla en Batavia plaatsvond. Deze was nu niet meer afhankelijk van smokkel naar en uit China. In 1685 proclameerde Kangxi de opening van een groot aantal havens voor deze intra-Aziatische handel en opende daar douanekantoren om belasting te heffen. Vier van die havens werden geopend voor Europese handelaren. In 1667 had een delegatie van de VOC onder leiding van Pieter van Hoorn een bezoek aan Peking gebracht met het verzoek handelsrechten in China te verkrijgen. De delegatie werd ontvangen door Kangxi, maar het verzoek werd afgewezen. Het verslag van de reis is opgenomen in het boek van Olfert Dapper, Gedenkwaerdig Bedryf Der Nederlandsche Oost-Indische Maetschappye

Relaties met Rusland en de Dzjoengaren thumb|Belegering door Chinese troepen van het Russische fort Albazin, Nederlandse gravure uit de XVII eeuw