thumb|Grande Synagogue de la Victoire in Parijs De Joodse gemeenschap in Frankrijk bedraagt tussen de 500.000 en de 600.000 mensen. De meeste gemeenschappen bevinden zich in de stedelijke gebieden van Parijs, Marseille, Toulouse, Lyon en Straatsburg.

Eerste Joden in Frankrijk thumb|180px|De olielamp van Orgon is de oudste materiële vondst die de aanwezigheid van Joden in Gallië aantoont De Joodse aanwezigheid op het grondgebied dat nu Frankrijk is, gaat terug tot het begin van onze jaartelling en is een van de oudste Joodse gemeenschappen in Europa. De eerste Jood die in Gallië geleefd heeft, zou Herodes Archelaüs zijn geweest, de zoon van Herodes de Grote (vazalkoning van Palestina), die door keizer Augustus (63 v.Chr. –14 n.Chr.) verbannen werd naar Vienne in het jaar 6. Overblijfselen, vooral gevonden in de Rhônevallei, bevestigen de Joodse aanwezigheid in de 1e eeuw. De oudste vondst betrof een olielamp versierd met een kandelaar met zeven armen en gevonden in 1967 in Orgon.

Tot de 6e eeuw bouwden de Joden synagogen in de grootste Romeinse administratieve centra, gelegen langs de handelsroutes zoals Marseille, Arles, Uzès, Narbonne, Clermont, Orléans, Parijs en Bordeaux. Ze genoten op basis van de Romeinse wet hetzelfde aanzien als hun medeburgers. Ze onderhielden goede banden met de Galliërs, ook na de kerstening van Gallië.Jewish encyclopedia: Roman-Gallic Epoch

Op het einde van de 6e eeuw verkeerden de Joden in Gallië in verschillende situaties: bisschop Gregorius van Tours (538–594) beschreef in 576 de totale vernieling van de synagoge van Clermont en de daaropvolgende bekering van Joden.Être juif dans la société française, Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979 In Parijs daarentegen werd koning Chilperik I (539–584) geadviseerd door de Jood Priscus, die de bekering weigerde. Wikisource

Het Karolingische rijk In de periode 751–987 (Onder de Karolingische vorsten) leefden de Joden in goede verstandhouding met Franken. Zo hadden ze toegang tot hoge posten; Karel de Grote beval een Jood edelstenen op te halen in Palestina. Een andere Jood, genaamd Isaak, werd met twee ambassadeurs in 797 naar Hâroun ar-Rachîd (763–809), de kalief van Bagdad gestuurd. Hij keerde in 802 terug naar Aken met geschenken, waaronder een olifant.Être juif dans la société française, hoofdstuk: Des origines à l'an 1000, Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979

Het Karolingische rijk telde verscheidene Joodse gemeenschappen die over hun eigen scholen beschikten en de bescherming van de keizers genoten.La France avant la France (481–888), Geneviève Bührer-Thierry & Charles Mériaux, uitgeverij Belin, 2010 (p. 462) Alcuinus (ca. 735-804) en Hrabanus Maurus (ca. 780–856) raadpleegden geleerde Joden in het kader van hun Bijbelstudies en Sdéchias, de geneesheer van Karel de Kale (823–877) was een Jood.La France avant la France (481–888), Geneviève Bührer-Thierry & Charles Mériaux, uitgeverij Belin, 2010 (p. 463) Lodewijk de Vrome(778–840) eiste een strikte bescherming van de Joden omwille van hun handelsactiviteiten.

In de 8e eeuw verliep de handel tussen de Westerse wereld en het Midden-Oosten vrijwel uitsluitend via Joden. Ze vormden de enige link tussen de islam en rooms-katholieken na de islamitische verovering van het Iberisch Schiereiland.Mahomet et Charlemagne (p. 128), Henri Pirenne, uitgeverij Les presses Universitaires de France, 1992 Er wordt aangenomen dat de Joodse handelaars (Radhanieten) uit de Rhônevallei reizigers waren die meerdere talen spraken en op die manier de contacten onderhielden tussen deze twee culturen.

Halverwege de 9e eeuw probeerde de Rooms-Katholieke Kerk via concilies de vrijheid van de Joden te begrenzen en het idee te verspreiden dat Joden steeds in staat zijn tot bedrog. In Bordeaux werden de Joden beschuldigd van de overgave van de stad aan de Vikingen in 848. Hincmar van Reims(ongeveer 806–882) beschuldigde de Joodse geneesheer van Karel de Kale hem te hebben vergiftigd.

De eerste Capetingers (987–1096) Eerste vervolgingen Het vrij rustige leven van de Joden onder de Karolingers leidde tot de groei van Joodse samenlevingen in steden als Toulouse, Carcassonne, Chalon-sur-Saône, Sens en Metz.Être juif dans la société française, hoofdstuk « De l'an 1000 à l'expulsion de 1394 », Béatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979 Maar de macht van de Karolingische vorsten brokkelde snel af en het lot van de Joden hing af van de wil van de plaatselijke gezagsdragers. In 987 besteeg Hugo Capet, eerste vorst van de Capetingers de Franse troon. In de 11e eeuw begonnen de eerste Jodenvervolgingen.

In 1010 stelde Alduin, bisschop van Limoges de Joden van zijn bisdom de keuze tussen zich bekeren of verbanning. In Normandië beval de hertog Robert I de uitroeiing van alle Joden die zich niet bekeerden tot het christendom. Deze bedreiging leidde tot diverse zelfmoorden onder de Joodse bevolking. Een vooraanstaande Jood uit Rouen, Jacob B. Jekuthiel, vroeg aan de paus bescherming voor de Joden in Normandië. De paus stuurde een dignitaris in een poging de praktijken een halt toe te roepen.

Adhémar van Chabannes schreef in 1030 dat westerse Joden hun oosterse geloofsgenoten waarschuwden voor een op handen zijnde aanval tegen de Saracenen. Rond die tijd werd het heilig graf van Jezus ontheiligd door de Saracenen en ingericht als een islamitische tempel. Twintig jaar later schreef Rodulfus Glaber(circa 980-circa 1046) dat de Joden van Orleans een brief hadden meegegeven met een bedelaar die bestemd was voor de Joden uit het nabije Oosten. De brief zou de aanzet zijn geweest tot de vernieling van het heilige graf van Jezus. Deze bekendmaking zette aan tot de vrijwel volledige verdrijving en slachting van de Joodse bevolking in het koninkrijk Frankrijk.

In de andere gebieden die nu tot het huidige Frankrijk behoren, werden de Joden beter behandeld. In het graafschap Champagne, dat tot 1316 niet bij Frankrijk hoorde, leefde een welvarende intellectuele Joodse gemeenschap in Troyes. Ook vermelden geschiedschrijvers "gouden jaren" voor Joodse samenlevingen in Narbonne, Lunel en Montpellier.

Joodse literatuur in Frankrijk thumb|Rashi volgens een Nederlandse houtsnede uit de 16e eeuw In Champagne werd de Joodse bevolking met rust gelaten en dit liet de Joodse schrijvers toe om een rijke Joodse literatuur na te laten. Deze bestond in hoofdzaak uit liturgische poëzie waarin het lijden van Joodse geloofsgenoten en de onoverwinnelijkheid van hun thuisland (het huidige Israël) beschreven werd. Vele teksten bevatten Bijbelstudies, eenvoudige interpretaties van Bijbelse teksten bij voorkeur geïnspireerd door de Midrasj. Maar het is vooral de Talmoed en zijn commentaren Misjna en Gemara die het meest bestudeerd, gekopieerd en beschreven werden. De Joodse schrijvers waren zo talrijk in die streek dat er enkelen uitweken naar Duitsland om aldaar onderricht te geven.

De beroemdste geleerde van het begin van de 11e eeuw, Rabbenou Guershom (960–1028) leefde tussen Metz en Mainz. Hij was een van de eerste Asjkenazische wetsgeleerden. Hij verbood de polygamie en het scheiden van een vrouw zonder wederzijdse toestemming. Hoewel hij veel goede leerlingen had, waaronder Eliahou du Mans, bleek Rasji (1040-1105) zijn geestelijke opvolger te zijn. Rasji, ook Rasji van Troyes genoemd domineerde de tweede helft van de 11e eeuw. Hij wordt tot op vandaag gezien als een van de belangrijkste figuren in de Joodse culturele geschiedenis. Hij wordt ook de eerste Franse intellectueel genoemd.Dictionnaire des mots français venant de l'hébreu (p. 68), Patrick Jean-Baptiste, uitgeverij Seuil, 2010 Als rabbijn stichtte hij de Talmoedschool van Troyes die vrijwel onmiddellijk zeer beroemd werd.

Eerste Kruistocht en de 12e eeuw In de 11e eeuw had Rodolfus Glaber de Joden van Orléans ervan beschuldigd de vernietiging van het heilig graf in Jeruzalem veroorzaakt te hebben. Deze geschriften hadden – niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid – fatale gevolgen voor vele Joodse gemeenschappen. De eerste kruistocht, geleid door Peter de Kluizenaar, leidde eveneens tot een ware catastrofe voor de Joodse bevolking.Être juif dans la société française (hoofdstuk « De l'an 1000 à l'expulsion de 1394 »), Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979 De kruisvaarders sloten de Joden van Rouen op in een kerkgebouw en verplichtten ze zich te dopen. Wie weigerde werd afgeslacht. Dit bloedbad wordt in de Joodse liturgie herdacht als Gzeirot Tatnav (גזירות תתנו). De Joden van Orléans en Limoges werden eveneens verjaagd uit hun huizen. Een nog groter bloedbad vond plaats in de Rhônevallei: duizenden Joden werden door kruisvaarders vermoord, gehele gemeenschappen werden uitgeroeid. In Straatsburg werden de Joden in 1146 aangevallen door de monnik Radulph.

In de eerste helft van de 12e eeuw ontwikkelden zich bij de christenen twee hardnekkige antisemitische beschuldigingen. Enerzijds het idee dat Joden zich bezondigden aan rituele moorden en anderzijds dat ze grof geld verdienden aan woekerpraktijken. De beschuldiging van rituele moorden ging ervan uit dat de Joden regelmatig de kruisiging van Christus herdachten en daarbij christenen doodden. Deze verdachtmakingen waren eind 12e eeuw zeer frequent en leidden onder andere tot de veroordeling van 31 Joden tot de brandstapel in Blois (26 mei 1171).

In die tijd was het de katholieken verboden intrest te vragen op een uitgeleend bedrag. Dit was dus een exclusieve dienstverlening van de Joden. Ze waren de bankiers van zowel de rijken als de armen. De beschuldiging van woeker liet vele kredietnemers toe hun openstaande schuld te ontlopen. Niettegenstaande deze vijandigheden hadden de Joden van de 12e eeuw toch een actief spiritueel leven. Er ontstonden tossafistische scholen in Champagne, zoals in Ramerupt rond de kleinzoon van Rachi, Rabbenou Tam. Er is eveneens sprake van bloeiende scholen in Bourgogne, Parijs en in Normandië. In Troyes werden bijeenkomsten georganiseerd voor rabbijnen uit Frankrijk en uit de Rijnvallei. Er stonden twee Joodse synagoges in Troyes.

Ook in het zuiden van Frankrijk kende men in de 12e eeuw een welvarende Joodse samenleving, die werd beschreven door de vooraanstaande Joodse familie Ibn Tibbon.Être juif dans la société française (p. 40), Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979 Desondanks was er sprake van beperkte antisemitische acties.

In de Elzas sprak men van vele "brave en rijke" Joden in Straatsburg. De Kerk hing een geringschattend beeld op van de plaatselijke Joden.Être juif dans la société française (p. 306), Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979

Uitdrijvingen en terugroepingen Onder Filips II van Frankrijk thumb|uitdrijving van de Franse Joden door koning Filips II van Frankrijk (miniatuur uit een Frans manuscript uit 1321) Op het einde van de 12e eeuw ontwikkelde zich in Parijs een groeiende economische activiteit waaraan de Joodse bevolking participeerde. De christelijke bevolking werd vlug jaloers op de Joden en Filips II van Frankrijk (koning van 1180 tot 1223) hoorde deze aanklachten. Hij beschouwde ze als gevaarlijke concurrenten voor de nieuwe commerciële klasse. Op 10 maart 1182 vaardigde hij een koninklijk besluit uit dat de Joden beroofde van al hun bezittingen en ze dwong het grondgebied te verlaten. De synagogen werden omgedoopt tot kerken, de goederen van de Joden werden verdeeld onder de adel en hun corporaties. Filips II installeerde dus een door wet bepaald uitdrijvingsmodel dat doorheen de geschiedenis nog vele malen herhaald zal worden. De Joden verhuisden naar nabijgelegen gebieden, net buiten het koninklijke domein, naar Champagne of naar Bourgondië, maar ook naar het Zuiden in Provence. Deze eerste uitdrijving leerde de Joodse gemeenschap om niet te investeren in onroerend goed maar veeleer in goederen die vlot te verhuizen zijn zoals juwelen en geld.